HOOFDSTUK XXIV.

TE AUGSBURG.

Op een schoonen Junimorgen, toen de zon vroolijk scheen, reden drie aanzienlijke heeren te paard de Vrouwepoort van Neurenberg uit, op eenigen afstand gevolgd door zes kranige knechten, met zware valiezen beladen. Het waren de vertegenwoordigers der stad in den Rijksdag, dien Keizer Maximiliaan te Augsburg had bijeengeroepen: de raadsheer Kaspar Nützel, de stadssecretaris Lazarus Spengler en meester Albrecht Dürer. Eerst was het plan geweest, dat slechts de twee eerstgenoemden zouden gaan, later besloot men den laatste ook te zenden, om den keizer, bij wien Dürer in hooge eer stond, genoegen te doen.

“Het zal warm worden,” beweerde meester Dürer na eenigen tijd, de zon brandt reeds op mijn rug.”

“In Augsburg zullen we het nog warmer krijgen,” antwoordde Spengler lachend. De belasting, die de paus eischt voor den strijd tegen de Turken, zal de hoofden der vorsten genoeg verhitten en de paus zal het ook benauwd krijgen, als hij de lange reeks klachten van de rijksvorsten over de geestelijkheid verneemt.”

“Zou men den heiligen Vader die belasting toestaan?” vraagde Nützel.

De stadssecretaris haalde de schouders op. “Men stelt hier den eenen eisch tegenover den anderen. Als de paus aan de klachten der Duitschers geen gehoor geeft, kan hij elke gedachte aan een oorlog tegen de Turken gerust op zijde zetten. Ik voor mij geloof trouwens, dat de Turken slechts een voorwendsel zijn, om op nieuw geld uit de zakken der Duitschers te kloppen, nadat Luther voor de aflaatkramers de markt heeft bedorven. De bedoelde Turken zullen wel in Italië huizen.”

“Nu gij toch van Luther spreekt,” zei Dürer, “zal het mij benieuwen of zijn zaak in den Rijksdag zal worden behandeld.”

“In den Rijksdag?” vraagde Spengler. “We hebben genoeg andere zaken te behandelen, maar als het mocht gebeuren, ben ik overtuigd, dat de keurvorst van Saksen zich het lot van zijn landgenoot wel zal aantrekken, want Luther staat bij hem hoog in de gunst.

Nu het gesprek op de theologie was gekomen, raakten zij daarin zoo ernstig verdiept, dat de lange rit hun bijzonder kort scheen.

Bij de poort van Augsburg scheidden zij om elk hun logies op te zoeken: Kaspar Nützel begaf zich naar het paleis van den rijken Fugger, Lazarus Spengler naar zijn collega Konrad Peutinger en meester Dürer naar het Augustijnerklooster te St. Ulrich.

De Neurenberger vertegenwoordigers behoorden tot de eerste, die te Augsburg verschenen. Elken dag kwamen er nu meer: de Duitsche vorsten en prelaten verschenen met hun gevolg, allen in statigen optocht en eindelijk kwam Zijn keizerlijke Majesteit.

Den volgenden dag kwamen allen, nadat zij gezamenlijk de mis hadden bijgewoond, met den keizer bijeen in de groote zaal van het paleis en de Rijksdag was geopend.

Eenigen tijd daarna keerde meester Dürer in opgewonden stemming naar het klooster terug en deelde aan de monniken mede, dat hij overmorgen voor Zijn Majesteit moest verschijnen, om diens portret te maken. De monniken verheugden zich niet weinig hierover, en waren nu nog trotscher op hun gast, met wien zij reeds tegenover andere geestelijke orden hadden gepronkt.

Des Maandags na den dag aan Johannes den Dooper gewijd, werd meester Dürer in het keizerlijk paleis ontboden.

Zijn hart klopte luid: nu zou hij de eer hebben, hem, den machtigen keizer van het groote Duitsche Rijk, te mogen afbeelden, den vorst, voor wien hij ook als liefhebber en beschermer der kunst hooge achting koesterde.

Met den dienaar, die hem begeleidde, ging hij door den tuin van het paleis en trad, langs de menigte keizerlijke hofbeambten en dienaren met hun van goud schitterende livreien, op het voorportaal toe. Zij gingen de breede trap op, door een zaal heen en kwamen daarna aan klein kamertje. De bediende opende de deur en liet Dürer binnen, die nu voor Zijn keizerlijke Majesteit stond.

Toen hij eerbiedig boog, kwam de keizer minzaam op hem toe en reikte hem de hand.

“Wees welkom, lieve meester! Het is mij recht aangenaam hem, die mij reeds zooveel genot heeft bereid, te mogen zien. Wilt gij nu maar dadelijk aan het werk gaan om keizer Maximiliaans beeltenis aan de wereld te laten zien.”

Tegelijkertijd zette hij zijn fluweelen baret op, sloeg een lichten mantel om en ging zitten. Dürer nam een papier te voorschijn en teekende met houtskool het bijna levensgroote portret des keizers.

Nog geen uur was voorbijgegaan, toen de kunstenaar voor den keizer boog, om hem te danken, dat het hem vergund was geweest den hoogstgeplaatsten man der wereld in beeld te brengen. Hoogst verwonderd stond de keizer op. “Hoe, zijt gij nu reeds klaar?

Hij bekeek de teekening en zag toen zijn beeltenis, geniaal uitgevoerd, zoo natuurgetrouw en zoo volkomen waar, dat hem een kreet van blijde verrassing ontsnapte en hij in vervoering de hand des kunstenaars greep om die hartelijk te drukken.

Dürer verzocht de teekening eerst mee naar huis te mogen nemen, om hier en daar nog wat bij te werken; hij zou haar dan den volgenden dag aan Zijn Majesteit zenden. De keizer keurde dit goed en liet den kunstenaar niet vertrekken zonder hem nogmaals zijn bewondering te hebben betuigd.

Sedert dat oogenblik overstelpte men Dürer met arbeid, want door dit portret was zijn tegenwoordigheid te Augsburg algemeen bekend geworden. De rijke Patriciër, Jacob Fugger, noodigde Dürer uit bij hem te komen om zijn portret te maken, en zoo deed ook een aanzienlijke Augsburgsche dame, Sybilla Arztin. Een grootere opdracht gaf hem den geleerden en kunstlievenden stadssecretaris en keizerlijken raadsheer Dr. Konraad Peutinger, met wien hij later op zeer vertrouwelijken voet kwam, omdat hij in hem iemand, die wat het godsdienstige betrof het geheel met hem eens was, had gevonden. Zijn schetsboek vulde hij met portretten van de belangrijkste personen, die hij gedurende de zittingen van den Rijksdag in stilte teekende en waartoe behoorden: Keurvorst Frederik van Saksen, Keurvorst Joachim I van Brandenburg en diens zoon van denzelfden naam, de Paltsgraaf Frederik, Vorst Wolfgang van Anhalt, Bisschop Bernard van Triënte, de Abten van St. Paul in Lavanthal en van het klooster Heilsbronn. Het portret van Ridder Ulrich van Hutten teekende hij zelfs tweemaal.

De Augustijner monniken van St. Ulrich drongen er bij den kunstenaar op aan, dat hij een geschenk als herinnering zou achterlaten; vriendelijk willigde hij hun verzoek in en schilderde de portretten van een groot aantal kloosterlingen.

Vele weken waren sinds dien tijd voorbijgegaan.

Op een avond in het begin van Augustus kwam Dürer in bijzonder opgewekte stemming thuis en vertelde hij aan tafel: “Vandaag is mij weder een groote eer te beurt gevallen: de Aartsbisschop van Maagdenburg en Mainz, primaat en eerste kanselier van het Duitsche Rijk, die op den Rijksdag hier van den heiligen Vader den kardinaalshoed heeft ontvangen, heeft mij bij zich ontboden en mij gevraagd zijn portret te maken. Dat heb ik nu vandaag gedaan en daarna hebben we nog eenige uren heel vertrouwelijk gepraat. Welk een aangenaam man is hij! Met welk een liefde en verstand spreekt hij over de kunst, waarvoor hij geen geld ontziet! Hij heeft een aanzienlijke schat reliquieën in zijn kerk te Halle bijeengebracht en voor het portret, waarover hij uiterst tevreden is, heeft hij mij terstond twee honderd gouden guldens uitbetaald, en mij nog twintig el damast gegeven voor een kleed, dat ik juist noodig heb.”

“En ziet, er is mij heden nog iets anders overkomen. Het is mij weer vergund geweest bij den keizer te verschijnen om met hem te spreken over den triomfwagen, dien ik voor hem heb geteekend. Er waren juist veel vorsten bij hem, die allen even minzaam tegen mij waren. De keizer wilde, dat ik een ridderhelm zou teekenen en toen ik daarmee bezig was, kwam hij er bij, nam het stuk houtskool uit mijn hand en zei, dat hij het zelf ook eens wilde probeeren. Maar terwijl hij zijn best deed, brak het stuk houtskool herhaaldelijk en het wilde in het geheel niet gelukken—hij gaf het mij dus maar weer terug en ik maakte de teekening gauw af. De keizer moest er om lachen en vraagde: “Hoe komt het toch, dat bij mij de houtskool voortdurend breekt en bij u nooit?” En omdat de keizer zoo minzaam en gewoon met mij praatte, werd mijn moed groot en ik antwoordde: “Allergenadigste Keizer, ik zou niet wenschen, dat Uw Majesteit even goed kon teekenen als ik.”

De toehoorders zagen elkaar daarop bedenkelijk aan en een hunner zeide: “Dat was een haastig, onbedacht woord. Hoe nam de keizer het op?”

Dürer glimlachte. “Hij begreep, dat ik er mee wilde zeggen: Gij, Keizer, hebt over een ander rijk te gebieden en moeilijker plichten te vervullen dan één van ons. Daarom reikte hij mij vriendelijk de hand en ik mocht heengaan, zonder in ongenade te zijn gevallen.”

De prior was onder Dürers verhalen stil geworden; nu nam hij het woord en sprak:

“Ik begrijp, dat ’s keizers gunst u verheugt en gelukkig maakt en ik verblijd mij daarin met u; maar het verbaast mij, dat de vriend en volgeling van Luther met zooveel lof over diens tegenstander spreekt en hem met zijn kunst dient. Is het niet juist kardinaal Albrecht, die den eersten stoot aan de geheele beweging heeft gegeven, toen hij Tetzel uitzond met die aflaatkist?”

Dürer zag den prior een oogenblik ontsteld aan, daarop sprak hij: “Ik heb wel gedacht aan hetgeen de kardinaal, wat den aflaat betreft, heeft gedaan en het diep betreurd. Het is jammer, dat de man zich daarmee heeft afgegeven. Hij is overigens zulk een kiesch, uiterst ontwikkeld en hoogdenkend man, een vriend van kunsten en wetenschappen. — — —”

“En een verkwister!” viel de prior hem met donkeren blik in de rede. “Zijn geldbuidel is altijd leeg en hij heeft Tetzel uitgezonden alleen om zijn beurs te vullen.”

Misschien heeft hij niet geweten, wat hij deed,” zei Dürer verontschuldigend, “en is daarom op hem het woord van onzen Heiland van toepassing, dat men het hem moet vergeven. Misschien heeft hij zelf het verkeerde reeds ingezien en stelt hij perk aan dien afschuwelijken handel. Mij dunkt, dat hij meer vorst dan bisschop is en van de leer der kerk niet veel weet, zooals vele anderen, die den bisschopsstaf dragen. Indien hij het bestuur over wereldsche aangelegenheden had, dan — — —”

Hier werd de spreker in de rede gevallen door een monnik, die met een uitdrukking van schrik en toorn op het gelaat, naar binnen stortte en riep: “Er loopt een slechte tijding door de stad: de leeuw heft den klauw omhoog, om den adelaar te verscheuren.”

Plotseling stonden allen van hun zitplaatsen op en verdrongen zich om den binnengekomene met de vraag, wat dit moest beteekenen.

De monnik hief zijn gebalde vuisten omhoog en riep met donderende stem: “Wee u, Leo, wanneer uw hand zich met het bloed der heiligen bevlekt!—Gij moet dan weten, broeders, dat er uit Rome een gezant van den paus is gekomen, om Luther te bevelen binnen zestig dagen voor den pauselijken stoel te verschijnen—dat beteekent dus: in een gevangenis te verdwijnen—en den paus nog dankbaar den voet te kussen voor de genade, dat hij hem den brandstapel heeft bespaard!

Er ontstond een groote opgewondenheid; aller gelaat gloeide en men sprak wild door elkaar, want de Augustijner monniken van St. Ulrich te Augsburg hadden allen partij gekozen voor hun Wittenberger kloosterbroeder en waren trotsch op hem.

Dürer was eveneens diep getroffen. Hij ging naar zijn slaapvertrek en legde zich te bed, om daar lang tot God te bidden en den bedreigde in de bescherming des Almachtigen aan te bevelen.

Er heerschte een geweldige oproerigheid in Augsburg gedurende de volgende dagen en de pauselijke gezant zag welk een groot deel van het volk op Luthers hand was.

De opgewondenheid bedaarde dan ook niet, voordat men over Luthers lot gerust kon zijn, omdat zoowel de Universiteit van Wittenberg als de keurvorst Frederik van Saksen, voor den monnik beslist in de bres waren gesprongen en het hadden doorgezet, dat zijn zaak op Duitsch grondgebied zou worden uitgevochten en wel te Augsburg op den Rijksdag, terwijl de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, tegen wil en dank zich bereid moest verklaren, aldaar den ketter te woord te staan.

Men was daarmee tevreden gesteld; vooral ook nu de pauselijke zaakgelastigde, den keurvorst op diens aandringen, had beloofd met zachtmoedigheid en rechtvaardigheid tegenover den Augustijner monnik te werk te gaan.

Brandend van ongeduld wachtte Dürer het oogenblik af, waarop de man Gods, die zijn ziel uit groote benauwdheid had gered, Augsburg zou betreden; hij hoopte hem dan met eigen oogen te zien en misschien zelfs met hem te spreken.

Maar de eene week na de andere verliep en Luther verscheen niet—men hoorde zelfs beweren, dat hij pas zou komen wanneer de Rijksdag al het andere zou hebben behandeld, en dat was nog heel veel. Dürer kon evenwel tot zijn groote spijt zoo lang niet wachten; hij had van huis tijdingen ontvangen, die hem tegen de helft van September naar Neurenberg riepen.