HOOFDSTUK XXV.

BEVREDIGD VERLANGEN.

Er waren bijna vier weken voorbijgegaan, toen op zekeren avond de meid meester Dürer bij zijn thuiskomst berichtte, dat de secretaris van den Raad er was geweest en ten hoogste had betreurd meester Dürer uit te vinden. Hij had er bij gevoegd, dat in geval deze spoedig thuis mocht komen, hij dadelijk naar het Augustijnerklooster moest gaan.

Terstond ging Dürer er dus weer op uit en liep met groote stappen naar het genoemde klooster.

Hij vond al de broeders bij elkaar in de groote eetzaal.

“O, waarom waart gij zoo straks niet hier, Meester Dürer,” riep de prior den binnentredende toe. “Nu is het te laat!”

“Wat is er gebeurd?” vraagde Dürer ontsteld.

De prior kwam naderbij, reikte hem de hand en zei: “Hij, dien gij zoozeer hebt verlangd te aanschouwen, zat een uur geleden hier op deze plaats.”

“Luther?” vraagde meester Dürer snel.

“Ja, Luther,” bevestigde de prior. “Wij hebben hem gezien, wij hebben met hem gesproken—o, ik zegen den dag, waarop de gezegende des Heeren onzen drempel heeft overschreden.”

Dürer was ontroostbaar over de teleurstelling, dat hij op het juiste oogenblik niet tegenwoordig was geweest en nu wilde hij ten minste alle nadere bijzonderheden hooren. Hij vernam, dat Luther te voet van Wittenberg was gekomen en doodmoe bij de broeders was aangeland. Men had hem toen gespijsd en gelaafd en broeder Link had hem zijn pij gegeven, daar hij in zijn eigen oude pij, door de stof op reis ontoonbaar geworden, onmogelijk voor den gezant van den heilige Vader kon verschijnen.

Verder vertelde men, dat Link had aangeboden, hem naar Augsburg te begeleiden en dat zij een half uur geleden samen waren afgereisd.

“En hoe was hij, Dr. Martinus?” vraagde Dürer met groote belangstelling.

Eenige oogenblikken zweeg de prior met terneergeslagen blikken; toen vervolgde hij:

“Hoe zal ik u dat duidelijk kunnen maken? Eerst schrok ik, toen ik hem zag aankomen, van zijn holle, bleeke wangen, waarop als het ware de dood staat te lezen. En ik zag daaruit de gevolgen van zijn zelfkastijdingen in het Erfurter klooster, waarvan men mij had verteld. Maar ik werd bijna verblind, toen ik zijn oogen zag. Meester Dürer, als gij die oogen had gezien, zoudt gij terstond hebben gezegd: dat is een man Gods, een profeet des Allerhoogsten! En als gij die oogen moest schilderen—al zijt gij nog zulk een uitstekend, hooggeroemd kunstenaar, zulke oogen en de ziel, die daaruit spreekt, op het doek te brengen, neen, dat zou onmogelijk zijn. Ik zie ze nog steeds voor mij, die groote, donkere, diepe oogen; het was mij alsof hij daarmee tot in het diepst van ’s menschen ziel kon lezen. En dan zijn stem, zijn taal—juist zoo stel ik mij Elias, den profeet van Jehova voor.”

“En wat zeide hij van zijn gang naar Augsburg?” vraagde Dürer verder.

“Hij was op alles voorbereid,” antwoordde de prior. “Hij voorzag heel goed, dat hij als offer was bestemd, dat de paus hem door list wilde vangen en naar Rome sleepen; toch ging hij getroost in den naam des Heeren, die, als hij verloren ging, uit elken steen een Martinus kon verwekken.

In Dürers ziel kampten velerlei aandoeningen om den voorrang; diepe ontroering en hartverheffende gedachten wisselden af met wrevel over de teleurstelling Luther te hebben gemist. Eindelijk vraagde hij, of Luther niet gezegd had, welken terugweg hij zou nemen, wanneer het misliep met de booze bedoelingen van Rome. Doch men zei hem, dat Luther daarvan met geen enkel woord had gerept.

Iedereen te Neurenberg, en Dürer in het bijzonder, wachtte nu in groote spanning op tijding uit Augsburg; maar de berichten, die kwamen, waren zeer met elkander in tegenspraak. Sommigen zeiden, dat Luther zeer welwillend door den kardinaal was ontvangen; anderen beweerden, dat de pauselijke gezant hem hard had bejegend en had gezegd, dat hij het beest met de donkere oogen niet meer wilde zien.

Toen kwam op den 16den October ’s avonds laat Wenzel Link, die Luther naar Augsburg had vergezeld, terug—alleen, en vervulde door zijn berichten de stad met vrees en beven. Hij vertelde, dat hij de vlucht had moeten nemen, omdat hij zijn leven niet zeker was en wat er met Luther, die nog een geschrift om te appeleeren wilde overreiken, zou gebeuren, dat wist God alleen.

Ten huize van Kaspar Nützel kwamen vele aanzienlijken bijeen om te beraadslagen, wat zij te doen hadden, in geval, dat het met Luther tot het uiterste kwam, maar niemand wist wat hierin te raden. Aller gemoed was bezwaard, niemand dacht aan arbeiden, zelfs de raadszittingen konden niet doorgaan door de afwezigheid van het meerendeel der raadsheeren.—

Op Donderdag, den 21sten October, reden ’s morgens vroeg twee ruiters de Vrouwepoort te Neurenberg binnen; zij zagen er wonderlijk uit, ten minste de een, want dat was een monnik in zijn pij, hetgeen al heel vreemd stond voor iemand te paard, zoodat ieder, die hem tegenkwam, bleef staan en verwonderd den rijdenden kloosterbroeder nakeek. De andere ruiter was een man met een grijzen baard en een gerimpeld gelaat; hij was tot de tanden toe gewapend. De ruiters vraagden den weg naar het Augustijnerklooster en gingen, toen zij daar waren aangekomen, met het paard aan den teugel, den tuin binnen. Even daarna werd de klopper driemaal haastig op Dürers deur neergelaten. Het was een monnik, die de boodschap bracht, dat meester Dürer terstond naar het klooster moest gaan.

Met een voorgevoel, wien het gold, snelde Dürer naar buiten, geheel zooals hij was en in zijn haast ternauwernood zich den tijd gunnende om zijn baret van den haak te nemen. Hij had zich niet bedrogen; de monnik vertelde hem onderweg, dat Luther vergezeld van een gewapend ruiter uit Augsburg als vluchteling was aangekomen en in het klooster eenige rust wilde nemen. Met kloppend hart trad Dürer het klooster binnen. Allen waren weder in de eetzaal te zamen gekomen en men kon het hun aanzien, welk een diepen indruk deze gebeurtenis op hem maakte.

Tevergeefs echter zochten zijn oogen Luther en op zijn vraag naar hem, hoorde hij dat deze bij den prior in diens cel was, om het schrijven van Spalatinus, den hofprediker van den Keurvorst van Saksen, dat ondertusschen voor hem was gekomen, te lezen. En werkelijk, nog voordat Luther eenige spijs ter verkwikking had genuttigd, had hij zich teruggetrokken om dezen brief te lezen. Hij zag daaruit, dat hij alle reden had, om de Augsburgsche vrienden, die bij hem op deze nachtelijke vlucht hadden aangedrongen, dankbaar te zijn, want Spalatinus deelde hem mee, dat, in een brief van den Paus, Kardinaal Cajetanus de opdracht had gekregen, Luther, dien verstokten ketter, hoe dan ook, in zijn macht te brengen, aan Rome uit te leveren en den ban uit te spreken over al zijn volgelingen en over alle steden en landen, waarheen deze zoon des satans zich zou begeven.

Het duurde geruimen tijd, voordat Luther zich weer liet zien. De brief van Spalatinus en zijn lichamelijke uitputting hadden hem zoozeer aangepakt, dat hij rust en nadenken noodig had. Hij bekommerde zich weinig om het gevaar, dat hem zelf dreigde; doch dat anderen om zijnentwil zouden lijden, deed hem verdriet. Om deze laatste reden wilde hij dan ook niet lang in Neurenberg blijven en hij ging naar de eetzaal terug, waar een ontbijt voor hem gereed stond. Dürer, die zich achter in de zaal had teruggetrokken, stond hem onbewegelijk met groote oogen aan te staren; het was alsof hij betooverd was. Dat was hij dus, de profeet des Heeren met die zielvolle oogen, die zoo diep in de waarheid zagen; dat was dus die onverschrokken, dappere man, die gedurfd had wat niemand had gewaagd; dat was hij dus, wien hij de redding uit zijn zielsangsten had te danken! Meester Dürer bleef schuw in zijn schuilhoek, om daar te luisteren naar de woorden, die Luther onder het eten met den Prior en zijn vriend Link wisselde. Toen hij echter, nadat hij had gegeten, opstond en een kloosterbroeder toeriep, dat de knecht de paarden moest voorbrengen, verzamelde Dürer al zijn moed, trad uit zijn schuilhoek te voorschijn en ging naar Dr. Maarten toe. “Eerwaarde heer Doctor, neem ook uit mijn mond een zegenbede op reis mee. Reeds sedert lang behoor ook ik tot hen, die u eeren en voor u bidden.”

“Hoe heet gij?” vraagde Luther vriendelijk.

“Albrecht Dürer,” was het antwoord.

Toen begonnen de groote oogen van den doctor te schitteren en met een geheel veranderden klank in zijn stem sprak hij: “Albrecht Dürer, gij, heerlijk kunstenaar, wees gegroet. Zie, ook ik heb u hartelijk lief en bewonder uw kunst, die mij reeds menig genot heeft bereid. God helpe u verder op den weg der waarheid, opdat gij daarin wordet bevestigd en de waarheid u vrij make!”

“Dat geve God!” antwoordde Dürer warm, “u evenwel, die door den Paus en de goddeloozen wordt bedreigd, beveel ik in de bescherming des Almachtigen, opdat gij over de boosheid uwer vijanden moogt zegevieren en het veld behouden.”

“Heb dank, Meester Dürer!” antwoordde Luther innig en hij drukte den spreker de hand. Mijn leven is in Gods hand en ik stel mijn vertrouwen op den levenden God; daarom vrees ik geen mensch, al was het de Paus of de duivel zelf.”

Buiten in den kloostertuin, hoorde men hoefgetrappel; toen nam Luther van allen haastig afscheid, steeg te paard en draafde met zijn geleider weg. Men zag hem langen tijd na, totdat zij op de Wijnmarkt den hoek omsloegen en verdwenen.

“Heden is dit huis zaligheid geschied en mij ook,” sprak Dürer, diep bewogen. “Nu weet ik het ook heel zeker, dat Doctor Maarten Luther de zwaan is, waarvan Johannes Hus stervend voorspelde, dat hij over honderd jaar zou komen. En ik bid van God, dat zijn voorspelling geheel moge worden vervuld; dat men, nadat men den gans misdadiglijk heeft gebraden, den zwaan ongebraden zal moeten laten!”