HOOFDSTUK XXVI.

EEN SPOTSCHRIFT.

De ontvangst, die Kardinaal Cajetanus te Rome te beurt viel, toen hij zonder den aartsketter thuis kwam, was niet bepaald aangenaam. Begrijpende, dat er met geweld niets viel uit te richten, wilde de Paus nu iets anders probeeren. Het duurde niet lang, of er kwam weer een pauselijk zaakgelastigde, die het slimmer aanlegde dan de onhandige Kardinaal, opdagen, iemand, die den klauw in fluweelen handschoenen verborg, terwijl hij trachtte den ketter door zijn gevlei te vangen. En bijna gelukte hem dat ook: hij bracht Luther er toe te beloven, dat hij zou zwijgen, indien zijn tegenstanders dit ook zouden doen. Doch deze konden hun mond niet houden en zoo was Luther ook van zijn belofte ontslagen.

Doctor Eck, professor te Ingolstadt, was de eerste, die den roem wenschte te behalen om den geweldigen Augustijner te overwinnen. De welbespraakte man wilde bij een dispuut in het openbaar bewijzen, dat Luther een leugenprofeet en een kind des duivels was. Wel is waar, daagde hij eerst niet Luther zelf tot een twistgesprek uit, maar den Wittenbergschen professor Karlstadt; doch eigenlijk had hij het toch op Luther voorzien en het gebeurde dan ook, dat, nadat hij te Leipzig Karlstadt met zijn kwakzalversstem het zwijgen had weten op te leggen, Doctor Maarten in het strijdperk trad, om een tweeden kamp te ondernemen.

De oogen van de geheele wereld waren op dit tweegevecht gericht en in groote spanning wachtte men op den uitslag.

Luther behaalde de overwinning en verkreeg daarbij veel nieuwe volgelingen; en niettegenstaande dat, ging Eck, die ijdele Eck, met opgericht hoofd zijn weg en deed alsof hij de overwinnaar was.

Doch daarmee wist hij alleen de aanhangers van Rome en de domme lieden te misleiden—de overigen waren vertoornd op den schetteraar en des te meer, toen men tot de overtuiging kwam, dat hij een doortrapt huichelaar was, die datgene, wat hij met veel drukte verdedigde, zelf in het geheel niet geloofde.


Wilibald Pirkheimers vrienden merkten in die dagen weinig van hem. Hij had zich in zijn studeervertrek teruggetrokken en schreef maar voortdurend.

Alleen Dürer en Doctor Bernard Adelmann werden nu en dan bij hem toegelaten en op hun vragen naar de oorzaak van zijn teruggetrokkenheid, antwoordde hij, dat hij geheel in beslag werd genomen door het bestudeeren van een Grieksch schrijver.

Eenige weken later zag een klein boekje het licht, getiteld: “der abgehobelte Eck1 een woordspeling op Ecks naam, die “hoek” beteekent. De naam van den schrijver en de plaats van uitgave waren er niet bij vermeld. Het was een bijtend spotschrift op den doctor uit Ingolstadt, waarin niet alleen de theoloog, maar ook de drinker en wellusteling Eck meedoogenloos aan de kaak werd gesteld.

De afgemaakte schuimbekte van woede. Hoe gemakkelijk had hij, die ’s Pausen volmacht had, wraak kunnen nemen op den boosdoener, indien hij hem maar gekend had! Eck stelde alle middelen in het werk om er achter te komen.

Steeds las hij het geschrift op nieuw om er den schrijver van op te sporen.

Ha! daar meende hij iets te hebben ontdekt: het moest bepaald door iemand uit Neurenberg zijn geschreven, verschillende bijkomende omstandigheden verrieden dit.

Iemand uit Neurenberg—wie kon dat zijn? Wederom peinsde Eck en hij liet al de geleerden uit die stad aan zijn geest voorbijgaan. “Spengler?”—Neen, van hem verwacht ik die onhebbelijkheid niet; is er een ander die Latijn schrijft?—Pirkheimer?—

Op nieuw bestudeerde hij den stijl en nu ging hem op eenmaal een licht op—hoe was het mogelijk, dat hij zoo lang gezocht en geraden had! Uit die scherpe woorden keek hem Pirkheimers boosaardig lachend gezicht aan. En nu kwam er een onheilspellende gloed in de zwarte oogen en sissend klonk het tusschen de knarsende tanden: “Neem u in acht, Wilibald, wij rekenen nog eens met elkander af!”

Ook de leden van den Humanistenkring kwamen spoedig op hetzelfde spoor als Eck en verscheidene vragen werden er tot Pirkheimer over het auteurschap gericht, doch de wijze, waarop hij het ontkende, diende er slechts toe, om de verdenking te versterken!

Eck liet niets van zich merken en daardoor verdween langzamerhand alle vrees uit Pirkheimers hart. Ook werd de aandacht van dit geval na eenigen tijd afgeleid door een andere gewichtige gebeurtenis, die aller gedachten innam. Keizer Maximiliaan was in het begin van ’t jaar 1519 gestorven en de Rijksvorsten beraadslaagden met elkander over de keuze van een troonopvolger.

In de laatste jaren van zijn leven had de afgestorvene de keurvorsten voor zijn kleinzoon Karel, den opvolger der Spaansche kroon, trachten te winnen, en de uitslag der verkiezing beantwoordde dan ook aan de wenschen van den ontslapene, al moest het velen verbazen, dat een man, die, in Spanje opgevoed, zelfs de Duitsche taal niet kende, het Duitsche Rijk zou regeeren en dat, terwijl hij nog een jongeling was, die pas twintig maal de rozen had zien bloeien.

Meer dan iemand anders betreurde meester Dürer het heengaan van den edelen, ridderlijken Maximiliaan. Met hem verloor hij een beschermer, van wien hij nog veel had verwacht: verdere opdrachten van kunstwerken en daarbij het jaargeld, dat hem voor zijn werken was beloofd. Wat kon hij in dit opzicht van den nieuwen keizer verwachten? Hij was hem geheel vreemd en ongetwijfeld zou hij in de eerste jaren heel wat anders te doen hebben dan de kunst te beschermen. Toch dacht Dürer er over, te trachten den nieuwen souverein te naderen en zoowel zijn vrouw als zijn vrienden versterkten hem in dit plan.

Deze overleggingen en zijn belangstelling in den gang der zaken op godsdienstig gebied brachten er toe bij, dat hij betrekkelijk weinig tijd aan de kunst wijdde. Nadat hij nog een tweede en grooter portret van Kardinaal Albrecht op diens verlangen had gemaakt, wenschte hij den dierbaren, overleden keizer te verheerlijken door een werk ter zijner herinnering te maken. Verscheidene malen schilderde hij ’s keizers portret in olieverf en ten laatste wijdde hij aan de gedachtenis van den geliefden vorst een groote houtsnede, die zijn apotheose voorstelde, zijn opnemen in het Rijk der zaligen. In het voorhof des hemels knielt Keizer Maximiliaan voor God, den Vader, en legt schepter, zwaard en rijksappel, waarvan hij nu rekenschap moet geven, neder aan de voeten van den Heer der heirscharen. Rondom staan zes der voornaamste heiligen en schutspatronen als vrijpleiters geschaard. Onder het werk doelen vier latijnsche versregels op de beteekenis van het geheel.

Dürer had zijn geheele hart in dit werk gelegd en daarin het beste, wat hij had, gegeven; menige traan was op het papier gevallen, te meer daar nog een andere slag hem had getroffen en zijn hart had week gemaakt—zijn oude meester Wolgemut, dien hij als een vader had bemind en geëerd, was gestorven. Het diepe gevoel, dat de meester in dit werk had gelegd, het innig weemoedige, dat er uit sprak, miste zijn uitwerking dan ook niet en maakte ieder pas recht duidelijk, wat men aan Keizer Maximiliaan had verloren.


1 “De afgeschaafde hoek”—(“de afgemaakte Eck”.)