Wederom was de ruiter op het vale paard de poort van Neurenberg binnengereden, wederom woedde de pest in de stad.
Op straat heerschte doodsche stilte, overal was de werkkracht verlamd, slechts de doodgravers hadden werk in het zweet huns aanschijns. Geheele families stierven uit, geheele huizen werden ontvolkt. Hoe grooter de angst en ontzetting werd, des te grooter buit behaalde de pest en in de harten der menschen doodde de vrees alle liefde: ieder dacht slechts aan zich zelf en liet de overigen aan hun lot over.
Op zekeren morgen kwam bij Albrecht Dürer Wilibald Pirkheimer in reisgewaad. “Ik kom u vaarwel zeggen,” sprak hij reeds op den drempel. “Te Neurenhof op het landgoed van mijn schoonvader is de lucht onbesmet; daar ben ik van plan te blijven totdat de ziekte is geweken.—Doch, ik zie dat gij ook op reis gaat?” vraagde hij, toen hij de kist zag, die Vrouwe Agnes juist bezig was te pakken.
Dürer knikte. “Ja, ook wij zijn van plan ons heil in de vlucht zoeken.”
“En waar gaat gij naar toe?”
“De weg wordt mij aangewezen door een wensch, dien ik al lang heb gekoesterd; ik wil naar de Nederlanden tot den nieuwen keizer gaan, om mij in zijn bescherming aan te bevelen en van hem te verkrijgen, hetgeen mij door den dood van keizer Maximiliaan is ontgaan; het loon voor mijn werk tot een bedrag van 200 gulden en de verzekering, dat het jaargeld, hetwelk de gestorven keizer mij had toegestaan, mij steeds zal worden uitgekeerd. De nieuw verkozene is nu op reis in de Nederlanden, om vandaar voor de kroning naar Aken te gaan. Tegelijkertijd wilde ik een groet brengen aan de kunstbroeders in de Nederlanden en van hun kunstwerken genieten. Ik hoop ook vele mijner werken aan den man te brengen, om daardoor de reiskosten te kunnen betalen en door menig geschenk hoop ik mij beschermers en pleitbezorgers te verzekeren.”
“Nu, God zij met u, mijn lieve vriend,” sprak Pirkheimer bewogen, “en Hij vergunne ons, nadat de pest is overwonnen, elkaar in welstand terug te zien!”
Dürer en Vrouwe Agnes gaven hem wederkeerig hun heilbeden mede en nadat de keizerlijke raadsheer was vertrokken, ging Agnes voort met de toebereidselen voor de reis.
Dezen keer wilde Dürer zijn vrouw niet alleen achterlaten en zij ging gaarne met hem mee, want zij voelde een buitengewonen angst voor de pest.
Den volgenden morgen—het was de 12de Juli 1520—hield een reiskoets voor Dürers huis stil en het echtpaar, benevens hun meid Susanna, steeg er in.
In snellen draf ging het naar de Tiergärtnerpoort, om zoo gauw mogelijk uit de verpeste lucht te komen, en men ademde vrijer, toen de op grooten afstand zichtbare vesting van Neurenberg uit het gezicht verdween.
Eerst reed men naar Bamberg. Van den bisschop aldaar hoopte Dürer een vrijbrief te veroveren, om bevrijd te zijn van de lastige afpersingen en de groote uitgaven aan de tollen.
Een groote afbeelding der Madonna, de houtsneden uit de Openbaring van Johannes, het leven van Maria en verscheidene kopergravuren, die hij als geschenk aanbood, misten dan ook op den hoogwaarden heer hun uitwerking niet: Dürer kreeg, tegen betaling van een gulden, niet alleen een bewijs, dat hij ontslagen was van alle tolgelden, doch de bisschop stelde hem ook vrij van het gelag in de herbergen, dat een gulden bedroeg.
Hier ging de koetsier uit Neurenberg weer terug en gingen de reizigers in een schip om tot Mainz te varen.
De vrijbrief beantwoordde aan het doel: ongemoeid en zonder betalen kon men van de eene plaats naar de andere gaan. Tot Frankfort alleen had men zesentwintig tollen te passeeren, en als Dürer, zooals later op den Rijn, bij elken tol twee gulden had moeten betalen, zou het zijn beurs al heel slecht zijn bekomen.
In Frankfort had men een kort oponthoud. Jacob Heller, voor wien Dürer vroeger het groote altaarstuk had geschilderd, wilde den vereerden kunstenaar niet zoo spoedig laten vertrekken en schonk hem den eerewijn in de herberg.
Nog langer duurde het oponthoud te Mainz, waar een bepaalde wedijver ontstond, om Dürer met eerbewijzen te overladen en het gelukte hem pas den 23sten Juli verder te gaan en op een schip den Rijn af naar Keulen te reizen.
Daar had een vroolijk wederzien plaats met zijn neef Nicolaas, den zoon van zijns vaders broeder, die vroeger als goudsmid te Neurenberg was gevestigd geweest en later naar Keulen was verhuisd. Dürer moest evenwel zijn tijd verdeelen tusschen dit familielid en den heer Hieronymus Fugger uit Augsburg, die hier vertoefde en den kunstenaar met vriendschapsbewijzen overlaadde.
Verder ging de reis weer met koets en paarden naar Antwerpen, waar men den 2den Augustus goed en wel aankwam.
Welk een nieuwe wereld opende zich hier voor Dürers blikken, die nooit rust vonden. Dat mastenwoud in de haven der Schelde, dat bonte, drukke gewemel aan den oever! Het boeide hem zoo, dat hij snel papier en potlood greep om dit tooneel mee naar huis te kunnen nemen. Spoedig had men een herberg gevonden. De waard Jobst Plankfeldt was een aangename, goedhartige man en zijn vrouw was even rond als zij gedienstig was. Na enkele dagen voelden de vreemdelingen zich daar geheel thuis en vooral de vrouwen konden het best samen vinden. Zij zaten op een avond gezellig bij elkaar te babbelen aan het avondeten, toen de waardin sprak: “Wat is uw echtgenoot toch een wereldberoemd man! Dat zult gij hier in den vreemde eerst recht ondervinden.”
Vrouwe Agnes voelde zich gevleid en zei glimlachend. “Ik verheug mij met hem in de eer, die men hem hier van alle zijden bewijst en vooral, omdat hier in den beker der vreugde geen bitteren droppel van nijd of afgunst wordt gemengd, zooals dat te Venetië gebeurde. Iedereen komt hem met liefde en oprechte bewondering tegemoet. En toch zou ik die beroemdheid bijna betreuren, want die berooft mij totaal van zijn gezelschap, zoo dat ik soms in eigen oogen een arme, verlaten weduwe ben. Als ik u niet had, zou het voor mij aangenamer zijn geweest om thuis te blijven.”
“Gij moet niet ontevreden en onbillijk zijn, Vrouwe Dürer,” knorde de waardin. “Zijt gij dan niet zelf tegenwoordig geweest bij het feest, dat onze schilders uw echtgenoot in hun gildekamer hebben aangeboden? En wie weet, hoeveel eerbewijzen nog voor u zijn weggelegd!” Het was werkelijk een prachtig feest geweest, dat het Antwerpsche schildersgild den Neurenberger meester had gegeven. Geheel onder den indruk daarvan was Dürer thuisgekomen en hij had het volgende in het dagboek zijner reis geschreven:
“Des Zondags, op St. Oswaldsdag, noodigden de schilders mij, mijn vrouw en de meid uit om in hun kamer te komen. Zij hadden overal zilver vaatwerk en veel pracht aangebracht en voor overheerlijke spijzen gezorgd. Hun vrouwen waren ook tegenwoordig en toen men mij naar tafel geleidde, stonden allen aan beide zijden geschaard, alsof ik een vorst was. Er waren zeer aanzienlijke personen onder hen, mannen, die diep eerbiedig voor mij bogen en zeiden, dat zij zooveel in hun vermogen was, wilden doen om het mij aangenaam te maken. En toen ik was aangezeten, kwam de bode van den Raad van Antwerpen met twee knechts, die mij uit naam van de raadsheeren twee kannen wijn aanboden; zij lieten mij zeggen, dat zij mij hiermee eer wilden bewijzen en hoopten, dat het mij aangenaam zou zijn. Ik betuigde hen mijn hartelijken dank en bood mijn diensten aan. En toen wij langen tijd vroolijk bij elkaar hadden gezeten en het laat in den nacht was geworden, deden zij ons de eer ons met fakkels naar huis te begeleiden en verzochten ons hun diensten te willen aannemen, want zij wilden mij gaarne in alles, wat mij genoegen kon doen, ter wille zijn. Ik dankte hen en ging naar bed.”
In Antwerpen was veel te zien. In de eerste plaats maakte de schilderkunst aanspraak op Dürers belangstelling.
In Quinten Metsys leerde hij een kunstenaar, voor wien hij het hoofd moest ontblooten, kennen. Bijzonder genot verschafte hem het arsenaal, waar in de groote zaal de kunstenaars bezig waren de reusachtige triomfbogen, die dienst moesten doen bij den feestelijken intocht van Keizer Karel op den 25sten September, te schilderen. Vierhonderd bogen, elk veertig voet breed en twee verdiepingen hoog, zouden op straat worden opgericht—een reuzenwerk, wel waard te worden bewonderd.
Daarbij ontbrak het Dürer niet aan uitnoodigingen om zelf te schilderen, want de velen, die hem met hun eerbewijzen overlaadden, wilden ook gaarne iets van zijn hand tot aandenken hebben, en daarom was hij wel verplicht nu en dan een uurtje er af te nemen, om dezen plicht der dankbaarheid te vervullen.
Vooral voelde hij zich hiertoe gedrongen tegenover den man, op wiens persoonlijke kennismaking hij zich in het bijzonder had verheugd, Erasmus van Rotterdam, den grooten geleerde en het orakel van zijn tijd, tot wien de geheele beschaafde wereld met onbeperkt vertrouwen opzag en van wien men hoopte, dat hij in zake Luther, het gewicht van zijn invloed in de weegschaal zou werpen.
De beide groote mannen behandelden elkaar bij hun ontmoeting wederzijds met den eerbied, die elk toekwam en zij voelden zich sterk tot elkaar aangetrokken. Uit dankbaarheid voor het geschenk van Erasmus, bestaande uit een Spaansch manteltje en verscheidene teekeningen, schilderde Dürer het portret van den geleerde op meesterlijke wijze, waarvan hij later een copie meenam om op koper te graveeren.
Het kostte hem moeite om afscheid te nemen van Antwerpen, waar hij zooveel liefde en eer had genoten, maar het was zijn plan om verder naar Brussel te gaan.
Op den 16den Augustus aanvaardde hij de reis in gezelschap van den Genuees Tomaso Bombelli, een der rijkste kooplui in zijde van Antwerpen en tegelijkertijd penningmeester der Landvoogdes der Nederlanden, de Aartshertogin Margaretha, die den meester evenals andere buitenlanders met eerbewijzen had overladen.
In Brussel werd hij aangenaam verrast, toen hij drie Neurenberger heeren onverwacht op straat ontmoette; het waren de raadsheeren: Hans Ebner, Leonard Groland en Nicolaas Haller, die, als afgezanten van den Raad, de rijksinsignes voor de kroning moesten overbrengen. De heeren wilden ook van hunnentwege hun beroemden stadgenoot een onderscheiding bewijzen en namen zijn onderhoud geheel voor hun rekening. Het was echter niet noodig hem daar bekend te doen worden, want in Brussel herhaalden zich dezelfde tooneelen als te Antwerpen en het kostte Vrouwe Agnes menigen zucht zich steeds zoo eenzaam en verlaten te gevoelen.
Voor den kunstenaar daarentegen waren het dagen van het hoogste genot; zijn oog, oor en hart genoten oneindig. Ten laatste was het hem ook nog vergund bij de Landvoogdes te worden toegelaten; zij was een fijnbeschaafde, met de kunst dwepende vrouw, die hem ook beloofde zijn voorspraak bij Koning Karel te zullen zijn.
Den 2den September keerde hij uiterst voldaan naar Antwerpen terug, om daar den keizer, af te wachten, voor wiens ontvangst alles in rep en roer was en vol ijver om de stad in een tooverpaleis te herscheppen. De keizerlijke stoet naderde langzaam de poort, de lucht weergalmde van de juichkreten der dicht op elkaar gedrongen, geestdriftvolle menigte, maar de jonge keizer scheen weinig oog te hebben voor al die pracht en heerlijkheid, en menigeen, die wist welke verbazende onkosten men had gemaakt, schudde wrevelig het hoofd.
Van Antwerpen ging de keizer verder naar Aken voor de kroning en Dürer volgde hem naar die stad, omdat hij te Antwerpen geen gelegenheid had gehad om hem te naderen. Te Aken ontmoette hij weer de Neurenberger gezanten, die hem in hun kring opnamen en alle onkosten voor zijn onderhoud betaalden, waarvoor hij hun zooals vroeger met zijn kunst zijn dankbaarheid betuigde.
Den 23sten October had de kroning plaats. Op den avond van dien dag schreef Dürer in zijn boek: “Heden zag ik zooveel pracht en praal, als geen sterveling ooit schooner zag.”
Was het in Antwerpen hem reeds onmogelijk geweest zijn verzoek bij den keizer in te dienen, te Aken viel er in ’t geheel niet aan te denken en er bleef dus niet anders over dan den vorst naar Keulen te volgen. Daar eindelijk op den 12den November bereikte hij met veel moeite zijn doel, tenminste in zoover, dat het uitbetalen der lijfrente hem werd verzekerd—maar van de andere verplichtingen wilde Keizer Karel niets hooren.
Verheugd, dat hij tenminste in hoofdzaak was geslaagd, keerde hij van Keulen terug, om weer te gaan naar de Nederlanden, waar hij den winter wilde doorbrengen.
Den 27sten November was hij weer in Antwerpen bij Agnes, wier vreugde over het weerzien eenigszins werd vergald door het ongeluk, dat haar onlangs in de Lievevrouwekerk op St. Maarten was overkomen, toen een dief haar tasch met twee gulden en verscheidene sleutels had losgesneden en gestolen.
Dit verlies bezorgde Dürer ook wel eenige spijt, doch hij troostte zich, toen iets anders zijn aandacht in beslag nam en wel, de tijding, dat de zee bij Middelburg een reusachtigen walvisch op het droge had aangespoeld. Hij liet zich noch door de winterkou, noch door den afstand weerhouden om dit wonder der natuur te gaan zien. Den 7den December ondernam hij met eenige kennissen te paard den tocht naar Middelburg en hij kwam pas den 14den terug.
Vrouwe Agnes ontving hem met vreugde, want zij was bang geweest, dat het gure weer haar man kwaad zou doen.
“Ja, gij, kunt nu wel blij zijn,” sprak hij, terwijl hij haar aan zijn hart drukte, “want gij hebt uw man weer terug, maar ik heb weinig voldoening van de reis, want het wonder heb ik niet mogen aanschouwen, omdat de zee het weer had teruggehaald en daarbij scheelde het bitter weinig of ik had er het leven bij ingeschoten.”
En nu vertelde hij aan zijn ontstelde vrouw, hoe zijn schip tegen een ander was aangevaren en daardoor beschadigd was geworden, waarna het zonder anker de zee was ingedreven en daar zoo lang had rondgezwalkt, dat de bemanning reeds alle hoop had opgegeven en hun zielen in Gods handen had bevolen, totdat de hemel genadig hulp in den hoogsten nood had gezonden. Nu begon te Antwerpen het oude leventje weer. Indien hij gelegenheid had, verkocht hij zijn schilderijen, om voor de opbrengst allerlei voorwerpen, die hij gaarne in zijn bezit had, of waarmee hij bij zijn thuiskomst anderen een genoegen wilde bereiden, te koopen; nog meer gebeurde het, dat hij zijn werk weg gaf om ondervonden vriendelijkheid ruimschoots te vergelden of voorkomend anderen pleizier te doen.
Natuurlijk namen zijn vereerders zijn tijd weer zeer in beslag. Een paar dagen na vastenavond schreef hij in zijn dagboek: “Eergisteren had ik een uitnoodiging om met mijn vrouw de gast van het goudsmidsgild te zijn. Bij die gelegenheid leerde ik veel wakkere mannen kennen en werd ons een heerlijke maaltijd bereid, terwijl iedereen om ’t hardst mij eer bewees. Des avonds was ik bij den ouden schout genoodigd, waar ik ook rijkelijk werd onthaald en met veel eerbewijzen overladen. Vele bijzondere maskers en costuums lieten zich dien avond zien en over het algemeen was alles prachtig ingericht. ’s Maandagsavonds was ik uitgenoodigd bij den heer Lopez op een groot festijn, dat tot twee uur duurde en bijzonder kostbaar was. Van den heer Lorenz Stark kreeg ik een Spaanschen pels ten geschenke. Ook op dit feest zag men veel schitterende gecostumeerden en gemaskerden, vooral de heer Tomaso Bombelli.”
Eindelijk kreeg meester Dürer toch wel wat te veel van het goede dezer aarde en kwam de gedachte aan terugkeeren naar huis in zijn hart op, te meer toen hij voelde, dat zijn gezondheid niet meer zoo goed was als vroeger en de eene stuiver na den anderen in de apotheek verzeilde.
Om niet al te veel met bagage te zijn belast, stuurde hij den 19den Maart, toen er zich een gelegenheid aanbood, een groot deel der verkregen schatten vooruit en toen kon men eens goed zien, aan hoeveel vrienden de goedhartige, milde man had gedacht. Niet alleen aan zijn familieleden en vrienden zond hij een geschenk, ook anderen, die hem op de een of andere wijze vriendelijkheid hadden bewezen, vergat hij in den vreemde niet; en Vrouwe Agnes, die berekende hoe hoog de uitgegeven som beliep, vond het bijna al te veel.
Nu had hij evenwel de groote steden Brugge en Gent nog niet gezien en men zeide hem, dat het toch al te jammer zou zijn, indien hij in deze middelpunten der kunst, waar hij nu zoo dicht bij was, niet eenige weken vertoefde.
Ook hier was zijn roem hem reeds vooruitgegaan; ook hier ontving men hem met bijzondere eerbewijzen. Ofschoon verheugd over al het genot, dat hij had gesmaakt, keerde hij in eenigszins gedrukte stemming naar Antwerpen terug. Hij wist zelf niet, wat hem scheelde, maar het eten smaakte hem niet, zijn hoofd was zwaar en vermoeid en zijn voeten weigerden bijna hem te dragen. De geneesheer, die op verzoek van zijn bezorgde vrouw, verscheen, meende dat hij zware koorts zou krijgen en beval vóór alles volkomen rust aan.
Den volgenden morgen kwam Vrouwe Agnes doodsbleek bij de waardin binnenloopen en riep: “Help mij—mijn man, mijn man!”
De waard en waardin gingen terstond met haar mee en vonden Dürer, bleek en met gesloten oogen, in bed liggen. Zij dachten, dat hij dood was. Het was echter slechts een langdurige bezwijming, waaruit het den dokter gelukte hem weer bij te brengen. Doch de koorts wilde niet wijken en nam integendeel steeds in hevigheid toe, zoodat Vrouwe Agnes in den angst haars harten niet wist wat te beginnen. “Ach, dat wij nu juist hier in den vreemde moeten zijn!” jammerde zij. “Gave God, dat wij toch reeds thuis waren!”
Er volgden moeilijke dagen en weken, voordat de beangstigde vrouw kon herademen en innig dankbaar drukte zij den waard en zijn vrouw de hand voor de groote liefde, waarmee zij haar hadden bijgestaan, alsof zij een lid der familie was geweest.