“Goeden avond, beste oom! Met wien heb ik u zoo even op het Marcusplein zien staan?” sprak op zekeren Septemberavond van het jaar 1493 een aanzienlijke Venetiaansche jonkvrouw een ouden heer aan, met wien zij aan het “Canale grande” in een gondel stapte.
“’t Is een Duitscher, lieve Bella,” was het antwoord.
“Een Duitscher? Zoo, hij is mij reeds dikwijls opgevallen met zijn hooge, mooi gebouwde gestalte, zijn fiere houding en zijn edel, schoon gelaat. Hoe heet hij?”
“Albrecht Dürer uit Neurenberg.”
“Wat is hij?”
“Kunstenaar.”
“Dat heb ik gedacht! men kan het hem aanzien. Is hij een beeldhouwer?”
“Neen, hij is schilder. Mijn kleine Bella heeft dus in hem den kunstenaar ontdekt? Wat hebben uw oogen goed gezien en welk een goeden smaak hebt gij! Hij is dan ook een bijzonder mensch, die Neurenberger en vereenigt in zich alles, wat iemand tot eer en sieraad strekt. Even kunstvaardig als zijn hand is, zoo groot en edel is zijn hart en ieder moet trotsch zijn zulk een man tot vriend te hebben. Maar het is niet gemakkelijk om met hem in aanraking te komen, want die Duitschers zijn zoo eenzelvig en gesloten.”
“Hoe hebt u het aangelegd, oom, om kennis met hem te maken?”
“Signor Rodrigo Varini, die vurige vriend van kunstenaars en geleerden, is mij behulpzaam geweest. Het is hem gelukt zijn hand op deze Duitsche prooi te leggen en hem in zijn huis te lokken. Daar heb ik hem voor het eerst gezien en gesproken en mocht ik een blik slaan in zijn portefeuille, die een schat van teekeningen en schetsen bevat.”
“En wat is uw oordeel over zijn kunst?” vraagde Bella.
“Hij is er nog niet geheel;” antwoordde haar oom. “Men kan zien, dat hij de groote meesters, die hij op zijn reizen leert kennen, bestudeert en zich hun uitstekende hoedanigheden eigen maakt; maar men ziet ook terstond, dat hij niet alleen navolgt, doch een eigen opvatting heeft. Hij heeft genie; en men behoeft waarlijk geen profeet te zijn om te voorspellen, dat hij in de kunst een grooten naam en onvergankelijken roem zal verwerven. Maar de indruk, dien zijn kunst maakt, wordt nog verhoogd door zijn persoonlijkheid. Hij is pas drie-en-twintig jaar oud, en toch is zijn levensbeschouwing zoo ernstig, zijn optreden zoo waardig en zijn hart zoo rein, vroom en onbesmet! Ik moet het bekennen: men voelt zich waarlijk beschaamd als men in zijn reinen, open blik leest en naar zijn woorden luistert. Alles wat laag en onedel is, is eindeloos ver beneden hem en de dolle, losbandige begeerten der jeugd dringen niet door het pantser van dit edele hart, dat slechts leeft voor het schoone.”
“O, hoe gaarne zou ik hem ook eens ontmoeten,” zuchtte Bella, “want hier te midden van al die onbeteekenende en lichtzinnige jongelui, verlangt mijn hart vurig een man te zien, die zoo ten volle achting en bewondering verdient.”
Haar oom keek met een vriendelijken glimlach naar het jonge, schoone meisje.
Hij begreep haar verlangen, want hij kende haar streven naar het edele, haar liefde tot de kunst en haar bewondering voor het grootsche en schoone.
“Uw wensch kan gemakkelijk worden vervuld,” sprak hij, “want dikwijls is er een groote kring gasten bij signor Varini, als deze Duitsche kunstenaar daar aanwezig is en ik zal de vrouw des huizes vragen u ook eens te inviteeren.”
“O heerlijk, oom, ik dank u duizendmaal,” riep Bella verrukt en drukte haar oom de hand.—
In een der paleizen op het Marcusplein, de woning van Signor Varini, was eenige dagen later een uitgelezen gezelschap bijeen—een groot aantal bedienden in prachtige livrei, liep heen en weer in de groote zaal om de gasten allerlei ververschingen aan te bieden.
De genoodigden waren gedeeltelijk artisten, voor het overige liefhebbers der kunst en allen waren onder den indruk der muziek, die door de zaal weerklonk. Signor Varini was er in geslaagd een beroemde zangeres voor dezen avond te engageeren, een kunstenares, die sinds eenige weken te Venetië vertoefde, waar zij iedereen in verrukking bracht door haar zang en spel.
Nadat men ruimschoots van de muziek had genoten, verdeelde het gezelschap zich in groepen in de verschillende vertrekken. In een daarvan verzamelde zich al spoedig een kring om een jongen man, die al de vragen, waarmee men hem bestormde, vriendelijk beantwoordde. Die man was Albrecht Dürer.
Zijn uiterlijk alleen won aller harten, maar nog meer wist hij door zijn woorden te boeien. Hij had veel gereisd en van de wereld gezien en had de gave het aan anderen op een aardige manier mee te deelen. Hoe goed had hij alles waargenomen en welke bijzondere oogen moesten dat zijn, die zooveel zagen, wat een ander zelfs niet opmerkte!
Toen hij eindelijk vermoeid was van het vele spreken, noodigde Signor Varini de gasten uit om een gezelschapsspel te doen en Dürer maakte van die gelegenheid gebruik om zich in een afgelegen nis bij het venster terug te trekken en zijn oogen te laten gaan over de drukte op het Marcusplein, waarnaar hij steeds met evenveel belangstelling keek.
Na eenige oogenblikken hoorde hij een zijden kleed in zijn nabijheid ruischen en toen hij zich omkeerde, zag hij een jonge, schoone Venetiaansche, die hem niet zonder verlegenheid en met bewondering aanzag.
“Zijt gij vermoeid dat gij zoo de eenzaamheid opzoekt?” vraagde zij.
Dürer glimlachte. “Signor Varini geeft zijn gasten ook zoo veel te genieten,”
“Gij zijt een Duitscher”, sprak Signora Bella met een guitig lachje, “en de Duitschers zijn spoediger bevredigd dan wij, Italianen.”
Dürer keek met welgevallen naar deze bekoorlijke jonkvrouw; de klank harer stem en haar manier van spreken trokken hem zeer aan en daarom noodigde hij haar beleefd uit plaats te nemen. Bella deed dit gaarne en sprak: “Ik zou nog veel meer van Duitschland willen hooren. Is het niet een erg ruw, onherbergzaam land? Hoe is het mogelijk, dat de kunst kan bloeien onder dien grauwen hemel, vooral uw kunst, meester Dürer? Gij moest het zonnige Italië tot uw woonplaats kiezen, dan zou uw talent tot zulk een volkomene ontwikkeling geraken!”
“Gij hebt gelijk, Signora,” antwoordde Dürer met een hoffelijke buiging.
“Het zonnige, kleurrijke Zuiden is bevorderlijker voor den bloei der kunst dan het ruwe, grijze noorden; maar de kunst is als de denneboom, die welig tiert op den vruchtbaren boschgrond der dalen, maar ook op de steile, dorre rotshoogten tot vollen wasdom komt. Denk eens aan de Rijnstreek en de Nederlanden, denk aan Boheme1 en aan mijn geboorteplaats2, op hoeveel groote meesters kan men zich daar niet beroemen en welke heerlijke kunstproducten heeft hun hand geschapen!”
“Goed gezegd!” riep Bella uit, “Van de meesters der scholen van Keulen en Brugge3 heb ik verscheidene werken gezien, ook van de Praagsche kunstenaars en alle wekten evenzeer mijn bewondering.”
“O, hebt gij zooveel kennis van de kunst en liefde tot haar!” riep Dürer uit, die zijn belangstelling in de Signora voortdurend voelde toenemen.
Bella lachte en tusschen haar lippen glinsterden haar kleine, ivoorwitte tanden.
“Het rijk van het schoone was van mijn jeugd af aan de wereld, waarin ik leefde, en ik voel een vurigen eerbied en bewondering voor de priesters der kunst … Hoe lang zwerft gij reeds op uw reizen rond?”
“Reeds meer dan drie jaren,” antwoordde Dürer.
“O, wat moet gij dan veel hebben gezien! En als gij niet te veel vermoeid zijt, zoudt gij mij een groot genoegen doen, mij er iets van te willen vertellen.”
“Heel gaarne, Signora,” verzekerde Dürer, die zich meer en meer tot deze discipelin der kunst voelde aangetrokken. “Eerst ben ik westwaarts getrokken en wel naar Colmar om kennis te kunnen maken met Martin Schongauer,4 dien grooten meester, die mij in mijn leerjaren van groot nut is geweest en mij steeds met zijn kunst heeft bezield. Van de eene stad ben ik naar de andere getrokken, hier en daar eenigen tijd vertoevend, totdat ik Colmar bereikte, om toen te bemerken, dat ik te laat kwam en dat meester Schongauer reeds twee jaar in het graf rustte. Zijn broeders evenwel ontfermden zich over mij en hielden mij bij zich, om mij veel te laten zien van hetgeen de meester had nagelaten. Uit dankbaarheid schonk ik hun verscheidene mijner werken en zij betuigden, dat het hun was alsof hun broeder ze met eigen hand had geschilderd. Daarna ben ik een heel eind langs den Rijn getrokken, maar nergens vond ik, wat ik zocht voor mijn studie, want het was daar treurig met de kunst gesteld.
“De groote meesters waren gestorven, en die nu het penseel voerden, beteekenden niet veel, daarom was al mijn verlangen op Italië gericht, en in het bijzonder op Venetië, waarvan te Neurenberg altijd met zooveel lof wordt gesproken door de kooplieden die men steeds hier kan vinden in het Duitsche handelshuis5 en die zooveel wonderheerlijks van de stad der lagunen te vertellen hebben.”
“En zijt gij het met hun verhalen eens?” vraagde Bella.
Albrecht knikte bevestigend. “Het is mij alsof ik in een wonderland ben. Mijn oogen zijn verblind door den glans van al het schoone. Het is verbazend zooals de kunst hier alles beheerscht! Neurenberg moet zich slechts met één groot kunstenaar, mijn leermeester, vergenoegen;—en hier in Venetië vindt men een aantal kunstenaars, die om den voorrang strijden, die elkaar niet navolgen, doch waarvan elk origineel is in manier van werken en opvatting.”
“En wien bewondert gij het meest?” vraagde Bella. “De Bellini’s, of Bartolomeo, Vivarini, Marco Marziale, de Barbari’s of Andrea Mantegna?”
“Dien gij daar in de laatste plaats noemt,” antwoordde Albrecht. “De anderen begrijp ik minder goed, hoezeer ik ze ook bewonder; ik kan mij moeilijk indenken in hun gedachten. Maar wat meester Mantegna heeft geschilderd, dat begrijp ik en ik voel, dat er zielsverwantschap tusschen ons bestaat, indien het tenminste den mindere tegenover den meerdere past zoo iets te zeggen.
“Menig uur heb ik reeds doorgebracht met het copieeren zijner werken om ze mee naar huis te kunnen nemen.”
“Is het uw plan hier te Venetië alleen te studeeren en niet te toonen, wat uw penseel reeds vermag te scheppen?” vraagde de Signora verder.
Albrecht glimlachte: “Nu en dan als ik iets zie, dat mij boeit en bezielt, grijp ik het penseel en tracht het weer te geven volgens mijn eigen opvatting.”
“Hebt gij hier ook portret geschilderd?”
“Ja, ook dat, nu en dan.”
Bella zweeg en keek den Duitschen schilder aan, alsof zij wilde zeggen: “Ik zou wel eens aan mijn portret willen zien, waartoe de Duitsche kunst in staat is.”
Dürer begreep dien blik en reeds zweefde een toestemmend antwoord op zijn lippen. Hij was geheel onder den invloed dezer Italiaansche; eerst hadden haar kunstkennis en enthousiasme hem aangetrokken en langzamerhand was hij ook onder de bekoring van haar betooverende persoonlijkheid geraakt. Welk een heerlijke arbeid die schitterende, zwarte oogen vol uitdrukking, die blozende wangen, die klassiek gevormde neus en vriendelijke, roode lippen op het perkament te brengen! En daarbij de muziek harer taal te hooren en naar haar bekoorlijk gebabbel te kunnen luisteren, hoe verrukkelijk moest dat zijn! Een oogenblik zag hij haar diep in de oogen en gaf zich geheel over aan de bekoring, die van haar uitging, doch toen ondervond hij plotseling een zeer pijnlijke gewaarwording, die hem een donkeren blos op de wangen joeg.
Hij voelde dat hij hier den wensch des kunstenaars moest opofferen, en hij beschouwde zijn vurige bewondering voor deze Italiaansche schoone als ontrouw jegens haar, wier beeltenis in het diepste heiligdom zijns harten leefde.
Deze gedachte dwong hem een eind te maken aan het gesprek. Hij stond op, boog beleefd voor de Signora en begaf zich weer bij het gezelschap, dat reeds naar hem had uitgezien.
Toen hij afscheid nam, vraagde Bella’s broeder toestemming om den inhoud zijner portefeuilles te mogen komen zien en zijn zuster mee te brengen.
Dürer antwoordde toestemmend en ontving daarvoor een dankbaren blik uit Bella’s oogen.— —
Twee dagen later begaf Signor Carlo zich met zijn zuster naar het huis, waar de Duitsche schilder zijn intrek had genomen.
De waardin betuigde haar spijt: “Hij is niet thuis.”
Bella verborg haar teleurstelling niet en Carlo vraagde, of zij misschien toch zijn kamer mochten zien.
De vrouw zag er geen bezwaar in om de gasten binnen te laten, daar het vertrek niet was afgesloten.
Zij waren verrukt over het schoone arrangement. Aan den muur hing een groot aantal schilderijen, die zij ternauwernood een blik gunden, want al hun aandacht werd terstond in beslag genomen door een portret, dat midden in de kamer op een schildersezel stond.
“Dat is hij zelf!” riepen broeder en zuster als uit één mond en Carlo voegde erbij: “Wat een meesterstuk!”
Ja, hier had Albrecht Dürer het beste gegeven wat hij had. Het edele, mannelijk schoone gelaat met zijn donkerblauwe oogen zag den toeschouwer zoo ernstig aan en de indruk werd nog verhoogd door de prachtige kleedij. Een rood kapje dekte de bruine, golvende haren, de kraag om zijn hals was met een met goud gestikten zoom versierd, linten van perzikkleur sloten de opengespleten mouwen en over de borst was een schilderachtige draperie van grijs-blauw, met gele koorden afgezet.
“Wat voor een blauwe bloem heeft hij daar in zijn rechterhand?” vraagde Carlo, terwijl hij langen tijd in zwijgende bewondering verdiept het portret had bekeken. “Wat zou hij daarmee willen zeggen?”
“Zie eens, daarboven heeft hij iets geschreven, dat verklaart het misschien,” merkte Bella op.
Carlo trad er dicht bij en las toen: “Mein Sach die gaht, als es oben staht.6”
“Dat is niet duidelijk,” sprak hij hoofdschuddend, “wie kan dat verklaren.” Daarbij keek hij vragend naar de waardin, die zwijgend op den drempel was blijven staan.
“Die Duitsche schilder is een zeer vrome man,” antwoordde zij. “Toen ik hem vraagde, wat deze woorden beteekenden, wees hij naar boven en zei: “God in den hemel is mijn hoop en mijn vertrouwen; in Zijn handen stel ik mijn leven en al wat ik heb.” Maar toen ik ook naar de beteekenis van die blauwe bloem vraagde, wendde hij zich met een blos af en sprak: “die bloem heet bij ons “mannentrouw.”” Ik denk, dat er in het vaderland een aardig meisje met liefde aan hem denkt en dat hij haar gevoelens met evenveel trouwe liefde beantwoordt.” Bella keerde zich om en bekeek de andere schilderstukken; de uitdrukking van haar gelaat was geheel veranderd en haar blikken dwaalden, zonder te zien, van het eene schilderij naar het andere. Kort daarop drong zij er op aan te vertrekken—men was toch waarlijk ook reeds te lang gebleven.
Haar broeder voldeed niet zonder tegenzin aan haar wensch en hij verwonderde zich onder het naar huis gaan over de stilheid van zijn anders zoo vroolijke, spraakzame zuster.
Dürer vernam bij zijn thuiskomst het bezoek, dat in zijn afwezigheid aan zijn werkplaats was te beurt gevallen, en dacht, dat de beide bezoekers het zouden herhalen, doch hij wachtte tevergeefs en zag het schoone gelaat der Signora niet meer terug.
In plaats van haar kwam kort daarop een landgenoot, de koopman Tucher uit Neurenberg, die hem de groeten zijner familie overbracht en de tijding, dat zij het thuis allen goed maakten.
Ook hij was vol lof over het eigenhandig geschilderd portret van den kunstenaar en vraagde na eenige oogenblikken; “Maar waarom hebt gij dit groote portret op perkament in plaats van op paneel geschilderd?”
“Omdat het dan kan worden opgerold en gemakkelijk worden verzonden,” antwoordde Dürer. “En ik heb een vriendelijk verzoek aan u. Wilt gij het mee naar Neurenberg nemen en het mijn vader met een briefje overhandigen?” De koopman had er niets op tegen en reeds enkele dagen later was het portret op weg naar Neurenberg.
Tucher had wel eens gaarne willen weten, wat er in het briefje stond, want hij vermoedde wel, voor wie het portret eigenlijk was bestemd. In geheel Neurenberg was het geen geheim meer waarom jonkvrouw Agnes Frey sedert Albrecht Dürers vertrek zoo stil was geworden en uit het feit, dat de oude meester Dürer den heer Hans Frey dikwijls bezocht, begreep men het overige.
Tucher had tegelijkertijd den jongen kunstenaar te kennen gegeven, dat het de wensch zijns vaders was, dat hij nu eens zijn terugkomst moest bepalen, en aan dien wensch gehoor gevende, zeide Albrecht spoedig daarop Venetië vaarwel en trok wederom noordwaarts naar Tyrol.
Opgewekt reisde hij verder—hij ging immers naar huis om allen, die hij liefhad, terug te zien na een vierjarige afwezigheid. Maar het Tyrolerland was te schoon om er snel door te reizen. Hoe mild had hier de Schepper Zijn heerlijkheid ten toon gespreid; hoe genoot hier het oog van den kunstenaar, die het schoone beter dan iemand anders weet te ontdekken en te waardeeren. Menigmaal voelde hij zich gedrongen stil te houden en met teekenstift of penseel een schets te nemen van het schoone en opmerkenswaardige, dat de natuur aanbood. Soms was het een boomgroep, of een rotsachtig gedeelte, dan weer een landschap, een burcht of een stad.
Zijn hart klopte luider toen hij aan de bergpas kwam, waardoor eenmaal zooveel zijner landgenooten waren getrokken en met hun bloed den bodem hadden gedrenkt: de Venetiaansche kloof. Hij kon het niet van zich verkrijgen verder te gaan, voordat hij deze romantische plek geschetst in zijn portefeuille kon meenemen. Ook vertoefde hij lang op een hoogte bij Triënte om vol geestdrift die schilderachtig gelegen stad in haar geheel met frissche kleuren weer te geven. En toen hij Innsbruck naderde juichte zijn ziel bij den aanblik van deze parel van Tyrol en terstond kwamen palet en penseelen weder voor den dag. Hij nam het gezicht op deze stad van de noordzijde, zoodat de Inn den voorgrond inneemt en dicht langs de huizen stroomt, die zich in den vloed weerspiegelen. Op den achtergrond verheffen zich majestueus de sneeuwbergen in het zachte blauw des hemels, waarin kleine, witte wolkjes zweven.
Meer en meer naderde Albrecht de Beiersche grenzen. Nu bleven de penseelen weggeborgen en zijn hart ging open, toen hij voor het eerst zijn eigen taal in de ooren hoorde klinken. O Vaderland! gij heerlijk! innig geliefd woord!
1 In Boheme: Theodoric van Praag, Nicolaas Wurmser, Thomas van Mutina. ↑
2 De bloeitijd der Oud-Neurenbergsche school was in de 14e eeuw—die van de school van Keulen iets later, de belangrijkste namen daaraan verbonden zijn meester Wilhelm en meester Stephanus 1451. Men vindt een schilderij van dezen laatste in de koorkapel van den Keulschen dom. ↑
3 Aan Brugge komt de eer toe de gebroeders van Eyck tot woonplaats te hebben gediend en hun meesterwerken te zien ontstaan; zij verbeterden de verven door toebereiding met olie. Ook Memlinc woonde te Brugge en schonk zijn beroemde Ursulakast aan het St. Janshospitaal aldaar; hij stierf in 1499. (Vert.) ↑
4 Martin Schongauer of Martin Schön 1420–1488 (Zwaabsche school) leerling van Rogier van der Weyden, werd van goudsmid kopergraveur en schilder, en vereenigde een schitterend koloriet met fijnheid en zekerheid van lijn en vorm. (Vert.) ↑
5 Venetië was voor Neurenberg en Augsburg het tusschenstation voor den handel met het Oosten. (Vert.) ↑