“Martha stond in de deur, en tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader.”

“Martha stond in de deur, en tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader.”

HOOFDSTUK X.

BUNBY ALS HELD.

Het was weer eens uitgekomen, dat Bunby een geheel weefsel van onwaarheden had verteld. Het was ditmaal een ernstig geval, en hij gevoelde zich naar verhouding ongelukkig. Iedereen was uit behalve Meg, die nog te bed lag na haar aanval van bewusteloosheid, en hij was op een der grasvelden eenzaam een spelletje cricket gaan spelen. Maar zelfs niettegenstaande een spiksplinternieuwen cricketbal kan dit spel na een poosje alle bekoorlijkheid verliezen, wanneer men geheel alleen voor alles staat. Dus bracht hij weldra zijn bal naar den tuin, en begon op goed geluk met den bal te gooien, terwijl hij er over mijmerde, wat hij zou beginnen. Het paard van zijn vader stond aan het andere einde van het grasveld, en loom en zonder na te denken ging Bunby naar dien kant en wierp toen zijn bal rakelings over den grond naar het dier toe om het “eens op te laten springen.” Niets lag verder van hem af dan de gedachte, het dier te willen kwetsen, en toen de bal tegen den poot van het paard sloeg, en het hinkend weg liep, vloog hij naar hem toe, bleek en vol angst. Aan de manier, waarop het arme dier den poot hield opgetrokken, en trilde, wanneer hij het aanraakte, kon hij merken, dat hij het ernstig bezeerd had. Een doodelijke schrik greep hem aan, en hij liep haastig weg, vervuld met zijne gewone gedachte, van zich ergens te willen verbergen. Maar tot zijne hevige ontsteltenis zag hij, toen hij het grasveld reeds half achter zich had, zijn vader met een kameraad door de poort van het tuinhek komen en langzaam in de richting van het paard, dat zeer kostbaar en fraai was, voortloopen.

Vol berouw over wat hij gedaan had, verborg hij den cricketbal voor in zijn matrozenbuisje, en nadat hij zich plotseling op zijne knieën had laten vallen, begon hij met grooten ijver te knikkeren. Zijn bevende duim had ongeveer een dozijn knikkers her- en derwaarts gestuurd, toen hij luide zijn naam hoorde roepen.

Hij stond op, klopte het stof van zijne trillende beenen, en ging langzaam naar zijn vader.

“Ga Pat zeggen, dat hij dadelijk hier moet komen!” zeide de kapitein. Hij hield den poot van het paard in zijne hand en onderzocht dezen vol angst. “Als hij er niet is, zend Pip dan. Ik kan niet begrijpen, hoe het gekomen is—weet jij er iets van, Bunby?”

“Wel neen, natuurlijk niet! Ik heb—niets gedaan!” antwoordde Bunby klappertandend, maar zijn vader was te afgetrokken om de duidelijke kenteekenen van zijne schuld op te merken, en zeide hem dadelijk heen te gaan.

Dus ging hij naar den stal, en zond Pat naar zijn vader.

En toen sloop hij het huis binnen, kaapte twee appels en een cake uit de eetkamer, en ging weer heen om diep wanhopig te zijn tot het oogenblik, waarop hij zou biechten.

Hij kroop naar een leeg staand gebouwtje niet ver van het woonhuis gelegen; in vroegeren tijd was dit een stal geweest, en het had twee verdiepingen, waarvan de bovenste alleen bereikt kon worden door middel van een ladder, die zich in een toestand van groot verval bevond. Bunby klauterde naar boven, zette zich innig bedroefd op een bos stroo neer, en begon peinzend op een der appels te bijten.

Wanneer er ooit een kleine jongen eene verstandige, liefhebbende moeder noodig had, dan was het wel dit ventje met zijn bemorst gezicht en zijn bezwaard hart, dat met zijn hoofd tegen een balk vol spinrag zat en neerslachtig mompelde: “Ik kan het niet helpen! Het was de schuld van het paard!”

Hij meende iets te hooren bewegen op den tweeden zolder, welke door een laag beschot van dien, waarop hij zat, gescheiden was. “Kischt—kischt, maakt dat je wegkomt!” riep hij, denkende, dat er ratten waren. Verscheiden malen stampte hij met zijne zware laarzen op den vloer.

“Kischt!” riep hij nog eens.

“Bunby!”

Het kind werd tot in de lippen bleek. Zijn naam, die daar zoo vreemd en zacht gefluisterd werd, dat geritsel zoo dicht in zijne nabijheid—o! wat zou dat beduiden!

“Bunby!”

Nog eens weerklonk zijn naam. Ditmaal luider, maar de stem, die hem uitsprak, was vermoeid, en de klank er van deed hem zonderling aan. Het geritsel werd hoorbaarder, er gleed iets over het beschot, liep over den vloer, en kwam naar hem toe. Hij snikte van angst en wierp zich plat op den grond, en verborg zijn gezicht, waaruit alle kleur geweken was, in het stroo.

“Bunby!” zeide de stem nog eens, en eene hand raakte even zijn arm aan.

“Help me—help me!” gilde hij. “Meg—vader—Esther!”

Maar op zijn mond werd haastig eene hand gelegd, en eene andere trok hem omhoog.

Hij had zijne oogen zeer vast gesloten, om den geest niet te zien, die, zooals hij wist, gekomen was om hem voor zijne zonden te straffen. Maar iets dwong hem, ze te openen, en toen—kon hij ze van verbazing niet weer sluiten.

Want het was Judy, die hare hand op zijn mond had gelegd, en Judy, die naast hem stond.

“Groote hemel!” zeide hij, vol innige verwondering. Hij staarde haar aan om zich te overtuigen, dat zij werkelijk van vleesch en bloed was. “Hoe kom jij hier?”

Maar Judy gaf geen antwoord. Zij nam eenvoudig den appel, die nog over was, en den cake uit zijne hand en, nadat zij was gaan zitten, at zij deze zwijgend op.

“Heb je niets anders?” vraagde zij angstig.

Toen merkte hij eerst op hoe mager zij was, en hoe slecht zij er uit zag. Hare kleederen hingen bijna in flarden om haar lichaam, hare laarzen waren gescheurd en wit van het stof, haar bruin gezicht was ingevallen en toonde scherpe lijnen, en haar haar was dof en hing woest in vlokken om haar hoofd.

“Groote hemel!” zeide Bunby nog eens, en zijne oogen schenen uit zijn hoofd te zullen rollen—“groote hemel, Judy, wat heb je uitgevoerd?”

“Ik—ik ben weggeloopen, Bunby!” zeide Judy met trillende stem. “Ik heb den geheelen weg, van de school tot hier, te voet afgelegd. Ik had zulk een verlangen naar jelui allen!”

“Wel heb ik van mijn leven!” zeide Bunby.

“Ik heb eerst alles goed overlegd,” vervolgde Judy, terwijl zij met eene loome beweging, het haar naar achteren streek. “Ik kan mij nu niet alles herinneren, ik ben zoo moede, maar alles zal in orde komen.”

“Maar wat zal hij zeggen?” riep Bunby met verschrikte oogen, want hij had aan zijn vader gedacht.

“Hij zal er natuurlijk niets van te weten komen,” antwoordde Judy op een toon, alsof zij vond, dat dit van zelf sprak. “Ik zal hier op dezen zolder een tijdje wonen, en jelui kunt mij hier allen komen bezoeken en mij eten en allerlei brengen, en dan zal ik weer terug gaan naar school.” Zij zonk achterover in het stroo en sloot gedurende een paar minuten uitgeput hare oogen; Bunby kon de oogen niet van haar afwenden.

“Hoe ver is het van je school tot hier?” zeide hij eindelijk.

“Zeven en zeventig mijlen.” Judy trilde terwijl zij sprak. “Van Lawson tot Springwood heb ik in een goederentrein gezeten, en een klein eind heb ik ook nog in een kar afgelegd, maar overigens heb ik alles geloopen. Ik ben bijna eene week onderweg geweest,” voegde zij er na een oogenblik zwijgens bij, en sloot toen weer voor geruimen tijd de oogen. Een paar tranen, die zij uit zwakte en uit medelijden met zich zelve schreide, drongen tusschen hare zwarte wimpers door en lieten een smal, helder spoor op hare wangen na. Bunby voelde, hoe zijn keel dichtgenepen werd bij dit gezicht, zoo lang hij zich kon herinneren, had hij Judy nooit zien schreien. Hij liefkoosde hare magere hand, hij wreef zijn hoofd tegen haar schouder en zeide: “Houd je goed, houd je goed!” met min of meer onvaste stem.

Maar dit maakte, dat een half dozijn groote, zware druppels tusschen de gesloten oogleden doorstroomden, en Judy draaide zich om, en legde zich voorover om hare tranen te verbergen. Toen richtte zij zich in eene zittende houding op, en begon werkelijk te lachen.

“Als nu de dames Burton mij eens konden zien!” zeide zij. “O, ik heb alles zoo slim bedisseld; zij denken, dat ik veertien dagen te logeeren ben in Katoomba—o Bunby, je moest de krullen eens kunnen zien, die Miss Marian tegen haar wangen geplakt draagt!” Zij zweeg, lachte zenuwachtig opgewonden, en begon toen te hoesten, tot de tranen weer in hare oogen kwamen.

“Ga gauw iets voor mij halen om te eten,” zeide zij wrevelig, toen zij weer op adem kwam, “je kondt ook wel eens bedenken, dat ik sedert gisteren morgen niet gegeten heb; maar, je hebt altijd alleen aan je zelven gedacht, Bunby!”

Hij stond op en maakte zich gereed heen te gaan, alles in de grootste haast. “Wat wil je hebben? Wat zal ik halen?” zeide hij, en een been stond reeds op de bovenste trede.

“Alles is goed, als het maar veel is,” zeide zij,—“het komt er niet op aan, wat het is! Ik geloof, dat ik dit stroo zou kunnen eten, en de balken zou kunnen stukbijten alsof ze van beschuit waren. Het heeft mij werkelijk moeite gekost, niet met jou te beginnen, Bunby! Je bent zoo dik, dat er aan jou menig goed kluifje moet zijn!”

In hare oogen tintelde de oude levenslust, maar zij begon opnieuw te hoesten, en toen de hoestbui bedaard was, lag zij uitgeput neer.

“Roep een van de anderen!” riep zij met zwakke stem, toen zijn hoofd verdween. “Jij alleen bent niet van groot nut!”

Zijn hoofd dook weer een oogenblik op, en hij beproefde met een glimlach het leed, dat hare woorden hem veroorzaakten, te verzetten, want juist op dat oogenblik zou hij zonder een zucht te slaken voor haar gestorven zijn.

“Het spijt mij erg voor je, Judy!” zeide hij vriendelijk, “maar alle anderen zijn uit. Kan ik je niet helpen? Ik zal alles graag voor je doen, Judy!”

Judy lette niet op het zachte gesnuif, dat de laatste woorden vergezelden, en keerde haar gelaat naar den muur.

Weer rolden twee groote tranen langs hare wangen.

“Hadden zij nu niet thuis kunnen blijven?” zeide zij met een snik. “Konden zij nu niet begrijpen dat ik mijn best zou doen, om terug te komen. Waar zijn zij?”

“Pip is gaan visschen,” antwoordde hij, “en Nell draagt de mand voor hem. En Baby is bij de Courtney’s, en Esther is met den Generaal naar de stad gegaan. En Meg ligt ziek te bed, omdat zij gisterenavond te stijf geregen was en flauw gevallen is.”

“Zij zullen mij wel geen oogenblik gemist hebben!” was hare bittere gedachte, toen zij hoorde, hoe alles zijn gewonen gang ging, terwijl zij zooveel doorgemaakt had, alleen om hen allen te zien.

Toen kwam weer dat gevoel van zwakte terug, en zij sloot hare oogen en lag volkomen stil, tijd, plaats en honger vergetende.

Bunby spoedde zich met gevleugelden tred over het grasveld; het gezicht van zijn vader, die bij den stal stond, veroorzaakte hem een plotselingen schrik, en deed hem aan zijne eigen zorgen denken, maar deze gedachten zette hij van zich af, en vloog verder. De deur van de provisiekamer was gesloten. Martha, de keukenmeid, zorgde er wel voor, dat dit meestal het geval was, wegens zijne eigen zondige voorliefde voor hare taarten en gebakken; alleen door middel eener krijgslist zou hij er in kunnen komen, dit moest hij, tot zijn spijt, zelf inzien.

Maar Judy’s honger! Geen eten gehad te hebben sedert gisteren morgen!

Hij herinnerde zich, zelfs nu nog met eene aandoening van pijn, het afschuwelijke gevoel dat hij de vorige week gehad had, toen hij voor straf zonder thee naar bed was gestuurd. Hij sloot de lippen vast op elkander en zijne oogen straalden van de geestdrift, waarmede een heldhaftig besluit hem bezielde.

In den zijmuur van het huis was het venster der provisiekamer; dikwijls had hij er verlangend naar opgezien, maar hij had nooit gewaagd er in te klimmen, want een vreeselijke, kruipende cactus wond zich tegen den muur.

Maar nu, voor Judy, zou hij het doen of sterven. Hij liep om het huis en naar het zijvenster; er was niemand te bespeuren, overal scheen het even rustig. Martha, dit had hij gezien, was in de keuken bezig met kooken, en het andere dienstmeisje witte de veranda aan de voorzijde van het huis. Hij wierp een vastberaden blik op de groote, puntige dorens, en klom in het volgende oogenblik tusschen hen door omhoog.

O, wat prikten en schramden zij hem! Zijn eene arm gaapte met eene groote wond, zijn linkerkous werd weggescheurd en een diepe roode schram werd op zijn been zichtbaar, zijne handen bloedden en trilden van pijn.

Maar hij had de vensterbank bereikt, en dat was zijn doel.

Hij schoof het kleine raam omhoog, en wrong met veel moeite zijn dik lichaampje er doorheen. Toen kwam hij op eene plank terecht, en liet zich van daar op den grond glijden. Hij had geen tijd om naar zijne kwetsuren te kijken, slechts een weemoedige blik sloeg hij op de breedste schram en begon toen naar proviand te zoeken. De provisiekamer was merkwaardig leeg—geen bewijsje van cakes, geen hapje gelei, geen gevogelte waar ook. Hij brak een groot stuk van een brood, en pakte zorgvuldig wat boter in een courant. Er stond nog koud vleesch op een schotel, hij sneed er een stevige homp van af, en vereenigde dit met een stuk van een zandtaart tot een pakket. Hij borg dit alles in zijn matrozenbuisje, en vulde zijne zakken met sinaasappels, geconfijte citroenschillen, krenten en andere lekkernijen, die hij alle in de stopflesschen vond. En toen maakte hij zich tot den moeielijken terugtocht gereed.

Hij klom op de plank, stak zijn hoofd buiten het venster, en wierp een wanhopigen blik op den cactus. En in het oogenblik, dat hij nederknielde, weerklonk achter hem het geluid, dat een sleutel maakt, als hij in een slot wordt omgedraaid.

Radeloos keek hij om zich heen,—daar stond Martha in de deur, en tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader, die zich in de gang bevond.

“Ik zoek de arnica!” zeide de kapitein. “Naar alle waarschijnlijkheid is zij in de provisiekamer, omdat ze daar niet hoort te zijn. Ik heb haar in mijne slaapkamer op den schoorsteenmantel laten staan, maar de een of ander schijnt noodig gevonden te hebben, er aan te komen. Waarom kunnen jelui toch niet met je handen van mijne zaken afblijven?”

“En waarom zou ik haar ergens anders gezet hebben?” antwoordde Martha. “Ik maak er mijn beslag niet mede aan, om het gebak luchtig te doen zijn, ten minste in den regel niet.”

Zij schudde het hoofd, en door deze beweging werd zij de kleine, knielende, bevende gestalte bij het venster gewaar.

Nu was de deur maar half open, en haar meester stond juist op den drempel, dus kon zij alleen van het schouwspel genieten.

Tweemaal opende zij den mond om te spreken, maar Bunby keek haar zoo innig smeekend aan, dat zij hem weer sloot en zelfs de flesschen op de plank naast de deur begon na te zien, om hem gelegenheid tot ontsnappen te geven.

Nog ééne minuut en hij zou gered zijn geweest—nog ééne minuut en hij zou midden tusschen de doornen van den cactus hebben gehangen, die nu evenwel al het afschrikwekkende verloren hadden.

Maar het lot was hem niet gunstig. En dit kwam alleen, omdat Martha Tomlinson’s schoen een afgeloopen hak had. Toen zij zich omdraaide glipte haar voet uit haar schoen, en om haar evenwicht te bewaren, strekte zij eene hand uit. En toen zij de hand uitstrekte stootte zij tegen eene kruik. En de kruik deelde den schok mede aan een schotel. Deze sloeg om, en schoof de groote melkkan van de plank, zoodat zij op den grond sloeg. Ik weet niet, of ge ooit beproefd hebt, een planken vloer schoon te maken, nadat er melk op gevallen was, maar in ieder geval ben ik er van overtuigd, dat ge u wel kunt voorstellen, dat het een onaangenaam werk is, vooral als ge hem denzelfden morgen pas duchtig geschrobd had. Men kan er zich dus eigenlijk niet over verbazen, dat Martha, in hare groote woede over het ongeluk, zich boos omwendde, en naar het kind wijzende, dat als versteend in het venster zat, op wanhopigen toon vraagde, hoe de goede heiligen het met dien akeligen jongen konden uithouden, haar geduld, in ieder geval, was ten einde.

De kapitein kwam met een woedenden stap de provisiekamer binnen, en commandeerde Bunby met luide stem, naar beneden te komen.

Het jongentje liet zich in hevigen angst op den grond glijden.

“Hij steelt en pakt overal wat weg, en hij liegt dat hij zwart ziet!” zeide Martha Tomlinson, terwijl zij met een onvriendelijken blik naar het ongelukkige kind keek.

Twee, drie, vier, vijf woedende tikken met de rijzweep, die de kapitein in de hand had, en Bunby dook onder zijn arm weg en vluchtte huilende de gang door en de achterdeur uit.

Hij liep over de grasvelden, en snikte bij iederen voetstap, maar voelde zich tegelijkertijd door het verheffende gevoel bezield, dat hij dit alles droeg terwille van een ander.

Had iemand hem dit vroeger voorspeld, dan zou hij het nauwelijks hebben kunnen gelooven, dat hij ooit zoo iets edels volbrengen zou, en de gedachte daaraan verzachtte de pijn, die de klappen en de schrammen hem veroorzaakten. Hij beproefde zijn gesnik te onderdrukken, toen hij het gebouwtje bereikte, en stopte zelfs voor dat doel eene handvol krenten in zijn mond, voor hij er was aangekomen.

Maar het gezicht, dat weer te voorschijn kwam door het luik naast Judy, was hoogst treurig, en droeg de sporen van tranen en van krabben.

Zij bewoog zich niet, hoewel hare oogen half geopend waren, en hij knielde neer en raakte haar schouder aan.

“Hier breng ik je wat, Judy! Wil je nu niet iets eten?”

Zij schudde langzaam het hoofd.

“Neem wat koud vleesch, of wat rozijnen; ik heb ook geconfijte citroenschil, als je daar soms meer zin in hebt!”

Zij schudde nogmaals het hoofd. “Neem alles maar weer mede weg!” zeide zij zacht kermend.

Diepe teleurstelling was op zijn klein, verhit gelaat te lezen.

“En ik heb doodsangsten uitgestaan om het te krijgen! He, wat ben je een akelig spook!” riep hij.

“Ach, ga heen!” kermde Judy, terwijl zij haar hoofd onrustig dan naar deze, dan naar gene zijde bewoog. “O, wat doen mijne voeten mij pijn! neen—mijn hoofd, en mijne zijde—o, ik weet niet wat ik heb!”

“Hier en hier heb ik slaag gehad,” zeide Bunby, de plaatsen aanwijzende, en met zijne mouw veegde hij de dikke tranen weg, die hij om zijn eigen ongeluk geschreid had. “Die ellendige oude cactus heeft me overal gekrabd!”

“Denk je, dat ik nog veel mijlen zal moeten afleggen?” zeide Judy, en zoo vlug, dat de woorden in elkaar schenen te vloeien. “Ik heb honderden geloopen, en ben nog niet thuis. Ik denk, dat het komt, omdat de aarde rond is, en ik zal zeker spoedig het schoolhek weer binnen komen!”

“Wees niet zoo idioot!” zeide Bunby knorrig.

“Ik kan er zeker en stellig op rekenen, nietwaar Marian, dat je er nooit een woord van zult zeggen, ik vertrouw op je, en als je doet wat je beloofd hebt, kan ik naar huis gaan en weer terug komen, en niemand zal er ooit iets van weten. En leen mij twee shillings, wil je? Ik heb niet veel geld meer. Bunby, egoïste jongen, haal mij toch wat melk! Urenlang vraag ik je er al om, en je laat mij maar versmachten!”

“Eet wat vleesch, Judy!—ach Judy, wees niet zoo vreemd en onaardig, ik heb werkelijk doodsangsten uitgestaan toen ik het voor je haalde,” zeide Bunby, en beproefde met trillende vingers een stuk in haar mond te duwen.

Het kleine meisje wierp zich op de andere zijde en begon weer te kreunen.

“Zeven en zeventig mijlen,” zeide zij, “en gisteren heb ik elf geloopen, dat is dus elfhonderd zeven en zeventig—en zes den dag daarvoor omdat ik eene blaar op mijn voet had—dat is elfhonderd drie en tachtig. En als ik tien mijlen per dag loop, zal ik thuis zijn in elfhonderd drie en tachtig maal tien, dat is duizend en—en—hoeveel? hoeveel is het? Bunby, kind, kan je mij niet zeggen hoeveel? Mijn hoofd doet te veel pijn om uit te rekenen hoeveel jaren duizend en zooveel dagen in jaren zijn—dat is een jaar,—twee jaar—twee jaar—drie jaar voor ik er ben. O, Pip, Meg, drie jaar! O Esther! vraag hem, vraag hem of hij me niet wil laten thuiskomen! Drie jaar—drie—drie!”

De laatste woorden werden bijna gillend uitgestooten en het kind richtte zich op, en beproefde te loopen.

Bunby greep haar arm en hield haar vast.

“Laat me gaan, versta je mij niet?” zeide zij met heesche stem. “Zoo zal ik er nooit komen! Drie jaren, en zooveel mijlen!”

Zij duwde hem op zijde en wilde over den zolder loopen, maar hare knieën knikten en zij viel buiten kennis neer. “Meg—ik ga Meg halen!” zeide de kleine jongen met trillende, angstige stem, en hij gleed door de opening en spoedde zich naar huis.