“Eene karaf van geslepen glas onder zijn arm, een wijnglas, dat hij met de tanden bij den voet vasthield, een schotel met koude kip in zijn hand.”

“Eene karaf van geslepen glas onder zijn arm, een wijnglas, dat hij met de tanden bij den voet vasthield, een schotel met koude kip in zijn hand.”

HOOFDSTUK XI.

EENE VLUCHTELING.

Als een wervelwind stoof hij Meg’s slaapkamer binnen. “Zij is in het oude gebouwtje, Meg, en, zeker weet ik het niet, maar ik denk, dat zij gek geworden is; en ik ben vreeselijk geslagen geworden, en de cactus heeft me bijna heelemaal open gekrabd, en ik heb toch niets gezegd. En nu wil ze niet eens eten. Zij is weggeloopen—ik geloof zeker, dat ze gek is!”

Meg beurde haar bleek, ontzet gelaat van het kussen op.—“Wie dan toch—wat—”

“Judy!” zeide hij, en barstte door overspanning in tranen uit. “Zij is in het oude gebouwtje, en ik geloof, dat zij gek is geworden!”

Meg stond langzaam op, deed hare kleeren aan, en zelfs toen nog niets van het avontuurlijke verhaal geloovende, ging zij met hem naar beneden.

In de vestibule ontmoetten zij hun vader, die juist uit wilde gaan.

“Ben je weer beter?” zeide hij tot Meg. “Je hadt den geheelen dag in bed moeten blijven, maar, misschien zal de lucht je goed doen.”

“Dat denk ik ook,” antwoordde zij werktuigelijk.

“Ik kom in de eerste uren niet naar huis—het zou zelfs kunnen zijn, dat Esther en ik eerst morgen ochtend terug kwamen.”

“Goed!” sprak Meg.

“Pas vooral op de kinderen, en wees zelve voorzichtig—en, dat is waar ook, Bunby gaat vandaag zonder thee naar bed—hij zal niet van honger sterven, daar ben ik zeker van.”

“Goed!” zeide het meisje nogmaals, en zij kwam eerst tot het besef van wat de laatste woorden beduidden, toen Bunby dicht bij haar elleboog verbolgen: “Gemeen!” fluisterde.

Toen kwam de dogcart voor, en de kapitein vertrok tot hunne onuitsprekelijke verlichting.

“Nu, wat is dit voor eene dwaze geschiedenis?” zeide Meg, terwijl zij zich tot haar broertje wendde. “Het zal wel weer een van je verzinseltjes zijn, kleine ondeugende jongen!”

“Kom maar mee!” antwoordde Bunby, en hij leidde haar door de grasvelden. Halverwege ontmoetten zij Pip en Nell, die vroeger dan plan was geweest van de vischvangst terugkwamen. Nellie keek treurig voor zich, en liep op een eerbiedigen afstand achter haar broeder aan.

“Men zou even goed een phonograaf mee kunnen nemen als Nellie!” zeide hij, een blik vol toorn op deze schuldige werpend. “Zij heeft den geheelen tijd door gebabbeld, zoodat ik geen oogenblik kans had, dat een visch zou aanbijten.”

“Judy is thuis!” zeide Bunby, vol van het groote nieuws. “Niemand heeft haar gezien behalve ik, ik heb mijn leven voor haar gewaagd door op cactussen te klimmen en in vensters en wat al niet, en ik heb slaag gehad van vader, maar ik heb toch niets verteld, nietwaar, Meg? Ik heb haar hier in het oude gebouwtje ondergebracht, en heb vleesch en van allerlei voor haar gehaald—kijk nu toch eens even naar mijne beenen!”

Vol fierheid toonde hij zijne schrammen, maar Meg ging haastig verder, en Pip en Nellie volgden, een en al verbazing. Bij het gebouwtje gekomen stonden zij stil.

“Het is een grap van Bunby!” zeide Pip verachtelijk. “Het is nog niet de eerste April, mijn zoon!”

“Kom dan toch mee!” antwoordde Bunby, en klom omhoog. Pip volgde, en stootte een zachten kreet uit; daarop klauterden Meg en Nell, met meer moeite, naar boven, en toen was het gezelschap bijeen.

Judy was tot rust gekomen, en lag met wijd geopende oogen, moede, naar de dakbalken te staren.

Zij keek hen glimlachend aan, toen zij zich allen om haar schaarden. “Als Mahomet niet naar den berg wil komen …” zeide zij, en hoestte toen twee of drie minuten lang.

“Wat ben je begonnen, Judy, zusjelief?” zeide Pip, met eene vreemde trilling in zijne stem. Het gezicht van zijne lievelingszuster, die mager, met holle wangen, uitgeput daar neer lag, greep zijn warm jongenshart aan. Er kwam een nevel voor zijne oogen.

“Hoe ben je hier gekomen, Judy?” zeide hij, sterk met de oogleden knippend.

En het meisje keek tot hem op met haar eigenaardigen, stralenden blik. “Rijpaardjes houden ze er bij ons op school niet op na,” zeide zij, “maar misschien dacht je, dat ik in een ballon hierheen was komen drijven?”

Weer hoestte zij.

Meg viel op hare knieën en sloeg hare armen om haar klein, mager zusje.

“Judy!” riep zij. “O, Judy, Judy, mijn arm kind!”

Judy lachte even en noemde haar dwaas, maar weldra verdween die opgeruimde stemming en begon zij zenuwachtig te snikken. “Ik heb zulk een honger!” zeide zij ten laatste droevig.

Alle vier sprongen op, als wilden zij de gezamenlijke magazijnen van Sydney leeg gaan dragen, om haar honger te stillen. Maar Meg ging weer zitten en legde het hoofdje met de woeste krullen in haar schoot.

“Pip, ga jij naar huis,” zeide zij, “en haal wijn en een glas, en in den vliegenkast staat een gebraden kip; ik kreeg daar een gedeelte van bij den lunch, en Martha zeide, dat zij het overblijvende zou wegzetten, en dat ik het bij de thee kon krijgen; en kom gauw terug, Pip!”

“Natuurlijk!” zeide Pip bij zich zelven, en hij vloog de trap af, naar het woonhuis.

“Wel heb ik van mijn leven!” zeide Martha, toen zij hem vijf minuten later in de gang tegenkwam, en hij eene karaf van geslepen glas onder den arm had, een wijnglas bij zich had dat hij met de tanden bij den voet vasthield, en een schotel met koude kip in zijne hand droeg, waarop ook nog een stapeltje boterhammen lag. “Wel heb ik van mijn leven! En wat nu nog meer?”

“Loop naar je grootje!” zeide Pip, stormde haar in groote haast voorbij, en maakte een omweg om naar het gebouwtje te komen, daar hij dacht, dat zij hem wellicht bespiedde.

Hij knielde naast zijn zusje neer, en verkwikte haar met kleine stukjes kip en teugen wijn, en streek over haar woesten haardos, en noemde haar wel vijftig maal zijn liefste zusje, en smeekte haar toch vooral nog een beetje te eten.

En Judy, die den blik der bruine, vochtige oogen boven haar, opving, at alles wat hij haar gaf, hoewel het haar in het begin bijna onmogelijk scheen. Zij zou hebben gegeten, al had hij haar olifantshuid aangeboden, nu zij gevoelde, dat zij van dezen broeder meer hield, dan van wien ook op de geheele wereld, en dat hij zulk een verdriet had. En het voedsel deed haar goed, zij ging opzitten en praatte na eene korte poos op geheel natuurlijken toon.

“Je hadt het heusch niet moeten doen, Judy, heusch niet! En wat vader tegen je zal zeggen, nu, dat zullen we moeten afwachten.”

“Hij zal er nooit iets van weten, dat ik hier ben,” antwoordde zij snel. “Ik zou het jelui nooit vergeven, als je het hem verteldet. Ik kan maar eene week hier blijven. Ik heb alles uitstekend ingericht, en ik zal op dezen zolder logeeren; vader komt hier nooit, dus ben ik hier veilig, en jelui komt mij eten brengen. En na eene week”—zij zuchtte diep, “moet ik weer weg!”

“Heb je werkelijk al die mijlen geloopen alleen om ons weer te zien?” zeide Pip, en weer was er die vreemde trilling in zijne stem.

“Een paar maal onder weg heb ik kunnen sporen of rijden,” zeide zij, “maar overigens heb ik altijd geloopen, ik ben bijna eene week onderweg geweest.”

“Hoe heb je dat kunnen uithouden, Judy? Waar sliep je, wat at je?” riep Meg uit, met groote droefheid.

“Dat ben ik bijna alweer vergeten!” zeide Judy, en zij sloot hare oogen. “Ik heb aan kleine woningen om eten verzocht, en soms vraagde men mij, of ik niet wilde blijven slapen. En dan had ik nog drie shillings en zes pennies—daar ben ik lang mede toegekomen. Ik heb maar twee nachten buiten geslapen, en toen had ik toch altijd mijn manteltje.”

Megs gelaat was bleek van ontsteltenis, bij het verhaal van haar zusters avonturen. Zeker zou geen ander meisje dan Judy Woolcot op het buitensporige denkbeeld zijn gekomen al die mijlen te voet af te leggen met drie shillings en zes pennies in den zak.

“Hoe heb je het kunnen doen?” was alles, wat zij zeide.

“Ik was niet van plan geweest, den geheelen weg te loopen,” zeide Judy met een flauw glimlachje. “Ik had zeven shillings in een stukje papier in mijn zak gestoken, evenals de drie shillings en de zes pennies, en ik wist, dat ik daarvoor een heel eind zou kunnen komen met den trein. Maar ik verloor het eene papiertje onder weg, en ik wilde daar niet voor teruggaan, dus moest ik natuurlijk loopen.”

Meg raakte hare wang even aan.

“Het is geen wonder, dat je zoo mager geworden bent!” zeide zij.

“O, Marian en ik hebben alles bedisseld!” zeide Judy, met een glimlach. “Marian is mijn vriendinnetje en zij doet alles wat ik haar zeg. En zij woont in Katoomba.”

“Nu?” zeide Meg nieuwsgierig, toen hare zuster zweeg.

“Nu, zie je, heel veel meisjes op school hebben de mazelen, en dus moest Marian thuis komen, want hare familie was bang dat zij ze ook zou krijgen. En Marians moeder had mij gevraagd, een veertien dagen mede te komen, en dus had Miss Burton aan vader geschreven en gevraagd of ik mocht. En toen heb ik een brief geschreven en gevraagd, of ik die veertien dagen niet liever thuis mocht komen.”

“Daar heeft hij nooit iets van gezegd!” zeide Meg zacht.

“Neen, dat kan ik wel begrijpen. Nu, hij heeft terug geschreven en antwoordde mij “neen” en haar “ja.” En dus brachten zij ons op een goeden dag naar den trein, en in Katoomba zouden wij afgehaald worden. En toen wij onderweg waren, kwam ik plotseling op de gedachte: “Waarom zou ik niet op mijn eigen houtje naar huis gaan?” Dus zeide ik Marian, dat zij thuis moest vertellen, dat ik naar huis was gegaan, en dat zij haar verhaal zoo moest inrichten, dat niemand er aan zou denken, hierover aan Miss Burton te schrijven. En toen hield de trein in Blackheath op, en ik sprong er uit, en zij ging naar Katoomba, en ik kwam naar huis. Dat is de geheele geschiedenis. En dus, jelui begrijpt, daar ik mijn geld verloren had, bleef mij niets over dan te loopen.”

Meg streek over het stoffige, verwarde haar van haar zusje.

“Maar je kunt hier niet eene week lang logeeren!” zeide zij bezorgd. “Door het slapen in de open lucht heb je je eene ernstige verkoudheid op den hals gehaald, en ik ben er van overtuigd, dat je ziek bent. Wij zullen alles aan vader moeten zeggen. En ik zal hem verzoeken, je niet terug te zenden.”

Judy vloog op, hare oogen fonkelden.

“Als je dat doet,” zeide zij, “als je dat doet, dan loop ik van avond nog weg naar Melbourne, of naar Jeruzalem, en dan kom ik nooit, nooit weer terug! Hoe kom je daar aan, Meg? Nadat ik dit alles gedaan heb, alleen maar opdat hij er niets van zou weten! O, hoe kom je er aan?”

Zij wond zich tot een hevigen toestand van overspanning op.

“Je begrijpt immers wel, Meg, dat ik eenvoudig morgen weer naar school zou worden gestuurd. Is dat niet zoo, Pip? En op school zou mij op den koop toe nog heel wat te wachten staan. Mijn plan is zoo eenvoudig mogelijk. Ik heb hier eerst een week lang pret met jelui, en dan ga ik weer terug naar school—jelui kunt mij allen geld leenen voor den trein. Den 25sten ontmoet ik Marian in Katoomba; we zullen samen terugkeeren en niemand zal ooit iets te weten komen. Die hoest beduidt niets; vroeger heb ik ook altijd gehoest, en het heeft mij nooit kwaad gedaan. Zoolang jelui mij genoeg eten brengt, en bij mij komt, is alles in orde.”

De rust en het voedsel en het zien der welbekende gezichten hadden haar reeds goed gedaan, haar gelaat was minder spits, en een zacht rose tintte langzaam hare wangen.

Meg had een beklemmend gevoel van verantwoordelijkheid, en zij achtte zich verplicht, ten minste aan iemand het gebeurde te vertellen; maar de anderen overreedden haar.

“Zoo laag zou je toch niet kunnen zijn, Meg!” had Judy met overtuiging gezegd, toen zij gesmeekt had Esther alles te mogen vertellen.

“Zulk een flapuit!” had Bunby er toe gevoegd.

“Zulk een verachtelijk schepsel!” had Pip uitgeroepen.

En dus zweeg Meg, maar was buitengewoon ongelukkig.