“Ga de kamer uit!” zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken.
Op den vierden dag van Judy’s verblijf op den zolder, deelde Martha Tomlinson haar kameraad en lijdensgenoot, Bridget, mede, dat zij geloofde, dat de kinderen samen zwoeren om haar naar “den overkant” te krijgen.
Bridget had dien nacht niet buitengewoon goed geslapen, en dus gaf zij als antwoord de opmerking ten beste, dat zij veronderstelde, dat de lieve jeugd haar daar wenschte te zien, waar zij ook behoorde te zijn.
Ik moet u misschien vertellen, dat “aan den overkant” hetzelfde beduidde als Gladesville, en dat dit het Meer-en-Berg van Sydney is.
Verscheidene oorzaken hadden de ongelukkige Martha er toe gebracht, aan zulk eene samenzwering te gelooven. Bij voorbeeld, toen zij eens op een morgen Pips bed wilde gaan opmaken was de helft van het beddegoed verdwenen. De witte sprei was netjes over de matras gelegd, maar er was niets te bekennen van dekens, lakens of kussens. Zij zocht op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen, ondervraagde de kinderen, wendde zich zelfs tot Esther, maar de vermiste voorwerpen werden niet gevonden.
“Een man met een broek van geribd fluweel zwerft hier iederen avond om het huis!” zeide Pip, terwijl hij weemoedig naar zijn ontredderd bed keek. “Het zou mij niet verwonderen, als die daar iets mede te maken had.”
Welke veronderstelling alles behalve aangenaam voor Martha was, aangezien de man met de broek van geribd fluweel haar vurigste en uitverkoren aanbidder was.
Den volgenden dag verdween de waschkom uit Megs slaapkamer, en daarop een stoel uit de kinderkamer, evenals een vloerkleedje, om niet te spreken van zulke kleine voorwerpen als een trekpot, een spirituslampje, kopjes en schotels, een halve ham, en een volle trommel met gembernootjes.
Dit alles verdroot Martha, want de voorwerpen schenen te verdwijnen, terwijl de kinderen in bed waren; en hoewel zij hen verdacht, en hen voortdurend gade sloeg, kon zij geen duidelijk bewijs van hunne schuld machtig worden, en evenmin de drijfveer ontdekken, die er hen toe zou kunnen brengen, het een en ander weg te nemen.
En telkens als er weer iets kwijt was, vraagde Pip of de in geribd fluweel gekleede jongeling den vorigen avond in den omtrek van het huis gezien was. En daar dit altijd het geval was, kon Martha niets anders doen, dan met een toornigen blik op haar plaaggeest, de kamer uitstuiven.
Op zekeren avond was de kleine schaaktafel uit de kinderkamer door eene geheimzinnige macht weggetooverd.
Den volgenden morgen, toen Martha aan het vegen was, kwam Pip naar haar toe, en deed, alsof hij in tranen zwom.
““Hoe lieflijk is het nederig viooltje!”” zeide hij met gebroken stem. “Ach, Martha, Martha! nu eerst, nu je dagen bij ons geteld zijn, zien wij in, welk een schat wij in je bezitten!”
“Ach, ga heen!” zeide zij, en sloeg naar hem met den steel van den stoffer. “Ik denk er niet aan, heen te gaan, hoor! Als ik er niet meer was, zouden jelui heelemaal uit den band springen. Neen, je bent nog niet zoo gauw van Martha Tomlinson af!”
“Maar moet je dan niet naar hem toe gaan, Martha?” zeide hij vriendelijk. “De inrichting van zijn huis moet nu wel nagenoeg compleet zijn. Hij heeft wel is waar nog geen sauspan en geen strijkijzers, maar overigens dan ook alles, Martha; en ik wil je nu ook wel vertellen, dat ik van plan ben, je als huwelijksgeschenk een strijkijzer cadeau te doen, dus behoef je niet te wachten, tot hij het is komen halen.”
“Ga de kamer uit!” zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken. “Je weet van dwaasheid niet wat je zegt!”
Op den zolder in het gebouwtje ging alles naar wensch.
Eenige oude, tegen den muur opgehangen karpetten hielden den tocht tegen. Judy’s bed, zacht en warm, bevond zich in een hoek; zij had een stoel om op te zitten, eene tafel om aan te eten, zelfs eene waschkom. En zij had den geheelen dag gezelschap, ook dikwijls den geheelen nacht. Eens was Meg weggeslopen, nadat zij de deur harer slaapkamer afgesloten had, en had ook op het bed op den zolder geslapen; eens was Nellie gegaan, en een anderen avond had Pip een paar wollen dekens genomen en had hij zich zelf een leger in het stroo gemaakt. Zij bezochten haar op alle uren van den dag, en kropen de een na den ander, de krakende ladder op, wanneer zij maar onopgemerkt konden wegkomen.
De gouvernante had toevallig veertien dagen vrij gekregen, om hare zieke moeder op te passen, en dus konden de meisjes en Bunby over al hun tijd beschikken. Pip ging laat naar school, en kwam vroeg naar huis, en zocht van Esther briefjes voor den directeur af te bedelen. Zelfs bleef hij eens stilletjes weg, en droeg de straf, die hem daarvoor later werd opgelegd, met kalme gelatenheid.
Judy zag er nog altijd bleek en vermoeid uit, en haar hoest was werkelijk onrustbarend; maar zij kreeg weldra hare oude, levendige opgewektheid weer, en genoot onuitsprekelijk van haar avontuur.
Het eenige onaangename was de zeer beperkte ruimte van den zolder.
“Jelui moet het zoo inrichten, dat ik eene wandeling kan gaan maken,” zeide zij op een morgen zeer beslist. “Ik ben er van overtuigd, dat mijne beenen langzamerhand korter beginnen te worden, nu ik ze niet meer kan gebruiken. Tegen het eind van de week zal ik vergeten zijn, wat wandelen is.”
Pip dacht niet, dat haar wensch vervuld kon worden; Meg smeekte haar, zich niet bloot te stellen; maar Bunby en Nell waren vol geestdrift voor het plan.
“Meg zou met vader kunnen gaan praten,” zeide Bunby, “en Pip zou den Generaal kunnen plagen, tot Esther niet meer uit de kamer zou durven gaan, en dan konden ik en Judy gauw naar beneden klimmen en een wandelingetje maken, en we zouden weer terug zijn, vóór iemand iets gemerkt had.”
Judy schudde het hoofd.
“Daar zou ik al zeer weinig aan hebben,” zeide zij. “Als ik ga, wil ik ook een tijdje in de vrije lucht blijven. Zouden we niet een picnic aan den waterkant kunnen houden?”
“He ja, laten we dat doen!” riep Bunby, met stralende oogen.
“Ik geloof heusch, dat we het wel konden wagen, vooral daar het toch ook Zaterdag is, en Pip niet naar school hoeft,” vervolgde Judy, en in hare gedachten spon zij het geheele plan uit. “Twee van jelui zouden voor eten kunnen zorgen. Zegt Martha, dat jelui een picnic willen houden,—zij zal blij genoeg zijn, dat zij niet voor het middageten behoeft te dekken—en dan gaan jelui vooruit. Twee anderen kunnen op wacht staan, om te zien, of er geen vijand te bekennen is, terwijl ik naar beneden kom en door de grasvelden loop, en als we maar eens om den hoek van den weg zijn, zijn we gered!”
Dit scheen alles zeer uitvoerbaar, en in zeer korten tijd waren alle toebereidselen gemaakt. Pip stond op wacht bij het gebouwtje, en had op zich genomen, Judy’s uittocht te bewaken, Bunby was bij de veranda achter het huis op post gezet, om uit te kijken en driemaal te fluiten, als er eenig gevaar was.
Hij zou een kwartier, gerekend naar de keukenklok, wachten, en dan, indien alles veilig was, den grooten theeketel en een brood medenemen, en de anderen op den weg opvangen. Het was eene saaie bezigheid, om daar te staan wachten, en, als een peinzende ooievaar, stond hij op één been, en hield zich bezig met de gebeurtenissen der laatste, veel bewogen dagen nog eens te overdenken.
Een gedrukte stemming had zich van hem meester gemaakt, maar hoe dit kwam, kon hij moeielijk zeggen. Misschien bezwaarde hem de leugen, die hij aan zijn vader verteld had, en waarover hij niet weer gesproken had, omdat het paard leelijk hinkte, en hem de moed in de schoenen zonk, elken keer dat hij aan de rijzweep van zijn vader dacht.
Misschien was het de reactie na de groote opwinding. Of het kon een knagend gevoel van verongelijking zijn, omdat zijne dappere daden ten bate van Judy bij de anderen zoo weinig bewondering hadden ingeoogst. Zij schenen ze hem volstrekt niet aan te rekenen, en lachten zelfs elken keer, dat hij er eene toespeling op maakte, of de algemeene aandacht op zijne schrammen zocht te vestigen. Twee of drie krabben op zijne beenen waren werkelijk leelijk genoeg, en terwijl hij stond te wachten stroopte hij zijne kousen omlaag en keek met medelijdende blikken en iets als een snik naar zijne wonden.
“Niemand bekreunt zich om mij!”—pruttelde hij, en eene traan—hij kon ze altijd zoo gemakkelijk schreien—plaste neer op zijn uitgestrekt, ontbloot been. “Judy houdt het meest van Pip, en hij is toch nooit op den cactus geklommen; Meg denkt, dat ik altijd jok, en Nellie zegt, dat ik te vies ben om met eene tang aan te raken—niemand bekreunt zich om mij!”
Nog eene groote, dikke traan welde omhoog en viel toen neer.
“Heb je daar wortel geschoten?” vraagde eene stem.
Zijn vader, die in de opengeslagen veranda-deur stond te rooken, had hem gade geslagen, en zich over zijne ongewone, groote kalmte verwonderd.
Bunby schrikte op, en trok zijne kousen omhoog.
“Ik doe niets geen kwaad!” zeide hij treurig, na een poosje. “Niets geen kwaad! Ik ga naar een picnic!”
“Zoo!” zeide de kapitein. “Je zaagt er uit, alsof je over het een of andere nieuwe kattekwaad nadacht, of berouw had over een ondeugenden streek—nu, wat is het geval?”
Bunby werd bleek, maar herhaalde, dat hij “niets geen kwaad deed.”
De kapitein was in eene loome, plaagachtige stemming, en zijn dik zoontje scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om hiervan blijk te geven.
“Het zou wel goed zijn, als je eens hier kwaamt, en al het kwaad, dat je deze week uitgevoerd hebt, opbiechtet!” zeide hij ernstig. “Ik ben den geheelen morgen vrij, en het wordt tijd, dat ik je eens ernstig onder handen neem!”
Bunby naderde de leuning van den hem aangewezen stoel, en werd witter dan ooit.
“Zoo, nu kunnen we op ons gemak praten. Dus, Dinsdag heb je uit de provisiekamer gestolen—dat is één misdaad,” zeide hij om hem op weg te helpen. “Ga voort.”
“Ik heb niets anders uitgevoerd!” stotterde Bunby. Hij voelde, dat het met hem gedaan was, en dat de geschiedenis van den cricketbal ontdekt zou worden. Hij keek zelfs zenuwachtig rond, of de rijzweep nergens te zien was. Ja, daar lag die van Esther met den zilveren knop, achteloos op een stoel neergeworpen. Hij vond nog den tijd om vurig te wenschen, dat Esther wat netter mocht zijn.
“Werkelijk niets, Bunby? op je woord?” zeide zijn vader op indrukwekkenden toon.
“Ik w-was aan het knikkeren!” zeide hij met bevende stem. “Hoe zou ik dus het paard hebben kunnen kwaad doen?”
“Het paard? Ha!”—riep zijn vader. Er ging hem een licht op, en zijn gelaat werd zeer ernstig. “Wat heb je naar Mazeppa gegooid, waardoor hij kreupel geworden is? Antwoord mij onmiddellijk!”
Bunby wierp een schuwen blik naar de zweep.
“N-n-niets,”—zeide hij—“h-heusch niets! Mijn c-c-cricketbal lag in den stal. Ik was aan het knikkeren!”
De kapitein schudde hem even aan den arm.
“Heb je Mazeppa met den cricketbal gegooid?” zeide hij streng.
“N-n-neen, n-neen!”—fluisterde Bunby, wit tot in zijne lippen. Toen overweldigde hem ten deele zijn berouw en hij voegde er bij: “Hij rolde uit mijn z-z-zak, en M-Mazeppa kwam juist voorbij en st-stootte er tegen met zijn poot.”
“Zeg de waarheid of het zal je slecht gaan!”—zeide de kapitein, opstaande, en Esther’s rijzweep in de hand nemende.—“En dus—heb jij Mazeppa kreupel gemaakt?”
“Ja!” zeide Bunby, en hij barstte in tranen uit, en wrong zich in allerlei bochten, om aan de zweep te ontkomen.
Daarop, toen de slagen op zijne rampzalige schouders nederdaalden, vervulde hij de lucht met zijn gewonen kreet van: “Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet!”
“Jij verachtelijke schavuit!”—zeide zijn vader, toen hij een oogenblik moest pauzeeren, daar zijn arm pijn deed van het slaan. “Ik zal dien lagen geest van leugenachtigheid en lafheid uit je ranselen, en als je niet verandert, zie ik je liever dood voor mij liggen!” Zwiep, zwiep. “Wat moet er van je groeien?” Zwiep, zwiep. “Liegen omdat je bang bent voor slaag!” Zwiep, zwiep, zwiep, zwiep.
“U slaat me dood, u slaat me dood! Ik voel, dat u me dood slaat!” gilde het kind, en wentelde zich over den grond. “Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet. Sla de anderen liever!”
Zwiep, zwiep, zwiep. “Denk je, dat de anderen zoo onbeschaamd zouden liegen? Philip heeft nooit gelogen. Judy zou liever hare tong afbijten.” Zwiep, zwiep, zwiep. “Je gaat naar een picnic? Je kunt op je kamer picnic houden tot morgen ochtend vroeg.” Zwiep, zwiep, zwiep. “Nu—maak dat je wegkomt!”
Meer had geen menschelijk wezen kunnen verdragen.
De laatste slag was eene ware marteling geweest voor zijne trillende schouders en zijn gepijnigden rug. Hij dacht aan de anderen, die, gelukkig en zonder zorg, daar buiten in den helderen zonneschijn op weg waren naar de rivier, zonder het minste vermoeden van wat hij doorstaan moest, en zijn hart scheen door de hevigheid van zijne verbittering en zijne wanhoop te zullen moeten barsten. “Judy is thuis!” zeide hij hijgend en hartstochtelijk. “Zij is in het oude gebouwtje. Boe-hoe-hoe! Ze houden het geheim voor u! Boe-hoe! Zij gaat naar den picnic, en zij is van school weggeloopen.”