“Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken.”
De kapitein liep langzaam door de grasvelden met zijn tuinhoed achterover. Na het tooneel met zijn tweeden zoon was hij min of meer vermoeid, en zijne oogen keken peinzend rond. Hij geloofde niet aan de waarheid van Bunby’s laatste mededeeling, maar toch vond hij haar niet volstrekt onwaarschijnlijk, en daarom had hij een bezoek aan het gebouwtje niet juist overbodig geoordeeld. Niet dat hij, hoe dan ook, geloofde, zijne verbannen dochter daar te vinden, want Bunby had immers gezegd, dat zij een picnic aan den waterkant wilden houden? Maar hij dacht, dat hij misschien toch wel de eene of andere aanduiding ontdekken zou. De deur van het gebouwtje sloeg open, en het zonlicht stroomde naar binnen en bracht dwars door de ruimte een balk van gouden stof aan.
Er was hier geen teeken van de aanwezigheid van bewoners, behalve wanneer een haarlint van Meg en eenige sinaasappelschillen als zoodanig beschouwd konden worden.
Hij zag de wrakke, eigengemaakte ladder, die tegen de opening in de zoldering geleund stond, en hoewel hij over het algemeen meer eerbied voor zijne ledematen had, dan zijne kinderen voor de hunne, waagde hij er zich op. Zij kraakte geweldig, toen hij de bovenste sport bereikt had en van deze op den zolder stapte.
Het been van een ham, eene doos met dominosteenen en een gebarsten kussen lagen aan deze zijde van het schot, anders niets, dus ging hij verder en keek over de schutting op den anderen zolder.
“Gezellig genoeg ingericht,” mompelde hij. “Het zou mij niet kunnen schelen zelf hier een tijdje te kampeeren,” en het kwam zelfs bij hem op dit te doen, en voor Judy “eene verrassing” te zijn, als zij terugkwam. Maar hij verwierp dit plan als niet overeenstemmend met zijne waardigheid. Hij herinnerde zich, dat hij in zijn huis geruchten had gehoord van verdwenen huisraad en er kwam iets als een glimlach om zijn mond, toen hij het oude tafeltje met de spirituslamp en den trekpot er op, het beddegoed en de waschkom zag. Maar met een strengen blik fronsde hij weldra het voorhoofd. Waren zeven en zeventig mijlen geene voldoende hinderpaal voor Judy’s ondeugende plannen? Hoe durfde zij hem zoo tarten, zij een kind van dertien jaar tegenover haar vader? Hij sloot de lippen onheilspellend vast, ging weer naar beneden, en liep met zwaren tred naar huis terug.
“Esther!” riep hij met eene trillende stem onder aan de trap.
En: “Ik kom, beste man—één minuutje!” klonk het ten antwoord.
Een minuutje scheen ditmaal tien minuten te kunnen duren, en toen kwam zij, de mooie jonge moeder, met haar lachend dik zoontje in hare armen. Hare oogen keken zoo teeder en zacht, er lag zooveel liefde in haar blik, dat hij zich ongeduldig afwendde; hij wist zeer goed hoe het zijn zou; zij zou hem bedelen en smeeken, zijn dochtertje te vergeven, als zij alles gehoord had, en wanneer zij er dan weer stralend en liefelijk uitzag, als op dit oogenblik, zou hij haar niets kunnen weigeren.
Een paar minuten stond hij in gepeins verzonken.
“Wat wilde je, John?” zeide zij. “En waar sta je aan te denken? Ik heb juist een nieuw kiesje gevonden, kom eens kijken!”
Hij kwam, half onwillig, en voelde met zijn pink in het mondje van zijn jongste zoontje.
Esther hield zijne hand vast, tot hij een zeer klein hard voorwerp voelde. “Het derde,” zeide zij trots, “vindt je het niet aardig?”
“Hum!” zeide hij. Toen bleef hij nog een oogenblik peinzen, en wreef zich na eene minuut of twee in de handen, alsof hij zeer over zich zelf tevreden was.
“Zet je hoed op, Esther, en kleed den Generaal ook aan,” zeide hij, terwijl hij vriendelijk een tikje gaf op het hoofd van dezen jongen heer. “Laten we eene wandeling gaan maken naar de rivier; de kinderen wilden ook aan den waterkant een picnic houden, en dus kunnen wij er op rekenen, onderweg thee te krijgen.”
“Dat is een heerlijk idee!” zeide zij, “vindt je ook niet, Bababsie, vindt je ook niet, mijn kind?”
Zij riep Martha, die bezig was het salon te vegen, op de grondige manier, die haar bijzonder eigen was, toe: “Wil je even den hoed van den Generaal halen, Martha, den witten zonnehoed met de keelbanden; hij ligt op mijn bed, denk ik, of op een stoel, of ergens anders—o! en breng dan meteen mijn grooten hoed met de papavers mede!”
Martha ging, en kwam na eenig zoeken met de gevraagde kleedingstukken terug.
En Esther zette den witten zonnehoed op haar eigen krullend, springend haar en deed den Generaal kraaien van het lachen op zijne zitplaats, op de tafel der vestibule. En toen drukte zij hem op het hoofd van den kapitein, en zette diens tuinhoed op het kopje van haar zoon en verscheidene minuten gingen zoo al vroolijk stoeiend voorbij.
Eindelijk waren zij gereed, en verlieten de vestibule.
“Jongeheer Bunby zit in zijne kamer opgesloten; je moogt er hem op geene voorwaarde uitlaten, Martha!” zeide de kapitein onder het heengaan.
“O, Jack!” riep Esther verwijtend uit.
“Laat het zijn zooals ik gezegd heb,” sprak hij; “gun mij een weinig vrijheid met mijne eigen kinderen, Esther! Hij is een leugenachtige deugniet; ik schaam mij, dat ik hem mijn zoon moet noemen.”
En Esther, aan de wankelmoedigheid van haar stiefzoon denkende, vond geen bezwaar zich met de hoop te troosten, dat de straf heilzaam voor hem zou zijn.
Zij liepen over een pad door het woud, dat den weg zeer verkortte, en toen lag daar de blauwe, vriendelijke rivier voor hen, waarin de zon flikkerende vlammetjes strooide.
“Daar zitten zij,” riep Esther, “op de oude plaats! Zie je het vuur, mijn ventje? zie je den rook, mijn lieveling? Zij zijn met hun vieren—neen, met hun vijven! Wie is er dan bij?”—zeide zij verwonderd, toen zij dichter bij de groep op het gras kwamen.
Voor zij genoegzaam genaderd waren om de gezichten te herkennen, scheen de kring plotseling verbroken te worden.
Een van de leden keerde zich opeens af en vluchtte weg over het gras, stortte zich in het dichte kreupelhout en verdween uit het gezicht in minder tijd dan noodig is, om dit te vertellen.
“Wie was er bij jelui?” vraagde Esther, toen zij de kinderen bereikten.
Een oogenblik bleef alles stil, toen wierp Pip een paar takjes op het vuur en antwoordde droog:
“Eene vriendin van Meg, een meisje met een hazenhart, die een doodelijken angst heeft voor vader. Ik geloof, dat zij denkt, dat militairen met scherp geslepen wapenen rondwandelen, en niets liever doen, dan er op inhouwen!”
Hij lachte even, Nell gichelde zenuwachtig, en Baby begon te schreien.
Meg, bleek als eene doode, nam haar op en begon, om haar te bedaren, haastig de geschiedenis van de drie beren te vertellen.
Esther keek min of meer verbaasd, maar dacht er natuurlijk niet aan, eenig verband te zoeken tusschen de vluchtende gestalte en Judy.
En de kapitein scheen niets te zien of te merken. Hij lag op het gras en liet den Generaal over zich heen klimmen; hij schertste met Esther; hij vertelde verscheiden verhalen uit zijne jeugd, en scheen zich geen oogenblik bewust te zijn, dat zijn gehoor onoplettend en afgetrokken was.
“Hebben jelui geen thee gezet?” zeide Esther eindelijk. “Wij rekenden er op, hier thee te kunnen drinken.”
“Bunby is niet verschenen, en die zou de thee meebrengen!” zeide Pip gemelijk. De buitengewone beminnelijkheid van zijn vader kwam hem verdacht voor, en hij wilde zich niet voor den gek laten houden.
“Ach,” zeide de kapitein ernstig, “dat treft slecht. Toen wij van huis gingen, scheen Bunby niet al te wel te zijn, en er over te denken, de rest van den dag in zijne slaapkamer door te brengen.”
Pip stookte met kracht het vuur op, en Meg wierp een verschrikten blik naar haar vader, die haar vriendelijk glimlachend aankeek.
Na een uur lang dezen gedwongen toestand gerekt te hebben, stelde de kapitein voor, naar huis terug te keeren.
“Het begint koel te worden,” zeide hij, “het zou me spijten voor het nieuwe kiesje van onzen Generaal, als het zijn leven moest beginnen met pijn te doen—laten we naar huis gaan, en daar zien, dat we thee krijgen.”
Dus namen zij de onaangeroerde manden in de hand, en de stoet zette zich in beweging.
De kapitein wenschte, dat Pip en Meg met hem zouden loopen, en hij zond Baby en Nell voor zich uit, ieder aan een kant van Esther, die den Generaal afwisselend bij de hand had en droeg.
Dit richt hij zoo in, dacht de sluwe Pip, om te verhoeden, dat wij nieuwe plannen smeden. En toen zij thuis waren gekomen, noodigde hij hen allen uit in zijne rookkamer te komen, een cabinetje naast de eetkamer gelegen.
Esther ging met den Generaal naar boven, maar de anderen volgden zwijgend hun vader.
“Ga zitten, Pip, mijn jongen,” zeide hij opgewekt. “Kom, Meg, maak het je gemakkelijk, neem plaats in dien leunstoel. Nell en Baby kunnen zich op de sofa zetten.”
Gedwongen gingen zij op de plaatsen zitten, die hij hun aanwees, en keken angstig naar zijn gelaat.
Hij koos eene pijp van het rek boven den schoorsteenmantel, voorzag haar van een nieuw mondstuk, en vulde haar met zorg.
“Daar jelui je nu in het bezit hebt gesteld van mijne kamer,” zeide hij op hoogst aangenamen toon, “zal ik beter doen, met hier niet te rooken. Straks kom ik terug en dan zullen wij wat praten. Ik zal eerst maar eens eene pijp gaan rooken op den zolder van het gebouwtje. Voert geen kattekwaad uit, terwijl ik weg ben!”
Hij stak een lucifer aan, hield dezen bij de tabak, en, zonder een blik op de zwijgende kinderen geworpen te hebben, verliet hij de kamer, en deed de deur achter zich op slot. Voor de tweede maal liep hij door de grasvelden, en voor de tweede maal stootte hij de krakende deur open. De sinaasappelschil lag op dezelfde plaats, waar hij haar eerst gezien had, alleen was zij wat drooger en verschrompelder. Het haarlint zat in juist denzelfden strik. De ladder kraakte op precies dezelfde plaats, en het scheelde weer niet veel, of hij was, toen hij de bovenste sport bereikte, er af gevallen. De dominosteenen lagen daar nog altijd, het been van de ham en het kussen namen dezelfde plaatsen in; het eenige verschil was, dat over het eerste nu een groot aantal zwarte mieren kropen, en dat de wind met het kussen gespeeld had, en de veeren naar alle kanten had doen stuiven.
Hij liep naar de andere zijde, niet zachtjes, maar met zijn gewonen, vasten, militairen stap. Er bewoog zich niets. Hij bereikte het beschot en keek er over heen.
Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken, uitgeput na hare snelle vlucht van den oever der rivier. Zij had een rok van Meg aan, die haar buitengewoon lang en mager deed schijnen; met verbazing vraagde hij zich, of zij zóó gegroeid kon zijn?
“Er zal geen einde aan de moeite en zorgen komen, die zij mij zal veroorzaken, als zij groot geworden is!” zeide hij, halfluid, met een gevoel van medelijden voor zich zelf omdat hij haar vader was. En toen werd hij vervuld met wrevel en toorn, terwijl hij haar daar bleef gade slaan, en zij zoo kalm voortsliep. Moest zij altijd de verstoordster zijner rust zijn? moest zij hem altijd dwarsboomen?
“Judy!” zeide hij met luide stem.
De gesloten oogleden sprongen open, de nevel van slaap en vergetelheid trok weg van de donkere oogen, en zij rees overeind, met doodelijk ontsteld gelaat.
“Wat voer je hier uit, als ik vragen mag?” zeide hij, koud en hoog.
Een donkerroode blos kleurde hare wangen, haar voorhoofd, en verdween toen weer, zoodat zelfs hare lippen wit werden, maar zij gaf geen antwoord.
“Ik veronderstel, dat je van school bent weggeloopen,” vervolgde hij, op denzelfden koelen toon. “Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen?”
Judy sprak noch verroerde zich, zij staarde hem alleen aan met even geopenden mond.
“Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen, Helen?” herhaalde hij.
“Neen, vader,” zeide zij.
Haar gelaat toonde een moeden, pijnlijken trek, die hem anders zeker zou getroffen hebben, maar hij was thans te vertoornd, om dit op te merken.
“Volstrekt geene verontschuldiging of geldige reden?”
“Neen vader!”
Hij ging terug naar het luik. “In anderhalf uur vertrekt een trein, je reist daarmede van hier,” zeide hij, met bedaarde stem. “Ik zal maatregelen nemen om je op school te doen bewaken, nu ik zie, dat je niet te vertrouwen bent. Je komt met Kerstmis niet thuis, en waarschijnlijk ook niet met de zomervacantie!”
Dit was even goed als een doodvonnis. De zolder draaide voor Judy’s oogen in het rond, in hare ooren zong en gonsde het.
“Kom!” zeide de kapitein. Judy snakte naar adem, zij hijgde en begon te hoesten.
Zij hoestte vreeselijk, haar tenger lichaam beefde. Dit duurde zoo twee of drie minuten, hoewel zij den zakdoek voor den mond hield om te beproeven, het hoesten tegen te gaan.
Zij was zeer bleek, toen zij tot bedaren kwam, en voor het eerst merkte hij op, hoe hol hare wangen waren.
“Het is beter, dat je eerst mede naar huis komt,” zeide hij minder hard, “dan kunnen wij zien of Esther niet iets voor den hoest heeft.”
En toen snakte hij op zijne beurt naar adem, en werd zijn gebronsd gelaat vaalbleek.
Want roode, vreeselijke vlekken bezoedelden het wit van den doek, dien het kind van haar mond had genomen.