“Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende en voortslepende een vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.”

“Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende en voortslepende een vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.”

HOOFDSTUK XIV.

DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER.

En dus werd er geen dogcart voor Judy ingespannen, zij werd niet naar den trein gebracht, zij behoefde niet beschaamd onder haar schoolkameraadjes terug te keeren, zij had niet het vooruitzicht van lange maanden, die zonder vacantie voorbij zouden gaan.

Maar, in de plaats daarvan, een warm, zacht bed, en versterkend voedsel, en vriendelijke woorden, en onafgebroken zorg. Want de avontuurlijke tocht, de gebrekkige voeding, en de twee nachten in de open lucht hadden het meisje inderdaad in een gevaarlijken toestand gebracht. De eene long was ernstig aangedaan, had de dokter gezegd; het was hem een raadsel, zeide hij tot hare huisgenooten, hoe zij het nog zoo lang uitgehouden had; een gewoon meisje zou reeds lang allen moed verloren, en zich te bed gelegd hebben. Maar hij zeide dit, omdat hij den onbuigzamen geest en de vaste energie niet kende, die Judy’s voornaamste karaktertrekken waren.

“Hadt je in het geheel geen pijn?” vraagde hij, verbaasd door het feit, zulk eene stemming en zulk een ernstigen toestand tegelijkertijd aan te treffen.

“Jawel, soms in mijne zijde!”—antwoordde zij achteloos.—“Hoe lang zal het nog duren voor ik op kan staan, dokter?”

Deze vraag stelde zij hem iederen morgen, hoewel, om de waarheid te zeggen, zij met waren angst dacht aan het oogenblik, waarop zij hersteld verklaard zou worden.

Zij gevoelde eene loomheid en moeheid in hare beenen, die haar deed twijfelen, of zij ooit weer ver zou kunnen loopen, en een meer bescheiden teeken van beterschap versmaadde zij. Buitendien bespeurde zij eene knagende pijn onder de armen, en als zij hoestte, stond zij de hevigste benauwdheid uit.

Toch was zij niet ziek genoeg om niet belang te stellen in alles, wat er om haar heen gebeurde, en verlangde, dat de anderen haar zouden vertellen, wat buitenshuis voorviel—wie het gelukkigst was geweest bij het cricketspel, welke bloemen ontloken waren in het weelderige hoekje van den tuin, dat haar toebehoorde, hoe vele eieren de kippen per dag legden, hoe het met het aantal der Guineesche biggetjes en der kanaries gesteld was, en welke schoenen of kleeren de nieuwe jonge hond vernield had.

En Bunby bracht dikwijls zijne witte muizen en zijn blind marmotje in hare kamer en liet de diertjes los over haar deken loopen, en Pip zat meestal te timmeren aan een klein tafeltje dicht bij haar bed, zoodat zij ieder nieuw werk kon zien en de vorderingen kon gadeslaan.

Meg, die haar omgang met Aldith bijna geheel verbroken had, wijdde zich met hart en ziel aan de verpleging van hare zuster; zij gaf haar allerlei kleine geschenken—een schoenentasch, met verschillende afdeelingen, een zakje voor kam en borstel, met het monogram J. W. in rose zijde daarop geborduurd, een klein werkmandje met naaldenboekje, speldenkussen en verder toebehooren. Judy vreesde, dat zij na haar herstel nu ook verplicht zou zijn netjes te worden.

Het genoegen, dat haar de geschenkjes blijkbaar veroorzaakten, deed een geest van mededinging onder de anderen ontwaken.

Eens was Pip een geheelen dag onzichtbaar; eerst in den avond vertoonde hij zich weer, en liep trots naar het bed. Hij had eene kleine chiffonière gemaakt, waarvan drie laden werkelijk, hoewel met groote omzichtigheid, geopend konden worden.

“Dit is niet voor poppenkleeren,”—zeide hij, nadat zij alle gebruikelijke betuigingen van dankbaarheid uitgeput had,—“want ik weet, dat je daar niet van houdt, maar je kunt er je kleine prullen in bewaren—haarlintjes, naaigereedschap, er is plaats genoeg.”

Zij hoorden een geluid, alsof op de gang iets voortgesleept werd, en Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende, en voortslepende een vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.

“Dit is een stoel,” verklaarde hij, en veegde de bewijzen van zijne inspanning van zijn voorhoofd. “Ik zal er natuurlijk de een of andere stof over spijkeren, zoodat je er niet door kunt vallen; maar ik dacht, dat ik hem je nu wel eerst eens kon laten zien.”

Er kwam een glimlach om Judy’s lippen, maar zij dankte hem hartelijk.

“Ik wilde niet iets maken, waaraan je toch niets hadt, zooals Pip gedaan heeft!” vervolgde het kleine ventje, en hij keek verachtelijk naar de chiffonière. “Dit is iets wat je gebruiken kunt; als je weer opstaat, dan kan je er bij den haard op zitten, Judy, en lezen of naaien of iets anders doen. Je vindt dit ook mooier dan Pip’s cadeautje, is het niet zoo?”

Judy wist behendig beide partijen te vriend te houden, door hen te vragen, de geschenken naast alle andere bij het hoofdeinde van haar bed te plaatsen.

“Wat zal je veel mee te nemen hebben, als je weer naar school gaat, Judy!” zeide Nell, terwijl zij de verzameling met een paar gehaakte mofjes en een wollen poppenlijfje verrijkte.

Maar Judy keek haar slechts verwijtend aan, en lag het overige gedeelte van den avond met haar hoofd naar den muur gekeerd.

Dit was het, wat haar al de veertien dagen van hare ziekte met angst vervuld had—de gedachte aan de school in de toekomst.

“Wat zal er met mij gebeuren, als ik weer beter ben, Esther?”—vraagde zij den volgenden morgen op gedrukten toon, toen hare stiefmoeder haar kwam bezoeken. “Spaart hij heel veel slaag voor mij op? En moet ik de eerste week weer terug?”

Esther stelde haar gerust.

“Deze drie maanden blijf je hier, en zeer waarschijnlijk de volgende drie maanden ook, Judy! Hij heeft gezegd, dat je met een paar der anderen naar buiten zult gaan, tot je weer geheel sterk geworden bent; en onder ons gezegd, geloof ik, dat je wel nooit weer de kostschool zult terug zien.”

Toen deze vrees dus verdwenen was, ging Judy’s gezondheid steeds sneller vooruit, zoodat haar krachtig gestel zelfs den dokter verbaasde.

Na drie weken liep zij weer door het huis, mager en met groote oogen, maar vol grappen en vol ondeugende plannen. De visites van den dokter werden gestaakt; hij zeide, dat tot nu toe alles naar wensch was gegaan, maar dat zij in eene andere omgeving moest komen en eenigen tijd geen zeelucht mocht inademen.

“Laat haar een paar maanden vrij in de buitenlucht loopen, Woolcot!” zeide hij bij zijn laatste bezoek; “er is tijd toe noodig, om al het gebeurde te boven te komen, en haar hare kracht en gezondheid te doen herkrijgen.”

“Zeker, zeker; ik zal haar naar buiten sturen!” antwoordde de kapitein.

Hij kon den schrik niet vergeten, die hem vijf of zes weken geleden op den ouden zolder bevangen had, en zou er in toegestemd hebben haar naar de Sahara te brengen, indien dit noodig geoordeeld was geworden.

De dokter had hem mede gedeeld, dat hare longen zeer gevaarlijk aangedaan waren.

“Het is niet gezegd, dat zij aan tering moet sterven,” had hij gesproken, “maar er is altijd gevaar voor deze vreeselijke kwaal in dergelijke gevallen. En de kleine Judy is zulk een wild rusteloos schepseltje; alles wat zij doet, doet zij met hart en ziel, en zij schijnt vreugde en leed duizendmaal dieper te gevoelen, dan andere kalmere naturen. Zorg goed voor haar, Woolcot; zij zal eens eene uitstekende vrouw worden—ja, eene buitengewone vrouw.”

De kapitein rookte vier groote sigaren in de eenzaamheid van zijne studeerkamer, alvorens hij kon beslissen, hoe hij het best “goed voor haar kon zorgen”.

Eerst bedacht hij, haar met Meg en de gouvernante voor eenigen tijd naar de bergen te zenden, maar dan rees de moeielijkheid, dat de andere drie in dien tijd geen onderwijs zouden genieten. Hij zou hen naar school kunnen zenden of eene andere gouvernante nemen; zeker, maar dan waren er weer de onkosten, die in overweging moesten genomen worden.

De meisjes alleen te laten gaan, daar kon geen sprake van zijn, want Meg had, niettegenstaande hare zestien jaren, getoond, niet veel meer dan een gansje te zijn; en op Judy moest toegezien worden. Toen dacht hij er aan, dat Esther er ook niet zeer goed uitzag; Judy’s verpleging en de zorgen voor den Generaal bleken te veel voor haar te zijn geweest, en zij was lang niet meer de stralende, bloeiende Esther van vroeger. Hij wist, dat hij haar naar buiten moest laten gaan, en het kind eveneens, natuurlijk.

En dan dacht hij weer aan de onkosten. En aan de andere kinderen.

Hij herinnerde zich, dat de Kerstvacantie niet meer ver af was; wat zou er van het huis worden, indien Pip en Bunby en de twee jongste meisjes konden doen en laten wat zij wilden, en niemand het opzicht hield? Hij zuchtte diep, en klopte de asch van zijn vierden sigaar op het tapijt.

Toen kwam de brievenbesteller over het pad en voorbij het venster. Hij keek glimlachend en raakte zijn pet aan met een vergenoegden blik. Het was alsof hij wist, dat hij in een der brieven de oplossing bracht van het raadsel, dat op het voorhoofd van den kapitein ontelbare rimpels te voorschijn riep.

Een vijfde sigaar werd juist uit het kistje genomen, eene groeve vertoonde zich boven de linker wenkbrauw, een steek van iets dat zeer veel geleek op jicht gaf aanleiding tot een paar woorden “in eene vreemde taal,” toen Esther binnenkwam met een glimlach om de lippen en een open brief in hare handen.

“Van moeder!” zeide zij. “Het schijnt, dat Yarrahappini haar te stil begint te worden, en dus vraagt zij mij, of ik met den Generaal eenige weken, bij haar kan komen?”

“Ha!” zeide hij.

Dit zou zeker een der moeielijkheden doen verdwijnen. Wel was het landgoed zeer ver weg, maar, het was Esthers vroegere tehuis, en zij had het niet weergezien sedert haar huwelijk. Daar zou zij zeer snel weer sterk worden.

“O, en Judy ook!”

“Ha!” zeide hij.

Twee rimpels verdwenen van zijn voorhoofd.

“En Meg, omdat ik schreef, dat zij er bleek uitzag.” De kapitein legde zijn sigaar weer in het kistje. Hij vergat dat er iets bestond, wat jicht heette.

“De uitnoodiging kon nooit beter te pas zijn gekomen!” zeide hij. “Neem haar onvoorwaardelijk aan; niets kon beter geweest zijn; en het is een buitengewoon gezond klimaat. De andere kinderen kunnen—”

“O, vader vooral wenscht, dat Pip ook zal komen, omdat hij zulk een flinke jongen is.”

“Op mijn woord, Esther, je ouders hebben harten vol ware menschenliefde. Is er nog iemand anders in de uitnoodiging begrepen?”

“Alleen maar Nell en Bunby en Baby. O, en moeder zegt, dat wanneer je ooit lust mocht hebben, eenige dagen te komen jagen, je haar altijd hartelijk welkom zult zijn.”

“De gastvrijheid der squatters is wereldberoemd, maar dit overtreft alles, Esther!” De kapitein stond op, en rekte zich uit met het vergenoegde gelaat van een man, die zich verlost voelt van eene nachtmerrie. “Neem de uitnoodiging onvoorwaardelijk aan—voor allen. De gevolgen mogen zij zelf ondervinden; maar ik ben bang, dat men op Yarrahappini treurige ervaringen zal gemaakt hebben, eer de maand voorbij is!”

Hoe treurig deze ervaringen zouden zijn, kon hij toen in de verste verte niet vermoeden.