“Vader!”
Zij vulden eene geheele coupé—wel was er nog eene plaats open, maar men scheen niet begeerig die in te nemen, nadat men een haastigen blik naar binnen geworpen had.
Daar zaten zij met hun achten, en alleen Esther was degene, die toezicht hield—Esther in eene rose blouse, en met een matrozenhoedje, met een gelaat zoo stralend en ondeugend als dat van Pip. De kapitein had hen naar het station gebracht, en Pat zorgde voor de bagage. Hij had de kaartjes genomen—twee gewone voor Esther en Meg, en vier voor half geld voor de vier anderen. Baby werd zelfs niet met een kaartje voor half geld voorzien, zeer tot hare eigen verontwaardiging—het was eene beleediging voor hare vier en een half jaar, om voor niets te kunnen reizen evenals de Generaal.
Maar de kosten van deze stukjes bordpapier hadden den kapitein zeer ongelukkig doen kijken: hij kreeg niet meer dan achttien stuivers terug van de tien pond, die hij gegeven had; want Yarrahappini lag op de grenzen van het onbekende land.
Hij gaf de achttien stuivers uit aan geïllustreerde tijdschriften, en uit de keuze van deze bleek wel, dat hij geen hoogen dunk had van den letterkundigen smaak zijner familie; hij voorzag bovendien Esther van een boekdeel in geel linnen gebonden, waarop eene dame in het groen was afgebeeld, die in de armen van een heer, welke in purper was uitgedost, flauw viel, en Meg met Mark Twain’s “Springende Kikvorsch,” omdat hij in den laatsten tijd eene zekeren zwaarmoedigen blik in hare oogen had opgemerkt.
Toen werd de bel geluid, een gefluit deed zich hooren, conducteurs liepen in groote haast her- en derwaarts, en men nam afscheid, vroolijk of treurig, al naar de omstandigheden.
Eene vrouw stond droevig te schreien op het perron, en een meisje met vriendelijke oogen, vol tranen, leunde uit het venster van een tweede-klasse coupé en sprak haar toe; daar was een squatter met gebruind gelaat, die een pet van stof ophad, en eveneens stoffen schoenen, en voor wie de driehonderd mijlen lange reis eene weinig belangrijker gebeurtenis was, dan een maaltijd; en daar was de jonge man, die voor zijne zaken op reis moest, en wien eene reis naar Engeland weinig korter voorkwam, nu hij voor een geheel jaar van zijne vrouw en zijn kind afscheid nam; en waggons, waarin dames zaten, die weer naar de wildernis terugkeerden na hun jaarlijksch of halfjaarlijksch bezoek aan de Sydneysche beschaafde wereld; en daar waren de acht reizigers, die ons in het bijzonder interesseeren, en die zich voor het portier en de vensters verdrongen, om den kapitein nog eens toe te knikken, en vaarwel te zeggen.
Hij zag er volstrekt niet neerslachtig uit, toen de trein met veel rumoer wegstoomde—met zwierigen stap wandelde hij het perron af, alsof het vooruitzicht twee maanden als jonggezel te moeten doorbrengen, ook wel zijne lichtzijde had.
Te half zeven in den namiddag vertrokken zij, en zij zouden in Curlewis, het station, dat het dichtst bij Yarrahappini gelegen was, ongeveer te vijf uur in den volgenden morgen aankomen. Nu het gezelschap zoo talrijk was, kon er geene sprake van zijn, billetten voor den slaapwaggon te nemen, maar in het koffernet lagen verscheidene reisdekens, en twee of drie windkussens, bestemd voor hen, die zich vermoeid mochten gaan gevoelen. Het denkbeeld, zoovele uren in den trein door te brengen, was al de kinderen heerlijk voorgekomen; geen enkele van hen behalve Judy had ooit verder dan veertig of vijftig mijl ver gereisd, en het scheen hun buitengewoon verrukkelijk toe, steeds voort te stoomen, als het donker, zou geworden zijn even goed als bij daglicht.
Maar lang voor het tien uur in den avond was verloren hunne droomen allen glans en alle bekoorlijkheid. Nell en Baby hadden eene woordenwisseling gehad over het opblazen der windkussens, en waren te moede en te kribbig, om weer vrede te sluiten; Pip had Bunby wegens de eene of andere duistere reden een tik gegeven, en kreeg twee schoppen terug; Judy had hoofdpijn, en het geraas was juist niet geschikt, om die te doen verdwijnen; Meg was moe geworden van het staren naar het duistere landschap, door hetwelk zij heengleden, en dacht er aan, of Alan zou merken, dat zij nu niet meer op de stoomboot verscheen; en de arme kleine Generaal vervulde de warme lucht met luide klaagtonen over de raadselachtige behandeling, die hij onderging, en die hij zich moest laten welgevallen.
Esther had hem zijne bovenkleertjes uitgetrokken, en een schilderijtje van hem gemaakt, door hem een roomkleurig flanellen nachtjaponnetje en een rose wollen jasje aan te trekken. En een half uur lang had hij er zich blijmoedig in geschikt, dat hij van de eene hand in de andere werd gegeven, geliefkoosd en gekust. Hij had zelfs toegelaten, dat Nell in zijne rose teentjes een voor een beet, en een geruimen tijd onzin praatte over kleine biggetjes, die naar de markt gingen, en meer dergelijke dwaze dingen uitvoerde.
Hij had bijna niet tegengesparteld, toen er eene twist was gerezen over het bezit van zijne persoon, en Bunby zich aan zijn hoofd en zijn lichaampje had vastgeklampt, terwijl Nell heftig aan zijne beenen trok.
Maar na een poosje, toen Esther op een der banken een bedje voor hem in orde gemaakt, en hem daarop had neergelegd, drongen de onaangenaamheden die hem wachtten, tot zijn bewustzijn door.
Hij had thuis een wiegje, dat op een kleinen vergulden standaard rustte, die hem altijd een lust voor de oogen was—hij kon niet begrijpen, waarom hij dat moest ontberen, en genoegen nemen met een driedubbel gevouwen reisdeken. Hij was buitendien gewend aan een gedempt licht, eene stille kamer, en een waarschuwend fluisteren van sst! sst! wanneer de een of ander zoo ver ging, geritsel te maken.
Hier flikkerde het groote, gele licht den geheelen tijd door, en elk der luidruchtige familieleden, in wier handen hij zooveel moest dulden, was niet verder dan een paar voet van hem verwijderd.
Dus verhief hij zijne stem en schreide. En toen hij tot de ontdekking kwam, dat hij door schreien zijn wiegje niet kon terugkrijgen, evenmin als de kleine, dansende kwasten van het muskietengaas, begon hij twee tonen hooger, en toen zelfs op dat oogenblik Esther hem alleen, om hem te bedaren, op den schouder bleef kloppen, barstte hij in een oorverdoovend geschreeuw uit.
Nellie liet al hare lange krullen over zijn gezichtje dansen, om zijne aandacht te trekken, maar hij pakte ze arglistig en trok er aan, tot haar de tranen in de oogen kwamen. Esther en Meg zongen wiegeliedjes tot haar keel haar begon pijn te doen. Judy probeerde in de kleine ruimte met hem op en neer te loopen, maar hij hield zich stijf in hare armen, en zij was niet krachtig genoeg om hem vast te houden. Ten laatste viel hij van uitputting in slaap, diep snikkend ademend en nu en dan een hikkend, droevig geluid makend.
Toen werd Bunby slapende op den grond ontdekt, met zijn hoofd onder eene bank, en dus moest hij opgetild worden, en in eene gemakkelijker houding neergezet; en Baby, die in een hoekje rechtop neerzat, knikkebolde als een klein rose en wit meizoentje, dat door de zonnewarmte bedwelmd is.
Een voor een verstreken de lange uren, steeds verder en verder stoof de trein met zijne roode oogen door het stille, slapende land, zwaaiende om reuzenbochten, langzamer zich tegen de steilten opwerkend, met pijlsnelle vaart door de eindeloos zich uitstrekkende vlakte snellend.
De duisternis week voor een vaal licht, en mijlen lang verhieven zich nu, eentonig, jonge gomboomen tusschen den trein en den hemel. De zon verrees, en de aarde werd liefelijk en rozig, als een kind, dat uit zijne sluimering ontwaakt. En toen kwamen de vale tinten weer terug, de teedere, trillende lichteffecten verdoofden, en de regen begon te vallen. Stroomen regen, die tegen de ratelende vensters sloegen, voortgezwiept door een snijdenden morgenwind, die van de bergen kwam gevlogen. En zij waren een afgemat, slaperig kijkend, neerslachtig achttal, toen zij te vijf uur op het perron te Curlewis uit den waggon stapten. Judy hoestte van de vochtige morgenlucht en werd snel naar de wachtkamer gebracht en in een reisdeken gepakt.
En toen werden hunne koffers en valiezen uitgeladen en de trein stoomde weer weg, en daar stonden zij nu treurig en verlaten te kijken, want het scheen wel, dat er niemand was, die hen kwam halen.
Daar weerklonk het geluid van wielen, die door plassen rolden, het knallen van eene zweep, den hoefslag van paarden en zij stormden allen weer naar voren en keken over de witte paaltjes, die het perron afsloten, naar den weg.
Zij zagen een groot, overdekt rijtuig, gemend door eene wijde, gele olie-jas, die zeker het omhulsel was van een koetsier, en nog een hoog, ander rijtuig, waarvan een zeer groote man afklom.
“Vader!”
Esther stormde naar buiten in den regen. Zij sloeg hare armen om den druipenden regenjas en eerst na een paar minuten hief zij zich weer op. Misschien was dit de oorzaak, dat hare oogen en wangen zoo vochtig waren.
“Mijn klein meisje—Esther—kind!” zeide hij, en tilde haar bijna van den grond op, toen hij haar kuste, hetgeen een zonderlingen indruk op Meg maakte, in wier oogen hare stiefmoeder eene deftige persoonlijkheid was.
Toen leidde hij hen allen snel naar de rijtuigen, vijf stapten in het eene en drie in het andere. Zij hadden nog vijf en twintig mijlen te rijden.
“Wanneer hebben jelui het laatst iets gegeten?” vraagde hij; het speet hem de neerslachtige gezichtjes van de kinderen te moeten zien. “Moeder heeft cakes en sandwiches voor jelui meegegeven, maar koffie of iets anders warms kunnen we eerst krijgen, als we thuis zijn.”
Esther vertelde hem, dat zij te Newcastle, om negen uur, het laatst koffie gehad hadden, maar dat deze zoo brandend heet was geweest, dat zij haar grootendeels niet hadden kunnen uitdrinken, en weer vlug hadden moeten instappen. De zweep werd over de paarden gelegd en zij vlogen over de modderwegen in een draf, dien Pip, niettegenstaande zijne vermoeidheid, met genoeg bewonderen kon. Maar het was toch een zeer onbehagelijke rit, en de Generaal schreide bijna onafgebroken van het oogenblik van vertrek tot zij aankwamen, zeer tot Esthers misnoegen, want zoo kon zijn grootvader, bij deze eerste kennismaking, niet den besten indruk van hem krijgen.
Ten slotte, toen iedereen begon te gevoelen, dat zijn geduld uitgeput raakte, verbrak een hoog wit hek de eentonigheid van druipend natte heggen.
“We zijn thuis!” riep Esther vroolijk. Zij liet den Generaal op hare knie dansen.
“Daar, van dat hek, viel mamaatje, toen zij drie jaar oud was,” zeide zij, en keek er vol genegenheid naar, toen Pip het open wierp.
Nog eens ging het door den plassenden regen; de wielen rolden nu zacht voort, want de weg was bedekt met natte, gevallen bladeren.
“Waar is het huis?” zeide Bunby, terwijl hij tusschen Pips arm die op den bok zat, door keek; hij zag nog steeds niets dan eene eindelooze laan van gomboomen. “Ik dacht dat je zeidet, dat wij er waren, Esther!”
“O, het woonhuis is niet zoo dicht bij het hek als op Misrule,” zeide zij. En dit was inderdaad zoo.
Vijftien minuten gingen voorbij alvorens zij de schoorsteenen konden ontdekken, toen moest er een tweede hek geopend worden.
Er vertoonde zich aan hun oog een goed onderhouden grintweg, bloembedden met palmhegjes er om, een rijkdom van rozestruiken, die vooral Meg verheugde, en twee geschoren, nu zeer natte tennisgrasvelden.
En toen het huis.
De veranda trok al hun aandacht, want deze was zoo bijzonder groot, zoo groot als eene gewone kamer, en er stonden sofa’s en stoelen, en tafeltjes hier en daar, hangmatten hingen in de hoeken, en eene dichte, groene kruipende plant met verregende vlinderbloemen slingerde zich tegen een buitenmuur.
“He!” zeide Pip. “He! wat ben ik stijf! Neen maar, wat begin je daar nu?”
Want Esther had haar zoontje op zijn knie gezet, gleed uit het rijtuig en liep de trap, die naar de veranda leidde, op. Daar stond een klein oud dametje, met eene heel groot huishoudschort voor. Esther sloot haar in hare armen, en zij kusten elkander en hielden elkander omstrengeld, tot zij beiden begonnen te schreien.
“Mijn lief klein meisje!” snikte de oude dame, terwijl zij met bevende hand Esther’s natte haren en nog natter wangen betastte.
En Bunby, die ook dadelijk uitgestapt was keek van de slanke gestalte zijner stiefmoeder naar het kleine figuurtje van hare moeder en lachte.
Esther snelde terug naar het rijtuig, nam den Generaal van Pip aan, en, weer de treden opspringende, legde zij hem in haar moeders armen.
“Is hij niet een dikkertje!” zeide Bunby, deelende in haar trots. “U moet eens naar zijn beentjes zien!”
De oude dame zat één oogenblik neer in den natsten stoel, dien zij vinden kon, en drukte hem tegen zich aan.
Maar hij balde zijne verkleumde vuistjes, vocht zich vrij, en schreeuwde om Esther.
Mr. Hassal had de rijtuigen nu ledig gepakt, en kwam de trap op.
“Zou je hun niet eens iets te eten geven, moedertje?” zeide hij, en de oude dame liet in haar schrik haar kleinzoon bijna vallen.
“Ach! ach!” zeide zij, “waar zijn mijne gedachten? Wel, wel! Dat ik daarvoor niet eerder gezorgd heb!”
Tien minuten later hadden zij allen drooge kleederen aan, en zaten in de warme eetkamer met grooten eetlust te ontbijten.
“Wat had ik een honger!” zeide Bunby. Hij had den mond vol geroosterd brood, en was bezig zijn vierde ei te openen, terwijl hij een schotel in het oog hield, waarvan het eene gedeelte met honig, het andere met geslagen room gevuld was.
“Die lieve oude borden!” Esther nam het hare op, toen zij het leeggegeten had en keek vol liefde naar de blauwe rozen, die er op geschilderd waren. “En als ik bedenk, dat den laatsten keer, dat ik er van een at, ik …”
“Een bruidje was,” zeide de oude dame, “en den sluier hadt je toen weggeslagen, en iedereen keek naar je, want je sneedt de taart. Twee zijn er sedert dien tijd maar gebroken—en, het is waar ook, Hannah, het dienstmeisje, dat gekomen is na Emily, heeft den hengsel van het suikermandje gebroken en een stuk uit de spoelkom geslagen.”
“Waar zat vader toen?” vraagde Meg. In hare gedachten bevolkte zij de kamer met bruiloftsgasten, de ham en de coteletten, het geroosterde brood en de eieren en de schalen met vruchten, waren veranderd in eene groote, hooge, witte taart met zilveren bladeren.
“Juist waar Pip nu zit,” zeide mevrouw Hassal, “en hij hielp Esther met de taart, omdat zij haar met zijn sabel sneed. Wat heb je toen een groot gat in het tafelservet gemaakt, Esther, het was mijn beste damasten met de convolvulus-bladeren, maar ik heb het natuurlijk gestopt!”
Baby had haar kop omgeworpen, en de koffie liep nu over haar heen en over haar bord en over Bunby, die naast haar zat.
Zij barstte in tranen uit van vermoeidheid, en omdat zij zenuwachtig was door al het nieuwe, dat haar omringde. Zij gleed van haar stoel en onder de tafel. Meg tilde haar op.
“Mag ik haar naar bed brengen?” zeide zij. “Zij schijnt doodelijk vermoeid.”
“Mag ik ook naar bed?” sprak Nellie, terwijl zij haar ontbijt verder liet staan en haar stoel naar achteren schoof. “Ik heb zulk een slaap!”
“En ik dan!” Bunby at in vliegende haast alles wat op zijn bord lag en stond op. “En die akelige koffie loopt in mijne laarzen!”
En dus, juist toen de zon begon te glimlachen en de tranen van den hemel weg te jagen, gingen zij allen naar bed om de schade van den onrustigen nacht in te halen, en het was zes uur en weer theetijd voor een van hen de oogen opende.