“Hij had met zijn tomahawk een of twee struikroovers gedood.”
Yarrahappini in den zonneschijn, dien zonneschijn, die den zilveren draad van den thermometer tot 100° doet stijgen!
In de verte teekende zich aan drie zijden met eene zachte blauwe lijn eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten met een rijkdom van kleuren.
Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte, en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.
En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest, en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.
Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine, oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.
Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet, die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.
Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis, dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten, door ossen getrokken wagen.
Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.
Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.
Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.
Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware, van een hangslot voorziene deur.
“O, laten we daar eens ingaan,” zeide Nell, aangetrokken door de grootte van het hangslot; “het ziet er uit als een huis, waarin schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in, grootmamaatje?”
Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen—de zes kinderen in een troepje, mevrouw Hassal, die zij allen “grootmamaatje” noemden, zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.
“Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet,” zeide de oude dame, “hij bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd, kinderen, alsjeblieft!”
“Zulk een beschaafd man,” zeide zij zachtjes tot Esther, “zoo knap, zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk.”
Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als hare korte beentjes het haar veroorloofden.
“Binnen!” zeide eene stem, toen zij klopten.
Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote, magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.
Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels, als hij er niet tegen had.
Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar het gevraagde zocht.
Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had verlaten, in het groote woonhuis.
Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. “Ik was bang, dat ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had,” zeide hij. “De middelste past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee kisten, en de lange stalen voor de kast.”
“Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord hebben!” zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.
Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans, dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen—ten minste hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.
Judy’s lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets schilderachtigs.
Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk een koor van “o’s!” en “hè’s!” rees er op uit de kinderen.
Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien; naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur alleen in deze groote kamer geweest.
En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol—het zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen zij er haar naar vraagden.
Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.
“Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!” zeide de oude dame. “Wel, ik zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken, evenmin als gekochte zeep!”
Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien, en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.
Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. “Dit zijn schapenhammen,” zeide zij, wijzende naar een gedeelte. “Die heb ik voor de drijvers.”
Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.
“Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners, die iederen dag hier werken—het is, alsof men een leger voedt, kinderen!” zeide zij. “En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui allen genoeg voorraad te hebben—vooral voor Bunby.”
Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar dien kleinen jongen keek.
“U kan ze terugkrijgen,” zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. “Ik had niet gedacht, dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar eene flesch vol thuis.”
Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte, en zijne handen met vijgen en dadels vulde.
“En moet u iederen dag voor al die mannen koken?” zeide Meg, benieuwd welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.
“Neen, schatje!” antwoordde de oude dame. “Wel neen! Iedere man zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee, suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander.”
“Waar bewaart u de wol en zulke dingen?” zeide Pip, wiens geest zich verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; “ik kan geen enkele loods of iets dergelijks ontdekken.”
Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden, bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.
Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.
Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen, maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin diertje, met zachten, satijnachtigen neus.
Meg vraagde om een “heel erg mak” op fluisterenden toon, zoodat Judy en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn, en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen rond te leiden.
Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa; zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van dichterbij te bekijken.
“O, hoe jammer!” riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne lange, vuile, gehavende vachten zag.
“Wacht maar een tijdje, vrouwtje!” zeide Mr. Hassal. “Wacht maar, tot dat wij ze baden!”