“Een ontzaglijk groot zwart dier holde met een gebrul, dat den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek.”

“Een ontzaglijk groot zwart dier holde met een gebrul, dat den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek.”

HOOFDSTUK XVII.

DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.

“De wilde stugge kudde te drijven in de omheining …

Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ….”

Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst, daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest, nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had hem het “aardigste, bovenste beste geweertje” gegeven, en Tettawonga was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid, dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.

“In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden, naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!”

Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk, dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had, door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met zijne uitvallen voort.

Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag, en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden van drift.

“Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!”

Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem den draak gestoken werd, en zeide hem boos: “zijn zottepraat voor zich te houden.”

Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining, waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat Mr. Hassal belette rijk te worden.

Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.

Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid en geluk.

En nu was er de vee-drijfjacht!

Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.

Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn—het werd zelfs in twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.

Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed, dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.

Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude, saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes in de scheede te bergen.

Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht, evenals Mr. Hassal’s prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat, twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood hij Pip aan.

Het gelaat van den jongen gloeide. “Hoera, Fizz!” riep hij uit, en hij stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. “Wat zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?”

Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.

Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden, en daar heerschte de grootste opgewondenheid.

Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.

Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.—Wat een hoorns!—groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.

In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te zien bezwijken.

Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit, om dit voorbeeld te volgen.

Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok naar het midden terug, den kop druipend van bloed.

Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek; de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen, om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.

Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit, langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen, en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep achter zich terugdringend.

In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.

Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns, huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was binnen de derde omheining geborgen,—eene lange, nauwe ruimte met eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.

Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns, de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten, gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten in een afzonderlijk perk gebracht worden.

De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen, en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.

Pip at genoeg gezouten vleesch en ander voedsel om hem half dood te maken, dronk meer thee dan waarover hij ooit beschikt had op één avond in al zijn veertien jaar, slingerde zich in zijn zadel, daarbij den oudsten drijver zoo goed mogelijk nadoende, en bedacht, dat als hij slechts eene zwarte, leelijke pijp zooals Tettawonga en de andere mannen kon hebben, zijn geluk volmaakt en hij een man geworden zou zijn.

Hij kwam thuis “zoo moe als een hond”, en vermaakte zijne zusters en Bunby met een levendig verhaal van de gebeurtenissen van den dag, terwijl hij breedvoerig uitweidde over zijne eigen kracht en de menigvuldige gevaren, waaraan hij ontsnapt was.

Den volgenden dag reden Esther en Judy met de anderen naar de omheinde grasvelden om vee te zien wegdrijven.

De besten van het gedeelte, die Mr. Hassal alleen verlangd had af te scheiden, niet te verkoopen, waren door het hek naar buiten gedreven, terug naar hunne vroegere velden en weiden.

De “landopeters”, een honderd vijftig stuks, met een half dozijn drijvers, gezeten op de beste paarden der bezitting, die voor hen uitgezocht waren, werden bevrijd uit hunne opsluiting, in een toestand van waanzinnige woede, met veel geklap van zweepen en gegil, samengedreven tot eene kudde, en over de vlakte voortgejaagd in de richting van den weg. En een uur of twee later werd de beste troep slachtvee weggeleid, en wederom heerschte er rust op Yarrahappini.

Gedurende de twee dagen van opwinding hadden alle kinderen omtrent hunne toekomst een besluit genomen. Zij hadden allen beroepen gekozen van landelijken aard.

Pip was van plan drijver te worden en vee te merken en kudden op te jagen, zijn geheele leven door. Judy besloot zijn aide-de-camp te zijn op voorwaarde, dat hij haar in het zadel liet blijven, en haar eene even lange zweep als hij had, verschafte. Meg dacht, dat het haar wel zou aanstaan, den rijksten squatter van Australië te trouwen, en den Gouverneur en den Premier te logeeren te krijgen voor jachtpartijen en dergelijke dingen, en bals te geven, waarheen alle menschen uit honderd mijlen in den omtrek zouden komen. Nell besloot, dat zij zeep en kaarsen, zoowel gekleurde als ongekleurde zou maken, als zij tot de jaren des onderscheids zou gekomen zijn, en Baby had grooten zin kampen vol lieve lammertjes te houden, die nooit schapen werden.

Bunby geraakte over geen dezer plannen in vuur.

“Ik zou liever willen zijn, zooals Mr. Gillet!” zeide hij, en zijne oogen keken droomerig.

“Daar zou ik voor danken. Geen boeken en cijfers! Geef mij een gedeelte van Salt Bush, en eenige duizenden schapen!” zeide Pip.

“Hoor hij, hoor hij!” riep Judy er tusschen.

“Ezels!” zeide Bunby op een toon van groote minachting. “Bewaart Mr. Gillet niet de sleutels van het magazijn?—denk dan toch eens aan de krenten en vijgen!”