“Zij stond op om hare stijfgeworden beenen te ontspannen en poogde zelfs een pas-de-seul uit te voeren.”

“Zij stond op om hare stijfgeworden beenen te ontspannen en poogde zelfs een pas-de-seul uit te voeren.”

HOOFDSTUK XVIII.

DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO.

Esther was naar een bal gegaan, niet in eene lichte japon met groote pofmouwen, met lagen hals, verrukkelijk schoon onder haar châle en kanten, niet door den duisteren nacht naar eene zee van licht en liefelijke muziek.

Zij was gegaan, in het heldere licht van den morgen, in eene linnen japon met lichtblauw overhemd, een matrozenhoedje, en eene reisvoile.

Onder den bok, waarop Mr. Hassal zat, stond eene doos, waarin zich eene mooie japon bevond van lichtgele zijde, opgemaakt met luchtig chiffon. En daar waren gele schoenen en kousen, een veeren waaier in eene hoedendoos op haar schoot, en een keurige onderrok met sleep, versierd met allerliefste strookjes, die Meg hartelijker dan ooit deed verlangen, groot te zijn. Maar geen van deze dingen zou nog in de eerste uren worden gebruikt.

Het bal had plaats in eene woning, die de kleinigheid van vijf en vijftig mijlen ver van Yarrahappini gelegen was, en dus had zij natuurlijk tamelijk vroeg moeten vertrekken, om zich op haar gemak te kunnen “mooi maken” zooals Pip dit noemde.

De kinderen zouden, als eene vergoeding daarvoor, dat zij aan dit genoegen geen deel konden nemen, onder elkander een buitengewonen picnic mogen houden.

In de eerste plaats was de plek, die zij daarvoor uitgekozen hadden, veertien mijlen ver; in de tweede plaats zou de reis daarheen niet in alledaagsche rijtuigen of op gewone paarden gemaakt worden, maar op een sleeperswagen, getrokken door een span van twaalf ossen.

Een grenswachter had gemeld dat een prachtige gomboom, dien zij lang den Koning der Koree’s genoemd hadden, door eene hevige windhoos omgewaaid was geworden, en Mr. Hassal beval dadelijk dat, hoe groot de moeite ook zijn zou, hij weggehaald moest worden om eene soort van dam dwars door het riviertje te Krangi-Bahtoo, de plaats, waar men den picnic wilde houden, te vormen. De gevallen woudreus lag twintig mijlen van het woonhuis, en zes mijlen van Krangi-Bahtoo; en de afspraak was, dat de wagen het gezelschap veertien mijlen ver zou rijden, dan den boom zou halen, en hem bij het riviertje brengen, waar hij voorloopig kon blijven liggen, en vervolgens de kinderen in de koelte van den avond weer als rijtuig zou dienen.

Wanneer het niet zijn plan geweest was zijne dochter op het bal te vergezellen, zou Mr. Hassal zelf gegaan zijn om een oog op de werkzaamheden te houden. Nu vertrouwde hij echter den grooten kar aan vier mannen toe, en gelastte hun, een paar helpers te gaan halen, wanneer zij aangekomen zouden zijn.

Krangi-Bahtoo—of Eendenwater, zooals wij, minder welluidend, zouden zeggen—was de naam van den oorsprong van het riviertje, dat den grond uitholde en een poel vormde, tot het zich juist op dit punt een weg begon te banen, tusschen steile rotsen door en losse steenen, waar de kangoeroes dartelden en met de jagers verstoppertje speelden, terwijl het beschaduwd werd door blauwe gomboomen en roode gomboomen, die zich in den blauwen hemel daarboven schenen te verliezen.

Tettawonga had verteld van een geest, die daar woonde, waar het borrelende water een vijver vormde, een diepen schoonen vijver, welks oevers door fijne varens sierlijk omlijst werd, en welks waterspiegel de zware, dichte boomen, die hem als met een gordel omgaven, weerkaatste.

Het water had daar leven gebracht, de zwarte zwaan bouwde zijn nest tusschen het grasachtige riet, de wilde eend nam in zig-zag lijnen zijn vlucht. In de boomen huisden de orgelvogel, de glansspreeuw, eenige soorten van paradijsvogels, en vervulden de lucht met geluiden, hoewel dan ook niet met liefelijk gezang. En de bruine, de zwarte, en eene menigte andere vergiftige slangen gleden kronkelend tusschen de gevallen bladeren en het gras, en hielden zich gereed, elken indringer te ontvangen. En zoo kwam het, dat er eene voorwaarde verbonden was aan den picnic, die den kinderen overigens zoo van harte gegund werd.

Een ieder mocht medegaan, en mocht op den ossenwagen meerijden, maar de picnic moest op eenigen afstand van het ravijn gehouden worden en niemand had verlof zich daarheen te begeven, op straffe van oogenblikkelijk terug naar Sydney gezonden te worden.

Zij beloofden allen, dit bevel te zullen opvolgen. Mevrouw Hassal, nietig als zij was, verstond de kunst, zich onvoorwaardelijk te doen gehoorzamen.

Toen werd er een ongelooflijk aantal manden, volgepakt met allerlei heerlijke eetwaren, op den wagen gezet.

Mr. Gillet zou medegaan, om de kinderen niet geheel onder elkaar te doen zijn, en om op te passen dat niemand een zonnesteek kreeg.

Hij had Heine in den eenen zak als voorbehoedmiddel tegen de verveling, die deze lange, ongewone dag misschien zou meebrengen; een zwaarlijvigen, uitpuilenden Tennyson in den anderen, en een pak Engelsche couranten onder zijn arm, toen hij op den wagen klom, waar alle zeven reeds gezeten waren. Alle zeven? Zeker.

Judy had zonder den Generaal niet van de partij willen zijn, en had gezegd “met haar leven er voor te zullen instaan,” dat hem geene ongelukken zouden overkomen.

Mr. Gillet keek bijna verstoord, toen hij het geheele troepje aanwezig vond, zonder dat de tot ondeugendheid neigenden thuis bleven, of iemand anders buiten hem zelven mee ging, die eenig gezag kon uitoefenen. Een oogenblik twijfelde hij, onder de gegeven omstandigheden, aan zijn persoonlijk overwicht.

Judy ving den weifelenden blik op.

“U zegt bij u zelven een gedicht op, Mr. Gillet!” zeide zij.

“Ik?” sprak hij, en keek verwonderd. “Werkelijk niet. Waarom denkt u dat, Miss Judy?”

“Ik kan het duidelijk hooren!” zeide zij. “Uwe oogen vertellen er van, en uw linker oor, om niet te spreken van de punten van uw snor.”

“Judy!” riep verwijtend Meg, die door de eene of andere omstandigheid buitengewoon stil was.

Hij wendde voor, boos te zijn—sloot zijne oogen, hield zijn linker oor vast, en bedekte zijn snor.

“Wat zouden ze kunnen zeggen?” sprak hij.

““O, dat ik was waar ’k wilde zijn!

Dan was ik niet, waar ik nu ben;

Maar waar ik ben, daar moet ik zijn,

En waar ik ’t wilde, kan ik niet.”

Meg, ik verzoek je vriendelijk uit te scheiden, met op mijne teenen te trappen!”

En zoo werd Mr. Gillet zelfs vroolijk en spraakzaam, om te toonen, dat hij zich amuseerde, en de ossen werden aangestoken door den opgewekten geest, die achter hen heerschte, en bewogen zich een klein weinig sneller voorwaarts dan slakken. Toen zij ongeveer tien mijlen ver gekropen waren, begon de langzame beweging en de hitte, die op hen neerviel, hen een weinig te kalmeeren.

“Als er niet iemand is, die een liedje zingt, of een verhaal vertelt, of iets voordraagt, of een grapje vertoont, dan stap ik uit en prik de ossen met mijn hoedenaald!” zeide Judy.

Zij stond op om hare stijf geworden beenen te ontspannen, en poogde zelfs een pas-de-seul uit te voeren, maar een gleuf in den weg was oorzaak, dat aan hare bewegingen alle bevalligheid ontbrak. Zij viel weer op den wagen neer.

“Hoe zou u het vinden, als ik u eens eenige gedichten voorlas, Miss Meg?” zeide Mr. Gillet.

Zijne hand tastte naar zijn zak, de groote, zware Tennyson werd te voorschijn gehaald; maar Judy en Pip en Bunby en Nell en Baby deden een kreet van verontwaardiging hooren.

“Dan zou ik nog liever uit willen stappen en de ossen en alles voortslepen!” zeide Pip; dus werd het boek weer weggeborgen.

“Een verhaaltje over het een of ander,” zeide Judy,—“over een koekoeboerra, als u niets beter verzinnen kan!”

Zulk een vogel—met een deftig, geheimzinnig uiterlijk—zat op eene haag aan den kant van den weg, en zoo kwam juist hij Judy in de gedachten.

“Wel, u zou een vervelender verhaaltje kunnen hooren dan dat wat ik ken over den koekoeboerra, of goboerra of landmansklok—of hoe u hem wil noemen,” zeide Mr. Gillet, en streek peinzend langs zijn snor; “maar eigenlijk is Tettawonga de man, om deze oude legenden te vertellen; wat ik u zal mededeelen, is dus maar een verhaal uit de tweede hand, en vrij vertaald.”

Judy zette zich tot luisteren, en wiegde den Generaal heen en weer, om hem stil te houden.

“Wacht even tot ik deze vrucht naar hem heb geslingerd”—zeide Pip, haalde er een uit zijn zak, en verdreef den vogel van de haag. “Hij mocht eens de leugens, die er over hem verteld worden, hooren en zich gekrenkt gevoelen.”

“Voor vele, vele jaren,” Judy trok den neus op bij dit ouderwetsche begin, “voor vele, vele jaren,” zeide Mr. Gillet, “toen dit jonge land nog jonger was, en onvergelijkelijk veel schooner, toen Tettawonga’s voorvaderen dapper en sterk en gelukkig waren als zorgelooze kinderen, toen hun verschrikkelijkste droom hun nog nooit van een tijd had doen droomen zoo verschrikkelijk als de blanke man over hun ras zou brengen, toen—”

“O, spaar ons de inleiding!” pruttelde Pip ongeduldig.

“Toen,” vervolgde Mr. Gillet, “om kort te gaan, een Gouden Eeuw dit land in zijn zonneschijn hulde, spreidden een jonge koekoeboerra en zijn wijfje de vleugels uit, en vertrokken naar de purperen bergen aan gene zijde der gomboomen. Iederen nacht en iederen dag hielden zij eenigen tijd rust, om zich met wormen, hagedissen, boschmuisjes en rupsen te voeden, hetgeen toen het eenige voedsel was der koekoeboerra’s. Op een dag, toen zij over een bilwy vlogen—wat een klein stroompje is, Miss Judy—waren zij zeer verschrikt, toen zij een wipparoo—de naam, dien Tettawonga aan eene slang geeft, Pip—over een steen zagen liggen. Hare kop was opgeheven, haar mond wijd open, en haar nek zeer opgeblazen, en juist boven den kop van het monster fladderde, angstig klapwiekend en piepend, een mooi klein vogeltje, dat de koekoeboerra dadelijk herkende als zijnde de jeeda, het kleine blauwe winterkoninkje.

“De wipparoo scheen al het mogelijke te doen, om het aardige kleine diertje, dat van vrees en opwinding bijna uitgeput was, angstig te maken. Het vloog steeds naderbij, staarde onafgebroken in de glinsterende oogen der slang, en ten laatste, met een doordringenden schreeuw, viel het hulpeloos in zijne gapende kaak. De koekoeboerra’s waren zeer bedroefd, toen zij het treurige uiteinde van de arme jeeda zagen, en vlogen vlug weg uit het gezicht van de vreeselijke wipparoo. Weldra zagen zij haar echter haastig door het gras glijden, zonder twijfel op weg naar haar hol na het uitgezochte maal. Zij kwam langs een blok hout, dat langzaam lag te branden, en zoodra de wipparoo dit ontdekt had, legde zij zich, daar zij zeer moede was, er naast neer, en sliep den slaap des onrechtvaardigen.

“In haar droom zag zij de jeeda weer boven zich fladderen, en plotseling haar kop ver omhoogstrekkende, opende zij haar vreeselijke kaken—toen eensklaps het mooie, blauwe vogeltje er zich uit bevrijdde, en ongedeerd vlug weg vloog.”

“Heb ik van mijn leven!” zeide Bunby. “Ga voort; die was nog handiger dan Jonas!”

“De koekoeboerra’s waren zoo verheugd, toen zij de wonderbare redding van de jeeda zagen, dat zij in een luid gelach uitbarstten—de eerste keer, dat een vogel gelachen heeft. Toen zonk de groote, roode zon, die Tettawonga en alle Koree’s, Euroka noemen, weg achter de oranje getinte bergen, en de wereld werd grijs.

“Een slanke, jonge Koree, die kwam aanwandelen, zag de wipparoo, en met een slag van zijn sterke nulla-nulla, dat, vertaald, een knots is, scheidde hij haar kop van haar lichaam.”

“Ik zou haar om mijn hoofd gezwaaid en haar rug verbrijzeld hebben, zooals Tettawonga doet!” zeide Pip. “Weet u zeker, dat hij het ook niet zoo deed, Mr. Gillet?”

“Daar zou ik niet gaarne een eed op moeten doen,” zeide deze heer, “aangezien de Koree het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft, en dus niet als getuige kan opgeroepen worden. En verder: de koekoeboerra’s sluimerden den geheelen nacht in een dichtbijzijnden boom; maar toen de zon weer begon haar boog langs den hemel te beschrijven, ontwaakten zij met een lach op hunne lippen—snavels moest ik zeggen, Miss Judy—want zij dachten er aan, hoe de jeeda aan de onbarmhartige wipparoo ontsnapt was. En sedert dien tijd, zoo sterk werkte dit voorval op hunne lachspieren, bij zonsopgang en zonsondergang, en ook wel eens tusschen dien tijd, barsten deze vreemdsoortige vogels in het lachen uit, dat u allen goed kent, en wanneer zij eene slang zien, pakken zij haar met hunne sterke bekken en dooden haar, als de Koree deed.

“Miss Meg, die zilverachtig groene gomboom voor u, duidt Eendenwater aan.”

Wat waren zij verheugd eindelijk te kunnen opstaan en hunne ledematen op den grond uitstrekken. Niemand van hen had gedacht, dat met een ossenspan rijden zoo vervelend, saai en ongemakkelijk was, als het na de eerste paar mijlen bleek te zijn.

Toen zette de wagen zijn weg voort.

“Ik ben benieuwd of zij terug zullen zijn vóór zonsondergang, als zij niet wat vlugger voortmaken,” zeide Mr. Gillet; “het is nu tijd voor den lunch.”

Zij bevonden zich op een groot grasveld, dat aan eene zijde plotseling naar het ravijn en het moerassige land afdaalde, hetwelk bekend was onder den naam van “Eendenwater.”

Groote boomen wierpen hun schaduw aan den eenen kant, en langs den anderen bevond zich de omheining van prikkeldraad, die aantoonde, dat zij zich nog niet van Yarrahappini verwijderd hadden; verder op stond de eenzame hut van een der drijvers.

Zij gingen gezamenlijk naar hem toe, om hem te spreken en om zijne eenzame woning te zien, vóór hij zich bij de mannen met den kar zou gevoegd hebben.

Zij kwamen in eene kleine kamer, met een grooten haard en een schoorsteen, waaraan een pan, een ketel, een kop en een lepel hingen. Er stond een leger in eenen hoek, met een paar blauwe dekens er op, eene houten tafel en een stoel in het midden van het vertrek. Bij den haard was eene ruwe kast tegen den muur bevestigd. Zij was van eene oude zeepkist gemaakt, en bestemd, om levensmiddelen te bergen. Aan een spijker in de lage zoldering hing een zak van muskietengaas, en de gonzende vliegen, die hem omgaven, gaven te kennen, dat hij vleesch bevatte. De muren waren behangen met menig nummer van Het geïllustreerde Nieuwsblad van Sydney en De Courant voor Stad en Land, een courant van een maand oud lag op den stoel, waar de eigenaar hem had neergeworpen.

De drijver was eene studie in bruine tinten: bruine, droomerige oogen; bruin, stoffig haar; eene bruine, door de zon uitgedroogde en verschrompelde huid, een bruine, onverzorgde baard, eene bruine broek van geribd fluweel, en eene bruine jas.

Zijne pijp was evenwel zwart—zij zag er uit, alsof zij minstens twintig jaar was gebruikt geworden.

“Zou u niet liever dichter bij het woonhuis willen zijn?” vraagde Meg. “Is het hier niet eenzaam?”

“Daar merk ik niets van,” zeide de bruine man tot zijne pijp of zijn baard.

“Wat voer je wel uit als je niet in de velden bent?” vraagde Pip.

“Rooken,” zeide de man.

“Maar Zondags, en ’s avonds?”

“Rooken,” zeide hij.

“Op Kerstdag,” zeide Baby, vooruitdringend om dezen vreemden man te zien, “wat doet u dan?”

“Rooken,” antwoordde hij.

Judy wenschte te weten hoe lang hij in het kleine huis gewoond had, en allen stonden versteld toen zij hoorden, dat hij zeven jaar lang daarin den meesten tijd had doorgebracht.

“Verleer je wel eens niet het praten?” zeide zij met eene stem, waaruit schrik en verbazing spraken.

Maar hij antwoordde kalm zijn baard dat er toch altijd de kat was.

Baby had haar reeds gevonden onder de petroleum-aetherkan, die als emmer dienst deed, en het dier had haar op drie plaatsen gekrabd: bruin, als haar baas, had zij kwaardaardige oogen, groote snorren en was mager als een hout; maar eene genegenheid, die reeds jaren bestond, verbond die beiden.

Mr. Gillet deelde hem Mr. Hassal’s verlangen mede, dat hij de andere mannen zou vergezellen en bij den boom helpen.

Hij trok een bruinen hoed over zijn voorhoofd en begaf zich naar den ossenkar, die den kronkelenden weg opgekropen was tot bij den heuveltop.

“Water van de ton, is dichterbij dan de rivier!” sprak hij tot zijne pijp voor hij heenging, en zij vonden zijn watervoorraad en vulden hun ketel voor den lunch.

De gebraden kippen en eendvogels van mevrouw Hassal smaakten uitstekend, hoewel de zon haar best deed, ze zelfs op de schotels nog te braden. En de appeltaart en abrikozengebakjes verdwenen snel, en van de vruchtensalade, welke uit twee hermetisch gesloten flesschen te voorschijn kwam, bleef geen lepelvol over.

Mr. Gillet had alles medegebracht om een meelkoek te bereiden, op uitdrukkelijk verzoek, en maakte na den lunch daartoe aanstalten, opdat zij den koek bij hun thee ’s middags zouden kunnen nuttigen.

De koek werd zonder twijfel bewonderenswaardig vlug klaar gemaakt.

Mr. Gillet schudde eenvoudig eenig meel uit een zak op een bord, voegde daar een weinig zout en wat water bij; toen kneedde hij dit alles, vormde van het deeg een koek, en legde dezen op de asch van het vuur, waarna hij hem met de warme, witte asch bedekte.

“Hoe vies!” zeide Nell, en trok haar mooi neusje op.

Maar toen hij gaar was, en Mr. Gillet hem opnam en de asch verwijderde—zie! toen was hij luchtig en licht en prachtig wit.

Dus aten zij hem, en spraken vol geestdrift af, bij iederen volgenden picnic in de grasvelden van Misrule zulk een koek te maken.

Zij vulden twee borden met eetwaren en zetten deze in de kast van den bruinen man en Mr. Gillet legde zijne ongelezen Engelsche couranten op den stoel naast de kast.

“Die courant is een maand oud,” zeide hij, ootmoedig, ziende dat Meg voor de eerste maal dien dag, hem glimlachend aankeek.