“Zij bedekte haar gelaat met hare handen.”
“Zij in haar maagdelijke schoonheid
Als een heiligenbeeld zoo rein—
Hoe zouden die smarten en zonden,
Voor haar gevaarlijk ooit zijn?”
Aanleiding tot de omstandigheid, dat onze aanminnige, bleeke Margaret karig met hare glimlachjes was geweest, had dezelfde man, die alleen ze miste, gegeven.
Eene warme vriendschap was in deze maand ontstaan tusschen het kleine, bevallige meisje, dat met zulke heldere, blauwe oogen eene toekomst tegemoet zag, die, dit gevoelde zij, schoon moest zijn, en den man, welke zooveel doorleefd had, welke terug kon staren op een verleden, dat zwart en treurig was door zijne eigen schuld.
Hij reed iederen dag met de meisjes uit, omdat mevrouw Hassal het niet aangenaam vond, wanneer zij verre afstanden alleen aflegden; en daar Judy haar paard zelden stapvoets liet loopen, en Meg het hare niet kon laten galoppeeren, was het natuurlijk, dat hij den geheelen tijd door aan de zijde der bedaarde en vreesachtige rijdster bleef.
“U herinnert mij aan een zusje van mij, dat gestorven is!” zeide hij eens langzaam tot Meg, na een vertrouwelijk gesprek. “Misschien, als zij nog in leven was, zou ik nu niet zoo verachtelijk zijn!”
Megs gelaat overtoog een hoogroode blos, en pijnlijk ontroerd keek zij voor zich. Het kwam haar vreeselijk voor, dat hij zou weten, dat zij niet onkundig was van zijne afdwalingen.
“Wie weet, of zij niet om u lijdt!” fluisterde zij zoo zacht, dat hij haar nauwelijks verstaan kon, en toen deed hare vermetelheid haar verbleeken, en zij liet haar paard een weinig sneller loopen, om hare verschrikte blikken te verbergen.
Op den terugweg viel het lichtblauwe haarlint, dat haar vlecht hield samengebonden, op den grond. Hij steeg af, en raapte het op. Meg strekte hare hand er naar uit, maar hij maakte den strik los, en wond het langzaam om zijne groote hand.
“Mag ik het houden?” zeide hij met zachte stem. “Als mijn blauwe lint? Ik ken de voorwaarden, waartoe men zich daardoor verbindt.”
“Als u daaraan zou willen denken—o, als u dat wilde …” zuchtte Meg meer, dan dat zij het sprak. Toen kwam Judy aangegaloppeerd, en zij reden alle drie naast elkander naar huis. Het maakte haar zoo gelukkig gedurende de warme, lange dagen, die nu volgden; voor een meisje, dat juist het leven binnentreedt, kan er geen reiner, dieper gevoel van vreugde bestaan, dan dat wat haar geschonken wordt door het bewustzijn, dat zij een invloed ten goede uitoefent op een man of eene vrouw, ouder dan zij zelve, bezoedeld en levensmoede. Arme kleine Meg! In hare liefelijke, zonnige droomen had zij haar grooten protégé gezien als wederom zijnde een man onder mannen, met opgeheven hoofd zijne plaats in de wereld innemende, terugkeerende naar het moederland en de jonkvrouw afhalende, die volgens hare vruchtbare verbeeldingskracht daar geduldig op hem wachtte; en, dit alles omdat zij, Meg Woolcot, zich zijner had aangetrokken, en hem den weg had gewezen, dien hij moest volgen.
En toen ging zij zich in een hangmat in de veranda aan de achterzijde van het huis wiegen, en al hare luchtkasteelen stortten in, en kwetsten en verwondden haar in hun val.
Achter haar bevond zich eene dichte kruipende plant, en door de takken en bladeren heen kon zij Tettawonga hooren praten met de keukenmeid.
“Mr. Gillet weer aan den gang!” zeide hij, en grijnsde met den kant van zijn mond, waar de pijp niet was. Meg hief zich in doodelijken schrik op. Sedert zij te Yarrahappini was, had zij deze uitdrukking te dikwijls met betrekking tot werklieden van de bezitting hooren gebruiken, om niet te weten, dat daaronder een aanval van hevige drankzucht verstaan werd.
“Goede hemel! Dat verwondert me niets!” zeide de dienstbode. “Hij is den laatsten tijd veel te matig geweest; ik denk, dat hij geprobeerd heeft nuchter te blijven zoolang de logés er zijn, maar dat kan hij toch niet volhouden! Wie heeft nu de sleutels?”
“Mevrouw Hassal,” zeide hij. “Jij haar gaan helpen—hij zal vandaag wel niet naar de magazijnen omzien, Mr. Gillet—hi, hi, ha, ha!”
Dat was er dus met hem gebeurd in die drie dagen, gedurende welke zij hem niet gezien had! Zij had gehoord, dat hij in opdracht van Mr. Hassal naar de naastbijwonende buren gereden was, maar had er niet aan gedacht, dat hem zoo iets zou overkomen zijn. Den vijfden dag had zij hem in de verte gezien, eens, toen hij uit de magazijnen kwam en eens toen hij buiten zijne eigen deur stond te rooken, en geen van beide keeren had zij iets buitengewoons aan hem waargenomen, alleen misschien, dat zijne schouders iets meer gebogen waren.
Den zesden dag had de picnic plaats.
Even luchthartig en vroolijk als de anderen kon zij niet zijn, nu zij zoo teleurgesteld, nu haar vertrouwen in de menschen zoo geschokt was.
Wat was hij zwak, dacht zij; hoe karakterloos! Al haar medelijden had plaats gemaakt voor eene jeugdige, diepe verontwaardiging.
Zij had hem ternauwernood hare hand gereikt, toen zij elkander in den morgen ontmoet hadden, en was gedurende den langen rit opzettelijk koud en uit de hoogte tegen hem.
Na den lunch geraakte het gezelschap verspreid. Judy nam den Generaal en ging met hem naar den kant der boomen; Pip en Bunby hielden zich bezig met sprinkhanen vangen; Baby en Nell plukten wilde bloemen. Meg knielde neer om de lepels en vorken in te pakken en de overgeschoten eetwaren weer in de manden te leggen, om ze voor de mieren te beveiligen.
“Dat zal ik wel doen—u ziet er zoo warm uit, Miss Meg; blijf u maar kalm zitten!” zeide Mr. Gillet.
“Dank u, ik wil het liever zelf doen,” antwoordde Miss Meg, met ijskoude kalmte.
Zij keek hem niet aan, maar hare lippen stonden zoo strak, dat hij kon vermoeden hoe toornig de blik harer heldere, blauwe oogen zijn moest.
Hij bood niet nogmaals zijne diensten aan, maar bleef haar met eene raadselachtige uitdrukking op het gelaat aan zitten staren, terwijl zij het een en ander inpakte. Toen zij bijna gereed was, haalde hij iets uit zijn zak te voorschijn.
“Dit moet ik u terug geven,” zeide hij, en overhandigde haar het blauwe lint, keurig opgevouwen, maar daar, waar het gestrikt was geweest, kreukels vertoonende.
Zij nam het aan zonder hare oogen op te slaan, verkreukelde het in hare hand, en stak het in haar zak.
“Ik had bijna gehoopt, dat u het mij zou hebben laten behouden, ondanks alles”—zeide hij, “als een talisman voor de toekomst, maar uwe lippen zijn te streng, Miss Meg, dan dat ik deze hoop langer zou kunnen koesteren.”
“Het zou even vruchteloos zijn, als het geweest is!” antwoordde zij stijf. Maar hare handen bewogen zich zenuwachtig, en zij pakte de resten van een ham en van een confiturentaart samen in een mand.
“Dus behoef ik mij geene illusies te maken?” zeide hij.
“Het zou tot niets leiden!” herhaalde Meg, terwijl zij sinaasappels en bananen met eene verhoogde kleur opraapte.
Hij begrijpt niet, hoe slecht hij geweest is, hij denkt, dat alles maar dadelijk vergeven en vergeten moet zijn, dacht zij.
Hij ledigde langzaam den trekpot op den grond, sloot hem met zijn zwart geworden deksel, en bond er eene courant om heen. Toen keek hij weer naar haar, en de wijze, waarop haar zijdeachtig haar op haar voorhoofd viel, deed hem aan zijn gestorven zusje denken.
“Ik smeek u mij het lint terug te geven, Miss Meg!” zeide hij.
Megs hart en hoofd kampten een hevigen strijd; haar hart was gevoelig en warm, en zeide haar, het lint te voorschijn te halen, en het hem dadelijk te geven; het hoofd sprak, dat hij zwaar gezondigd had, en dat zij hem haar misnoegen moest laten blijken, zelfs wanneer zij hem ten laatste zijn verzoek zou toestaan. Het hoofd behaalde de overwinning.
“Mijn invloed is klaarblijkelijk vruchteloos,—dat eindje lint zou in de toekomst toch niets baten!” zeide zij zeer koud.
Hij leunde tegen den boom en gaapte, alsof het onderwerp hem verder geene belangstelling inboezemde.
“U heeft gelijk!” zeide hij.
Meg had min of meer een gevoel van verslagenheid.
“Als u werkelijk veel aan het lint gelegen is, kan u het natuurlijk hebben!” zeide zij uit de hoogte.
Zij nam het uit haar zak, en reikte het hem toe.
Maar hij deed geene poging het aan te nemen.
“Behoud het en bind er uw haar weer mede vast, juffertje!” zeide hij. “Inderdaad, ik geloof ook niet, dat het van eenig nut zou zijn.”
Meg ging met gloeiende wangen voort, alles, op te bergen, en hij stopte zijne pijp en rookte, en sloeg haar al dien tijd lui gade.
“Het is wel vreemd,” zeide hij, meer alsof hij bij zich zelf eene opmerking maakte, dan dat hij tot haar sprak, “maar de vrouwen, die er het zachtst uitzien, zijn bijna altijd het hardst.”
Meg opende haar mond om te spreken, maar vond geene woorden, dus sloot zij hem weer, en begon voor de vierde maal Mevrouw Hassal’s vorken te tellen.
“Zou u het mij kwalijk nemen, Miss Meg, als ik u een raad gaf, in ruil voor alles, wat u voor mij deed?” zeide hij, nam zijne pijp uit zijne mond en keek naar het zilveren beslag, alsof hij de daarop gegraveerde letters wilde ontcijferen.
“Zeker niet!”
Zij legde het pakje neer en keek met kalme, verwonderde oogen tot hem op. “Zeg wat u wil, ik zal het gaarne aanhooren.”
Hij ging rechtop zitten, en speelde met het uiteinde van een riem, terwijl hij sprak.
“U heeft broers,” zeide hij, “eens zullen zij dingen doen, die minder goed zijn,—want alleen vrouwen als u, Miss Meg, en engelen kunnen altijd het rechte pad blijven bewandelen. Wees niet te hard voor hen. Doe geene poging, om hen het onderscheid te laten merken tusschen uwe deugd en hunne verdorvenheid. Zij zullen het duidelijk genoeg zien, maar het zal hun niet aangenaam zijn, als gij er hen opmerkzaam op maakt. Wees vriendelijk en vergevensgezind—zij zullen zich zoo rampzalig gevoelen, als ge maar kunt wenschen. De wereld heeft een eigenaardigen afkeurenden blik, en een onuitputtelijken schat van liefdelooze woorden—zou men niet kunnen volstaan, met er haar het monopolie van te laten?”
“O!” zuchtte Meg. Hare wangen waren donkerrood, en alle hoogheid was uit hare houding verdwenen.
Hij wond met groote zorg den riem om niets en ging met zachte stem voort:
“Veronderstel, dat Pip den een of anderen dag iets zeer verkeerds deed, en dat de wereld steenen op hem wierp, tot hij gewond en gebroken was. En veronderstel, dat hij, diep treurig, thuis kwam bij zijne zusters. En Meg, die alles wat slecht is, verafschuwt, werpt nog eenige kleine steentjes op hem, opdat de pijn hem eene les zou geven, welke hij niet meer zou kunnen vergeten. En Judy, die bedenkt, dat hij haar broer is en verdriet heeft, slaat hare armen om hem heen, en spreekt hem moed in, en helpt hem weer den strijd met de wereld beginnen, en voegt hem geen hard woord toe, noch ziet hem met een boozen blik aan, want zij denkt, dat die hem reeds genoeg worden toegevoegd. Welke zuster denkt u, Miss Meg, zal den meesten invloed hebben?”
Meg’s kleine, liefelijke mond trilde, hare oogen waren strak neergeslagen, omdat de tranen er uit zouden gesprongen zijn, als zij zou hebben opgekeken.
“O!” zeide zij nogmaals. “O, wat ben ik slecht geweest—o!”
Zij bedekte het gelaat met hare handen, want een der snel opgewelde tranen trilde aan hare wimpers.
Mr. Gillet legde den riem en de pijp neer, en keek naar haar met een zachten, teederen blik.
“Ik ben meer dan tweemaal zoo oud als u, Miss Meg, bijna oud genoeg om uw vader te zijn,—u vergeeft mij, nietwaar, dat ik u dit alles heb gezegd? Ik dacht aan mijn zusje, dat gestorven is. Ik had nog eene zuster, die was een jaar ouder, maar zij was hardvochtig—ééns maar ging ik naar haar toe. Zij is eene der beste vrouwen van Engeland nu, maar hare woorden zijn streng. Mijne kleine Miss Meg, ik kan de gedachte niet verdragen, dat u misschien ook hardvochtig zou worden.”
Dikke tranen waren tusschen de vorken gevallen. Meg schreide, omdat zij wel moest bedenken, welk een hatelijk schepsel zij was. Eerst had Alan haar de les gelezen, en over zijn zusje gesproken, en nu ook deze man.
Hij gaf een verkeerden uitleg aan haar zwijgen.
“Ik heb het recht niet, zoo tot u te spreken, omdat mijn leven alles behalve onbevlekt is geweest, dat denkt u op het oogenblik, nietwaar, Miss Meg?” zeide hij zeer treurig.
“O neen!” zeide zij. “O! hoe kan u op die gedachte komen? Ik vind het alleen zoo vreeselijk, dat ik zoo slecht geweest ben!” Zij greep in haar zak en nam er het lint uit.
“Wil u het terugnemen?” zeide zij.—“O, neem het, ik gevoel me anders zoo schuldig. O, ik bid u, neem het!”
Zij keek naar hem met vochtige, smeekende oogen, en strekte de hand met het lint naar hem toe.
Hij nam het, streek het glad, en legde het in zijn zakboek.
“God zegene u!” zeide hij, en de toon waarop hij deze woorden uitte, deed Meg snikken.