“Daar buiten stonden onbeweeglijk de ossen, en hunne gestalten teekenden zich tegen den hemel af.”

“Daar buiten stonden onbeweeglijk de ossen, en hunne gestalten teekenden zich tegen den hemel af.”

HOOFDSTUK XXI.

TOEN DE ZON ONDERGING.

Welk een zonsondergang!

Van af den voet van den met gras begroeiden heuvel strekte zich een vurig roode hemel uit, met purperen donzige wolken, die in banken boven elkaar gestapeld waren, tot waar de wegstervende gloed in het verbleekende blauw wegsmolt. De boomgroep was zwart van kleur geworden, en strekte sombere, roerlooze, scherp tegen den oranjekleurigen achtergrond uitkomende armen uit. De wind was geheel gaan liggen, en de lucht drukte op alles, warm en bezwaard met de beklemmende vreemde stilte van het bosch.

En op den top van den heuvel, in de deur van de kleine, bruine hut, hare wijdgeopende oogen naar den heerlijk schoonen hemel geslagen, lag Judy te sterven. Zij was nu zeer rustig, hoewel zij druk gesproken had—gesproken over allerlei. Zij zeide hun, dat zij volstrekt geene pijn had.

“Maar ik zal sterven, als ik opgelicht word,” zeide zij.

Meg zat naast haar, neergehurkt op den grond. Zij had hare oogen niet van het gezichtje afgewend, dat daar lag op een kussen van regenmantels, zij had hare bleeke lippen geen enkele maal geopend om een woord te zeggen.

Daarbuiten stonden onbeweeglijk de ossen en hunne gestalten teekenden zich tegen den hemel af.—Judy zeide, dat zij er uit zagen als opgezette dieren, die gephotografeerd moesten worden. Zij glimlachte daarbij even, maar Meg zeide: “O, doe dat niet!” en kromp ineen.

Twee der mannen waren weggegaan, om hulp te zoeken, die zij toch niet zouden vinden; de anderen stonden op eenigen afstand, en praatten met gedempte stem tot elkander.

Er was voor hen niets te doen. De bruine man had gesproken—iets wat zelden gebeurde.

Hij had den Generaal in slaap gesust, en hem op het leger gelegd en de blauwe deken om hem heen geslagen. En toen had hij warme, sterke thee gezet, en had met tranen in zijne oogen de kinderen gevraagd, daarvan te drinken, maar geen enkele wilde dit doen.

Baby was op den grond in slaap gevallen, hare armen stijf om Judy’s rijglaars geslagen.

Bunby stond, met eene uitdrukking van ontzetting op zijn bleek gelaat, achter de draagbaar. Zijne oogen waren op het haar van zijn zusje gevestigd, maar hij durfde niet naar haar gezicht kijken, uit angst voor wat hij daar zou zien. Nellie was geen oogenblik kalm, nu eens liep zij naar de haag en keek den weg af, waarover reeds de schaduwen van den avond zweefden, dan wierp zij zich achter de hut met het gelaat op den grond en riep: “Maak haar beter, God! God, maak haar beter, maak haar beter! O! kunt ge haar niet beter maken?”

De schaduwen rondom de kleine woning namen diepere tinten aan, de omtrekken der buffels waren niet meer zichtbaar, slechts eene onduidelijke zwarte massa lag daar tusschen de hut en den hemel. Achter de boomen verglom het vurige schijnsel; hier en daar waren nog gele, lichtende vlammen, maar de gloeiende zonneschijf was weggedoken, en de purperen, luchtige sluier zonk in het niet.

De kreet van een pluvier verbrak de stilte, wild, klagend, snijdend was het geluid. Meg huiverde en ging rechtop zitten. Judy’s voorhoofd werd vochtig, zij sperde de oogen wijd open, hare lippen beefden.

“Meg!” zeide zij met eene fluisterende stem, die de lucht doorkliefde; “o, Meg, ik ben zoo bang! Meg, ik ben zoo bang!”

“God!” zeide Megs hart.

“Meg, zeg iets. Meg, help mij! Wat wordt het al donker, Meg; Meg, ik kan niet sterven! O, waarom komen zij nog niet?”

Nellie vloog weer naar de haag, om daarop te fluisteren:

“Maak haar beter, God—o, ik smeek u, God!”

“Meg, ik kan niets bedenken om te zeggen. Kan jij niet iets zeggen, Meg? Zijn er geen gebeden voor de stervenden in het gebedenboek?—Ik ben het vergeten. Spreek toch, Meg!”

Meg’s lippen bewogen, maar het was haar niet mogelijk een woord te uiten.

“Meg, ik ben zoo bang! Ik kan aan niets anders denken, dan aan “wat wij eenmaal zullen ontvangen”, en dat is vergiffenis, nietwaar? En in het Onze Vader komt ook niets voor, dat mij kan helpen. Meg, ik wilde, dat wij naar de Zondagsschool gegaan waren en daar van allerlei geleerd hadden. Wat wordt het al donker, Meg! O, Meg, houd mijne handen vast!”

“In den hemel zal het—niet—donker zijn!” spraken Megs lippen.

Zelfs wanneer zij iets zeggen kon, was het niets dan een gestamelden, vroeger gehoorden zin, dien zij murmelde.

“Als er alles van goud en edelgesteenten is, dan wil ik er liever niet heen!” Het kind begon nu te schreien. “O, Meg, ik wil liever blijven leven! Hoe zou jij het vinden, Meg, om te sterven, als je nog maar dertien jaar bent? Hoe eenzaam zal ik zijn zonder jelui allen. O, Meg! o, Pip, Pip! o, Baby! Nell!”

De tranen stroomden over hare wangen, hare borst hijgde.

“O, zeg iets, Meg!—zeg een gezang op!—spreek toch!” De halve inhoud van het boek der “Oude en Nieuwe gezangen” dwarrelde door Megs gedachten. Welk kon zij uitkiezen, dat rust zou brengen in die koortsachtige oogen, die met zulk een angstigen smeekenden blik op haar gelaat gevestigd waren?

Toen opende zij de lippen:

““Kom slechts tot Mij, gij moeden,

Dan geef ’k u zoete rust

O, gij—””

“Ik ben niet moede, ik verlang niet naar rust!” zeide Judy, op jammerenden toon.

En Meg begon weer:

““Mijn God, mijn Vader, als ik dwaal,

Ver weg, langs ’s levens doornig pad

Leer mij dan de gelaten taal:

Uw wil geschiede!””

“Dat is voor oude menschen,” zeide de matte, zangerige stem. “Hij kan niet verwachten, dat ik dit zal zeggen!”

Toen herinnerde Meg zich het schoonste van alle gezangen, en zeide het eerste en het laatste couplet zonder een oogenblik te haperen, op:

““Verlaat mij niet, snel valt de avondstonde,

De duisternis groeit aan; o Heer, verlaat mij niet.

Als andre hulp ontbreekt, en alle bijstand vliedt,

Helper der hulploozen, mijn God, verlaat mij niet!

Houd Gij Uw kruisbeeld voor mijn brekend oog,

Schijn door de duisternis, en richt mijn oog ten hemel!

De dageraad breekt aan, en ’t ijdele aardrijk vliedt

In leven en in dood, o Heer, verlaat mij niet!”

“O, en Judy, liefste, wij vergeten, dat moeder in den hemel is, Judy je zult niet alleen zijn! Herinner je je moeders oogen niet, mijn kleine Judy?”

Judy werd kalm, en steeds kalmer. Zij sloot de oogen, zoodat zij de toenemende duisternis niet bespeuren kon.

Megs armen waren om haar heen geslagen, Megs wang was tegen haar voorhoofd gevlijd, Nell hield hare handen vast, Baby hare voeten, Bunby’s lippen waren op hare lokken. Zoo gingen zij met haar recht op de Groote Vallei af, waar zelfs geen licht is voor aarzelende kindervoeten.

De schaduwen waren koud, en legden zich kil om hunne harten; zij konden den wind van de onbekende wateren op hunne voorhoofden voelen; maar alleen zij, die op het punt stond naar genen oever over te steken, hoorde het zachte geklots der golven.

Juist toen het water hare voeten bespoelde vertoonde zich eene gestalte in de deur.

“Judy!” riep eene smartelijke stem, en Pip duwde hen op zijde en viel naast haar neer.

“Judy, Judy, Judy!”

Het licht flikkerde nog eens op in hare oogen. Zij kuste hem eenmaal, tweemaal met hare bleeke lippen; zij gaf hem hare beide handen, en haar laatsten glimlach.

Toen streek de wind over hen allen, en, met eene plotselinge rilling, ging zij heen.