“Laat haar hier blijven. O! toe, laat haar hier blijven! we zullen altijd zoet zijn!”

“Laat haar hier blijven. O! toe, laat haar hier blijven! we zullen altijd zoet zijn!”

HOOFDSTUK V.

AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN.

Een koffer stond in de vestibule, en een groot, dikwijls gebruikt valies, en er hingen adressen aan, waarop te lezen stond: “Miss Helen Woolcot, adres de Dames Burton, Mount Victoria.”

In de kinderkamer werd het ontbijt in gedrukte stemming gebruikt. Meg’s blauwe oogen waren rood en gezwollen van het schreien, en zij snoof nu en dan hoorbaar, terwijl zij bezig was koffie te schenken. Pip stond met de handen in de zakken op het haardkleed treurig naar een zeker bord te kijken, en dankte voor eten of drinken; de Generaal zat vroolijk met zijn drinkkroes op zijn bord te slaan; en Bunby at suffend zijn boterham op.

Judy, bleek en met droge oogen, zat aan de tafel, en Nell en Baby hadden zich ieder aan een harer armen vastgeklampt. Gedurende de drie dagen, die tusschen dien noodlottigen Donderdag en dezen treurigen morgen verloopen waren, had zij koppig willen toonen, dat zij zich de geheele zaak niet aantrok. Nooit was hare stemming opgewekter, haar oog schitterender, hare tong scherper geweest, dan gedurende dezen tusschentijd; en zij had tegen iedereen beweerd, en in het bijzonder tegen haar vader, dat zij zich het verblijf in eene kostschool heerlijk dacht, en zich op haar vertrek verheugde.

Maar dezen morgen was zij ineengezakt. De dagen te voren had haar vurig, kinderlijk hart haar gezegd, dat haar vader toch niet zóó wreed zou kunnen zijn, dat het niet in ernst zijn plan kon wezen haar onder vreemden te zenden, ver weg van het oude, vervallen Misrule en van al haar broeders en zusters; hij zeide het alleen maar om haar schrik aan te jagen, dit praatte zij gedurig zich zelve voor, en zij zou hem toonen, dat zij geen lafhartig klein kind was.

Maar Zondagavond, toen zij een koffer naar beneden zag brengen en dien zag volpakken met hare kleederen en voorzien worden van haar naam, was het alsof een koude hand zich om haar hart sloot. Maar, zeide zij tot zich zelve, hij liet dit alles geschieden om haar te doen gelooven, dat zij werkelijk vertrekken moest.

En nu was het morgen geworden, en zij kon zich niets meer diets maken. Esther was bij haar bed gekomen, en had haar treurig gekust, met eene bezorgde en teedere uitdrukking op haar lief aangezicht. Zij had haar man gesmeekt zoo innig als zij nog nooit gesmeekt had, het vonnis der arme Judy te vernietigen, maar de kapitein was onvermurwbaar. Zij en alleen zij was de belhamel bij alle ondeugende streken, de anderen zouden zich behoorlijk gedragen, wanneer zij er niet meer was om hen tot allerlei stoutigheden aan te zetten, en gaan moest zij. Bovendien zeide hij, zou het tot haar eigen heil zijn. Hij had eene uitmuntende school voor haar gekozen; de directrices er van waren vriendelijk, maar streng, en Judy’s karakter liep gevaar bedorven te worden door gebrek aan eene strenge leiding. Dit was inderdaad in zeker opzicht waar.

Judy ging plotseling rechtop in haar bed zitten, bij het gezicht van Esther’s bekommerd gelaat.

“Er is niets aan te doen, lieve kind, schik je naar vaders wil!” zeide zij vriendelijk. “Maar je zult gaan als een moedig meisje, nietwaar, Ju?—Jij hebt tot nu toe altijd, zooals Pip zegt: de huik naar den wind kunnen hangen.”

Judy verkropte een hevigen snik, en haar arm klein gezicht werd bleek en angstig.

“Het is goed, Esther! Toe, ga maar gerust ontbijten,” zeide zij met eene stem, die alleen maar een weinig beefde; “zou je den Generaal bij mij willen laten, Esther? Ik zal hem mede naar beneden brengen!”

Esther zette haar klein, dik zoontje op het kussen en ging heen met een blik vol liefde en zorg.

En Judy nam het kleine ventje in hare armen, en trok de beddelakens over hun beider hoofd, en hield hem stevig, bijna wanhopig een minuut of twee tusschen hare armen gekneld, en verborg haar gezicht in zijn zacht, dik nekje en kuste hem tot hare lippen pijn deden.

Hij verweerde zich dapper tegen deze gewelddadige handelwijze, en protesteerde ten laatste, met een woedenden kreet, tegen gesmoord te worden. Dus wierp zij het dek weg en stapte uit bed, en liet hem tusschen de kussens rondkruipen, en uit een gaatje in een er van de veertjes plukken.

Zij kleedde zich haastig en zenuwachtig, maakte het haar met meer zorg dan gewoonlijk op, en ging toen met den Generaal naar de kinderkamer. Alle anderen waren hier, en klaarblijkelijk waren zij met Esther over haar aan het spreken. De drie meisjes keken bedroefd en verontwaardigd; Pip was juist terecht gezet, omdat hij oneerbiedig over zijn vader had gesproken, en zag gemelijk voor zich uit; en Bunby, niet wetende wat hij anders zou doen in zulk een hachelijk oogenblik, was vliegen gaan vangen en trok haar wreedaardig de vleugels uit.

Het was een somber ontbijt. De bel weerklonk als teeken dat de koffie beneden klaar was, en Esther moest dus de kinderen alleen laten. Een ieder presenteerde Judy van alles, wat op de tafel stond, en sprak haar beleefd toe. Zij scheen niet meer hun gelijke te zijn, maar een persoontje, dat niet zoo lichtvaardig behandeld kon worden terwille der waardigheid, die het groote verdriet haar gaf. Hare japon was nieuw—een keurig, blauw serge kleedje, direct uit de handen der naaister; hare laarzen waren glimmend gepoest, hare kousen zonder luchtgaatjes. Dit alles werkte er toe mede, om haar eene Judy te maken geheel verschillend van de slordige en drukke Judy van een paar dagen geleden, die gewoonlijk aan het ontbijt kwam, er uit ziende, alsof hare kleederen met eene hooivork op haar geworpen waren.

Baby wijdde zich ééne minuut aan hare gort, maar toen overstelpten haar hare aandoeningen, en, met een zwakken klaagtoon, liep zij om de tafel naar Judy, en hing zich snikkend aan haar arm. Dit verstoorde het evenwicht van het geheele gezelschap. Nell pakte den anderen arm en wiegde zich heen en weer in een aanval van troosteloosheid. Meg’s tranen droppelden in haar kopje; Pip duwde zijn hiel in het vloerkleed, en begreep maar niet, wat zijne oogen scheelden; en zelfs begon Bunby minder smaak in zijn boterham te krijgen.

Judy zat zwijgend voor het bord, dat zij ongebruikt weggeschoven had, en dat zij met eene uitdrukking van diepe wanhoop op haar jong gezichtje aanstaarde. Zij zag er uit als eene miniatuur koningin uit eene tragedie, die op het punt is, naar de plaats der terechtstelling gebracht te worden.

Bunby liet zich van zijn stoel glijden, dekte zijn kop koffie met den schotel van wege de vliegen, en verliet met plechtigen stap de kamer. Een oogenblik later kwam hij terug met eene zuurflesch, waarin een groote, groene kikvorsch zat.

“Hem mag je houden voor jou alleen, Judy!” zeide hij, op bijna hartbrekend droevigen toon. “Je zult op school misschien nog wel eens om hem lachen.”

Zelfopoffering kan niet verder gaan, want deze kikvorsch was de lieveling van Bunby’s hart.

Dit prikkelde de anderen; ieder haalde een geschenk en legde het als souvenir op Judy’s altaar. Meg bracht een armband, gemaakt van haar van een gestorven lievelingspony, Pip gaf zijn zakmes met drie messen, Nell een muskuspot dien zij een jaar lang begoten en verzorgd had, Baby eene pop met gebroken neus, de Benjamin van hare groote poppenfamilie.

“Doe alles in den koffer, Meg—bovenin is nog plaats, denk ik,” zeide Judy met verstikte stem, diep getroffen door deze geschenken. “O, Bunby, beste jongen! doe een kurk op de flesch met den kikkert, hij zou eens verloren kunnen gaan, tusschen al die kleeren!

“Ja wel,” zeide Bunby. “Je zult goed op hem passen, nietwaar, Judy? O, lieve hemel! O! O!”

Toen kwam Esther de kamer binnen, nog altijd met een bekommerd gelaat.

“De dogcart is voor,” zeide zij. “Ben je klaar, Judy, beste meid? Mijne lieve Judy, houd je nu dapper, vrouwtje!”

Maar Judy was bleek als eene doode, en scheen niet te begrijpen, wat er om haar gebeurde. Zij liet toe dat Esther haar den hoed opzette, haar in haar nieuw manteltje hielp en haar de handschoenen in de hand gaf. Zij liet zich door de geheele familie kussen, half de trap afdragen door Esther, weer door de meisjes zoenen, toen door de twee goedhartige dienstboden, die ondanks hare pekelzonden voor haar eene warme genegenheid koesterden.

Esther en Pip tilden haar in den dogcart, en zij zat ineen gedoken en scheef op de bank, en keek met oogen, die waarlijk tragisch waren in hunne groote wanhoop, naar de groep in de veranda. Haar vader kwam naar buiten, hij knoopte zijne overjas dicht, en zag haar blik.

“Wat is dat voor gekheid?” zeide hij driftig “Esther—groote Hemel! stel jij je ook al zoo dom aan?”—groote tranen schitterden in de mooie oogen zijner vrouw. “Waarachtig, men zou kunnen denken, dat ik het kind meeneem om opgehangen te worden, of haar naar een verbeteringsgesticht ging brengen.”

Een luide, hikkende snik kwam over Judy’s witte lippen.

“Als u mij thuis zou willen laten blijven, vader, zal ik u nooit meer boos maken; u kan me voor straf slaan, zoo hard u maar wil.”

Het was hare laatste poging, hare laatste hoop, en zij beet op hare arme, trillende lip, tot deze bloedde, terwijl zij op antwoord wachtte.

“Laat haar hier blijven—o! toe, laat haar hier blijven! We zullen altijd zoet zijn!” klonk het in koor uit de veranda. En: “Laat haar hier blijven, John!” riep Esther, op een toon, even smeekend als die der kinderen.

Maar de kapitein sprong in den dogcart, en nam de teugels in eene uitbarsting van woede van Pat over.

“Ik geloof, dat jelui allemaal bezeten zijt!” schreeuwde hij. “Zij zal het daar ginds uitstekend hebben, ik heb drie maanden vooruit voor haar betaald, en dat verzeker ik jelui, ik gooi mijn geld niet voor niets weg!”

Hij gaf het paard een tikje met de zweep, en een minuut later was de dogcart aan gene zijde van het hek, en het kleine, ongelukkige gezichtje kon niet meer gezien worden.