“Baby’s wraak.”

“Baby’s wraak.”

HOOFDSTUK VI.

HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR.

Meg had altijd mooi haar gehad, maar een paar maanden geleden had zij zich ponyhaar geknipt, en begon dit iederen avond in papillottenpapier te wringen. En in hare latafel stond een jampotje gevuld met havermeel, dat zij in haar waschwater gebruikte, want zij had gelezen, dat dit een uitstekend middel was om het teint te verfraaien. En iederen avond smeerde zij hare handen met vaseline in en sliep met oude glacé-handschoenen aan. En haar geld gaf zij uit aan een zeker water, dat de kleine bruine vlekjes zou wegwisschen, die de zon op haar gelaat getooverd had, en het, hoe dan ook, een zeker karakter gaven.

Al deze dingen waren het gevolg hiervan, dat Meg zestien was, en dat zij eene vriendin gevonden had, die zeventien jaren telde.

Aldith MacCarthy leerde Fransch bij denzelfden leeraar, naar wien Meg nu tweemaal in de week ging, en nadat chocolaadjes en haarlinten gegeven en aangenomen, en familieconfidenties gedaan en aangehoord waren, ontstond er eene innige vriendschap tusschen haar.

Aldith had drie volwassen zusters, die zij in alle opzichten naäapte, en bezat veel meer kennis van de wereld dan de eenvoudige, romantische Meg.

Zij leende Meg romans en novellen, evenals tijdschriften voor jonge dames, en het jonge meisje verdiepte er zich met groote belangstelling in, verbaasd over de nieuwe wereld, waarin zij werd binnengeleid; want Charlotte Yonge en Louise Alcott en Miss Wetherell waren tot nu toe uitsluitend hare lectuur geweest.

Meg begon rooskleurige droomen te droomen van den tijd, waarin haar mooi, glanzend haar “in eene eenvoudige wrong” zou worden opgestoken of boven haar voorhoofd zou worden gelegd als “eene kroon, even schoon als die eener koningin,” want dit waren de twee manieren, waarop de heldinnen in de novellen het haar kapten. Een gevlochten varkensstaartje was al zeer weinig romantisch. Dit was de reden waarom zij, als eene soort van voorbereidende maatregel, ponyhaar geknipt had, en het einde van hare vlecht begon te krullen. Haar vader staarde haar aan, en zeide, dat zij er uit zag als een winkelmeisje, toen hij deze veranderingen voor het eerst opmerkte, en Esther vertelde haar, dat zij een dom schepsel was, maar de spiegel en Aldith stelden haar weer gerust.

De zorg, die nu aan de beurt kwam, was die van steelsgewijze hare japonnen langer te maken, welke in de periode waren van nog niet lang en niet meer kort te zijn. In de eenzaamheid van hare slaapkamer nam zij twee of drie van hare rokken van den band, voorzag ze aan den bovenkant van eene reep voering om ze te verlengen, en naaide eene strook onder om hare lijfjes, ten einde de voering te bedekken. Hierdoor werden hare rokken een goeden twee duim langer, wat haar een lang, slank figuurtje gaf, zooals zij zelve zeer goed wist.

In geen van deze dingen stak eigenlijk kwaad.

Maar Aldith begon hare taille langzamerhand geheel onmogelijk te vinden.

“Je hebt minstens drie-en-twintig, Marguerite,” zeide zij eens, vol ongehuichelden schrik.

Zij noemde hare vriendin nooit Meg, want deze naam was “te familiaar en volstrekt niet welluidend.”

Meg keek van hare eigen taille naar het dunne, elegante middeltje van hare vriendin, en zuchtte diep.

“Wat moest ik eigenlijk hebben?” zeide zij neerslachtig; en Aldith had geantwoord, “achttien—of negentien hoogstens, Marguerite! Ware symmetrische bevalligheid kan nooit bereikt worden met een middel van drie-en-twintig duim in omtrek.”

Aldith had niet alleen feiten opgemerkt en vergelijkingen gemaakt, zij had hare vriendin ook praktischen raad gegeven, en had haar getoond, hoe zij handelen moest. En iederen avond en iederen morgen trok Meg haar corsetveter steviger aan, en perste haar fijn, teeder lichaam in eene steeds engere ruimte. Zij had reeds een omtrek van een-en-twintig duim bereikt, hetgeen zuiver twee duim winst beteekende, en zij had al hare japonnen ingenomen.

Maar zij speelde ’s avonds niet meer mede cricket, en wilde aan geen enkel spel meedoen, waarbij hard loopen te pas kwam, zeer tot misnoegen der anderen. Niemand, die het zachte gezichtje, liefelijk als een bloesem, zag, en de vriendelijke, kalme oogen, zou gegist hebben welk eene marteling er verdragen werd onder het nu sierlijke, goed zittende japonlijfje. Vlug wandelen was eene ware kwelling; bukken, bijna folterpijn; maar zij verdroeg dit alles met een heldenmoed, eene waarlijk edele zaak waardig.

“Hoe lang zal ik daar nu nog mede moeten voortgaan, Aldith?” vraagde zij eens met zwakke stem, na eene Fransche les gedurende welke zij zich bijna niet had kunnen goed houden. En het andere meisje antwoordde onverschillig: “O, je moet nu natuurlijk niet ophouden, je zult eens zien, over een poosje voel je er niets meer van.”

Na deze verzekering zette Meg hare pijn veroorzakende pogingen voort.

Esther, de eenige, die in deze zaak eenigen invloed had kunnen hebben, had niets gemerkt, en, had zij dit wel gedaan, dan zou zij er zich nog niet ernstig over bekommerd gemaakt hebben, want het was eerst vier jaar geleden sedert ook zij zestien geweest was, en een “dun middeltje” voor haar het begeerlijkste van de geheele wereld geweest was.

Eens had zij zonder bijgedachte gezegd:

“Wat krijg je een goed figuurtje, Meg! De nieuwe naaister maakt zeker beter dan Miss Quinn!” en de dwaze Meg, het hart kloppend van vreugde, had zich voorgenomen, hare pogingen te verdubbelen.

De lynx-oogige Judy zou alles zeker spoedig ontdekt hebben, en zou haar lachend beschaamd hebben, maar ongelukkig voor Meg’s gezondheid was zij op school,—er waren reeds bijna drie maanden sedert haar vertrek verloopen.

Aldith woonde ongeveer twintig minuten wandelen van Misrule, en dus waren de twee meisjes veel samen. Tweemaal in de week gingen zij per stoomboot naar de stad om in beleefd Fransch te leeren vragen: “Heeft de jonge dochter van den bakker den gelen hoed, de bruine handschoenen, en de parasol van de nicht van den aannemer?”

En tweemaal in de week, nadat zij zonder den minsten samenhang geantwoord hadden: “Neen, maar de chirurgijn had bier, mosterd, en de tafelgong,” vertoonden zich Aldith en hare vriendin op de wandelplaats, waar de Sydneysche jeugd en beau-monde gewoonlijk wandelde,—het “Block.”

“Nu zullen wij eens gaan zien, hoeveel hoeden ik kan laten afnemen!” zeide Miss Aldith, wanneer zij zich op weg begaven, en bij het einde van den tocht zuchtte Meg: “Hoe heerlijk moet het zijn, zooveel heeren te kennen als jij!”

Somtijds gebeurde het, dat een of twee jonge lieden bleven staan, en de meisjes aanspraken, en dan stelde Aldith hen plechtig aan Meg voor, dikwijls evenwel meende deze, die, niettegenstaande al hare dwaasheid, scherp genoeg opmerkte, iets beschermends, min of meer spotachtigs in de manieren der heeren waar te nemen. En werkelijk was dit dikwijls zoo; het waren hoofdzakelijke heeren, die Aldith tehuis op een danspartijtje of bij het tennisspel had leeren kennen, en die deze jonge dame een vroeg rijp kind vonden, voor wie het hoogst gewenscht was, dat zij nog eenige jaren van de school zou profiteeren.

Eens op een dag kwam Aldith op Misrule—houding, gebaren, stem, alles sprak van eene hooge, geheimzinnige gewichtigheid. “Kom mede naar den tuin, Marguerite!” zeide zij, zonder de minste notitie van Baby te nemen, die, met groote moeite, hare oudste zuster had overgehaald, haar het altijd even boeiende verhaal van de drie kleine varkentjes te vertellen.

“O, neen, bij het haar van mijn baard aan mijn kin, ik zal proesten en blazen tot je huisje valt in,” was nog maar tweemaal gezegd geworden, en het spannendste gedeelte moest nog komen.

Baby keek op met verontwaardigde oogen.

“Ga weg, Aldiff!” zeide zij.

“Miss MacCarthy, Baby!” verbeterde Meg vriendelijk, Aldith’s half verachtelijken glimlach opmerkende.

“Aldiff!” herhaalde Baby koppig. Toen scheen zij berouw te hebben, en sloeg een kleinen arm liefkoozend om haar zusters hals.

“Ik zal aan Miff MacCarfy zeggen, dat je eerst verder moet vertellen.”

“O, zend haar weg, Marguerite!” zeide Aldith ongeduldig. “Ik heb je een zeer belangrijk geheim mee te deelen, en ik heb buitendien haast.”

Meg was dadelijk een en al belangstelling.

“Ga nu heen, Baby!” zeide zij, en kuste het teleurgestelde gezichtje; “ga met Bunby met de ark spelen, ik zal het vertelseltje van avond of morgen uit vertellen.”

“Maar ik wil nu het eind hooren!” zeide Baby volhoudend.

Meg schoof haar vriendelijk op zijde. “Neen, ga nu heen, klein zusje—ga nu heen als eene beste meid, en ik zal je morgen ook nog van Roodkapje vertellen.”

Baby keek naar de bezoekster harer zuster.

“Je bent een akelig spook, Aldiff MacCarfy,” zeide zij langzaam en met nadruk, “en ik heb een hekel aan je, en wij allen hebben een hekel aan je, behalve Meg, en Pip zegt, dat je het naarste wicht ben, dat bestaat, en ik wou, dat er een groote reus kwam, die blazen zou en proesten, tot je midden in de zee lag.”

Aldith lachte, een klein tartend, wijs lachje, dat de maat van Baby’s woede deed overloopen. Zij strekte hare kleine hand uit en gaf den arm der jonge dame in zijn mousselinen mouw een fijn welbestudeerd kneepje, dat Pip haar geleerd had. Toen holde zij als eene dwaze de groene grasvelden over naar het boschje, dat zich aan gene zijde bevond.

“Onuitstaanbaar!” pruttelde Aldith boos, en Meg moest zich uitputten in verontschuldigingen en vriendelijke woordjes, om haar weer in een goed humeur te brengen, en haar over te halen, het zeer belangrijke geheim te vertellen. Ten laatste, evenwel, werd het haar geopenbaard, en wel met indrukwekkende plechtigheid. Aldith’s oudste zuster was verloofd! O, was dat niet hemelsch? was het niet romantisch?—en met den mijnheer met den blonden snor, die in den laatsten tijd zoo dikwijls bij hen aan huis was geweest.

“Ik wist, dat het zoo zou gaan—ik heb het al lang zien aankomen. O, men kan niet gemakkelijk iets voor mij verbergen!” zeide Aldith. “Ik herken ware liefde dadelijk. Maar voor mijzelve zou ik zeker de voorkeur geven aan een donkeren snor, jij ook niet, Marguerite?”

“Ja-a!” zeide Meg. Hare meening in dit opzicht was nog nauwelijks gevestigd.

“Gitzwart, met zeer stijfstaande uiteinden,” vervolgde Aldith peinzend, “en eene militaire houding en heel lange, zwarte wimpers.”

“Dat zou ook mijn smaak zijn,” zeide Meg, opeens vol vuur. “Zooals Guy Deloraine in “Angelina’s eerzuchtige Droomen.””

Aldith sloeg haar arm inniger om hare vriendin.

“Zou het niet hemelsch zijn, Marguerite, als jij en ik—eens geëngageerd waren?” zeide zij, als in droomerige verrukking. “Denk eens aan, hoe zalig het zijn moet als een donkere knappe man met trotsche, zwarte oogen, smoorlijk verliefd op je is, je op de handen draagt, je cadeaux geeft en met je uitgaat—o, Marguerite, wat moet dat goddelijk zijn!

Meg keek peinzend voor zich uit. “Daar zijn wij, geloof ik, toch nog niet oud genoeg voor!” zeide zij met een zucht.

Aldith wierp haar hoofd achterover. “Dat is onzin; Clara Allison is niet ouder dan zeventien, en denk aan eens je eigen stiefmoeder. Eene menigte meisjes zijn al getrouwd als zij zestien zijn, Marguerite! en mijne zuster Beatrice werd ten huwelijk gevraagd, toen zij nog maar vijftien was.”

Deze woorden schenen indruk op Meg te maken. Zij keek stil voor zich uit.

Toen stond Aldith op om heen te gaan. “Denk er aan, dat je morgen op tijd aan de boot bent,” zeide zij, terwijl zij naar het hek wandelden; “en, Marguerite, kleed je nu eens heel netjes aan—trek je koornbloemen-blauwe japon aan,—en zie eens of Mrs. Woolcot je niet een paar handschoenen zou willen leenen, je grijze paar ziet er niet meer zeer frisch uit, vind je zelf ook wel?”

“Neen, neen zeker niet!” zeide Meg blozend.

“En Mr. James Graham komt altijd terug met onze boot, en de twee Courtney’s ook—Andrew Courtney zeide aan Beatrice, dat hij je een heel aardig persoontje vond; hij merkt je dikwijls op, zegt hij, omdat je altijd zoo bloost.”

“Ik kan daar toch heusch niets aan doen!” zeide Meg op ongelukkigen toon. “Aldith, hoe moet het lint op mijn hoed genaaid worden? Ik wilde het er opnieuw opzetten.”

“O, vierkante lussen, min of meer stijf, en goed op zijde!” zeide het orakel. “Ik ben blij, dat je den hoed onder handen neemt, beste! hij zag er heusch erg slordig en verlept uit.”

Meg bloosde weer.

“Ben je al klaar met je Fransch?” zeide zij, en opende het hek.

“Ik zal het er maar voor houden!” zeide Aldith onverschillig. Toen hief zij haar kin omhoog.

“Die zedige meisjes Smith schijnen er altijd eene eer in te stellen, om geen fouten te maken; en Janet Green, wier hoeden altijd vier modes ten achteren zijn, ook; ik vergis mij liever eens een paar maal, als was het alleen maar om te laten zien, dat ik niet hard behoef te leeren, en later onderwijzeres worden.”

Maar juist in dit oogenblik struikelde zij, en viel in hare volle lengte op zeer onbevallige wijze neer, dwars over het modderige pad.

Een stuk touw en Baby’s wraak waren hier de oorzaak van.