Eene lange gestalte leunde tegen het hek.

Eene lange gestalte leunde tegen het hek.

HOOFDSTUK VIII.

EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE.

De schemering had zich zeer kalm en zeer ongemerkt uitgebreid over den tuin, en de grasvelden, en de rivier. Er was een zwak windje aan den waterkant, maar het scheen na dezen warmen, langen dag bijna te moede om zich te verheffen en het water te rimpelen. Langzaam, zeer langzaam nam het grauwe, stille licht af, en een of twee bleeke sterren begonnen daar hoog, boven in de lucht, te stralen. In de verte, achter de gomboomen, aan gene zijde der rivier, stond eene nog bleeker maan; reeds kon eene streep van het water haar een glimlach toezenden. Meg hoopte, dat zij niet vóór acht uur boven de kronen der boomen zou gerezen zijn, want dan zouden de uitgestrekte grasvelden in een stroom van maanlicht baden, en zij zou kunnen gezien worden. Onder de thee, en gedurende het eerste gedeelte van den avond, was zij afgetrokken en prikkelbaar in haar angst, en twee of drie maal snauwde zij Bunby tamelijk onvriendelijk af.

Van een uur of zes af had hij onophoudelijk om haar heen gedraaid.

Het was een karaktertrek van dezen kleinen jongen, dat, wanneer hij de verleiding niet had kunnen weerstaan en van het pad der waarheid was afgeweken, hij volkomen ongelukkig was, tot hij gebiecht had, en met zijne vieze handjes in zijne schreiende oogen had gewreven, tot hij een beeld bood “om van te droomen, maar niet om te beschrijven.”

Pip zeide, dat dit kwam omdat hij een lafaard was, en de zedelijken moed miste om te gaan slapen met eene leugen op zijn geweten uit vrees van te zullen ontwaken en een engel met een vlammend zwaard naast zijn bed te zien staan. En tot mijn spijt moet ik toegeven, dat dit eene meer ware beschouwing van het geval was, dan wanneer men aannam, dat de kleine jongen werkelijk overtuigd was van het afkeuringswaardige zijner daad, en niets liever wenschte, dan haar weder goed te maken. Want als de gelegenheid zich maar voordeed, zou hij den volgenden dag weer struikelen, en ’s avonds naar dezen of genen toekruipen en, met zijne vuistjes in zijne oogen, stamelen, dat hij: “iets gezegd had, dat niet waar was, boe-hoe!”

Tegen zeven uur was hij dus dezen avond buitengewoon berouwvol gestemd geweest; verscheidene tranen waren langs zijne wangen gerold, en hadden zich vermengd met den inkt van het huiswerk, dat hij bezig was voor de gouvernante te maken. Hij installeerde zich naast Meg’s elleboog, en bleef naar haar opzien met een treurigen smeekenden blik, die haar in groote verlegenheid bracht, want zij was door zijn vreemd gedrag begonnen te vermoeden, dat hij op de eene of andere wijze den inhoud van het briefje vernomen had, en haar van haar voornemen zocht af te houden. Hoe langer hij haar bleef aanstaren, hoe rooder zij werd, en hoe minder zij zich op haar gemak begon te gevoelen.

“Je mag mijne nieuwe c-c-catapult hebben!” fluisterde hij met een droevigen, teederen blik, dien zij als eene bede om veilig thuis te blijven uitlegde.

Eindelijk stonden de wijzers op acht uur, en op een oogenblik dat de kinderen een hevigen woordenstrijd voerden over het bezit van een hond, die in den middag Misrule was binnengeloopen, sloop zij onbemerkt de kamer uit. Er was niemand in de vestibule, en zij nam het luchtige, flatteerende doekje, dat zij daar verborgen had, sloeg het om het hoofd, en liep de zijdeur uit en het pad op.

In den tuin was de grond wit van de afgevallen rozenbladeren, en de lucht vervuld met hunne laatste geuren; lang, slank pampasgras teekende zich met sierlijke lijnen tegen de lucht af; eenige inlandsche boomen, die tusschen de gekweekte heesters waren blijven staan, strekten zilverwitte armen omhoog naar de maan, en maakten een spookachtigen indruk op het voortsnellende meisje. Zij vloog het hek uit en naar het eerste grasveld, waarheen de rozengeur niet meer kwam, en waar alleen eene scherpe hooilucht in de stille atmosfeer zweefde. Zij zag meer gomboomen, en meer witte spookachtige armen; opeens bewoog zich iets bij het hek, eenige zacht gefluisterde woorden werden geuit, en Meg stootte vol schrik een kreet uit.

“Hier is de c-c-c-catapult, Meg! neem haar maar!” zeide Bunby, met een bleek en treurig gezicht.

“Akelige jongen! wat kom je hier doen?” zeide Meg boos, zoodra zij van haar schrik bekomen was.

“Ik wilde je alleen maar een genoegen doen, M-M-Meggie!” zeide de kleine jongen droevig snikkend.

Hij had zijne beide armen om haar middel geslagen, en begroef zijn neus in hare wit mousselinen japon. Zij schudde hem haastig van zich.

“Goed, goed; dank je!” zeide zij. “Ga nu naar huis, Bunby! Ik wilde in den maneschijn alleen eene wandeling maken.”

Hij stopte zijne vingers zoo diep in zijne oogen als maar eenigszins mogelijk was, opende zijn mond, en zijne onderlip trok hij al lager en lager naar beneden.

“Ik—ik heb je iets verteld, wat—wat niet waar is!” zeide hij schreiend, en heen en weer wiegelend waar hij stond.

“Zoo? Nu, het is goed! Ga nu maar naar huis!” zeide zij ongeduldig. “Je vertelt altijd onwaarheden, Bunby, dus ben ik volstrekt niet verwonderd. Kom, ga nu!”

“M-maar ik moet je er a-alles van zeggen!” zeide hij, nog altijd bezig zijne oogen in zijn hoofd te drukken.

“Het is niet noodig! Voor dezen keer zal ik je vergeven!” zeide zij grootmoedig, “maar je moogt het niet meer doen. Ga nu maar gauw naar huis, of anders kom je niet klaar met je werk, en dan straft miss Marsh je.”

Zijne oogen kwamen weer op hun gewone plaats terug, en zoo ook zijne handen. Met een volkomen verlicht hart ging hij naar huis. Toen hij een paar stappen geloopen had, kwam hij terug.

“Ben je erg gesteld op de catapult, Meg?” zeide hij vleiend. “Je bent maar een meisje, en dus denk ik, dat je er niet veel aan zult hebben!”

“Neen, ik heb er niets aan. Hier, daar heb je haar, en denk aan je werk!” antwoordde Meg, ongeduldig nu hij zoo treuzelde.

En Bunby, buitengewoon gelukkig, wendde zich voor de tweede maal van haar af en liep vroolijk heen.

In wilde haast, bevende, snelde Meg door de twee nog overige grasvelden.

In het struikgewas aan het einde was alles stil; er was geen geritsel, geen geluid van eene stem, en ook weerklonk niet het geaffecteerde lachje, dat gewoonlijk Aldith’s aanwezigheid aankondigde.

Meg bleef ademloos staan en gluurde door de takken; eene lange gestalte leunde tegen het hek.

“Andrew!” riep zij met gedempte stem, en vergat in haar angst, dat zij hem nooit bij den naam noemde. “Waar zijn de anderen? Is Aldith niet gekomen?”

Zij rook een sigaar, en dichterbij komende, zag zij tot haar doodelijken schrik dat het Alan was.

“O!” riep zij op onbeschrijfelijken toon.

Haar hart bonsde van schrik en schaamte, en scheen toen stil te staan.

Zij zag hem aan alsof zij hem smeekte niet al te slechte gedachten van haar te koesteren, maar zijn gelaat vertoonde de uitdrukking van minachting, die zij begonnen was zoo te vreezen, en zijne lippen krulden zich tot een fijnen glimlach.

“Ik—ik wilde alleen maar even eene wandeling maken; het is zulk een mooien avond!” zeide zij, met een akelig gevoel van machteloosheid, en toen als om zich te rechtvaardigen, voegde zij er bij: “en dan, het zijn de weiden van mijn vader!”

Hij bleef tegen het hek leunen, en keek op haar neer.

“Flossie gaf mij uw briefje, en omdat het voor mij bestemd scheen, en zij mij buitendien zeide, dat het voor mij was, maakte ik het open,” sprak hij.

“U wist, dat het voor Andrew was!” zeide zij, maar zij keek hem niet aan.

“Dat vermoedde ik, toen ik het gelezen had,” antwoordde hij langzaam; “maar Andrew is van avond nog niet thuis geweest, en dus kwam ik in zijne plaats, het is hetzelfde, als het maar een jongen is, nietwaar?”

Het meisje gaf niets ten antwoord, maar hief hare hand op, en trok het doekje dichter om haar hoofd.

Zijne lippen krulden zich iets meer.

“En hoe men kust weet ik ook, dat verzeker ik u … Waarschijnlijk had u dat van mij niet verwacht! O ja, ik weet wel, dat u gezegd heeft, dat u niet gekust wilde worden, maar dat zeggen de meisjes altijd, nietwaar?—zelfs wanneer zij het anders meenen.”

Altijd sprak Meg nog niet, en de kalme, onbarmhartige stem vervolgde:

“Ik vrees, dat het nog wel niet donker genoeg voor u is. De maan is al heel vervelend, vindt u ook niet? Maar, we kunnen misschien een eindje verder nog wel eene donkerder plek vinden, en dan kan ik u zonder gevaar zoenen. Nu? is u altijd zoo stil met Andrew?”

“O, spreek niet zoo!” zeide Meg met smeekende stem.

Dadelijk liet hij den spottenden toon varen.

“Miss Meg, u leek vroeger zulk een flink, aardig meisje,” zeide hij bedaard, “waarom laat u zich bederven door die afschuwelijke Aldith MacCarthy, want zij is afschuwelijk, hoewel u er misschien niet zoo over denkt.”

Meg sprak niet, en bewoog zich niet, en hij vervolgde met een vriendelijken ernst, waartoe zij hem niet in staat had geacht.

“Ik heb haar op de boot gade geslagen, en gezien hoe zij u systematisch bedierf, en ik kon niet nalaten te denken, hoe jammer dat is. Ik heb mij voorgesteld wat ik zou voelen, wanneer mijn klein zusje Flossie ooit in de handen van zulk een meisje viel, en begon te coquetteeren en zich dwaas aan te stellen, en ik dacht er toen ook aan, of u het mij zou kwalijk nemen, als ik er met u over sprak. Is u zeer boos op mij, Miss Meg?”

Maar Meg leunde het hoofd tegen het ruwe hek, en begon te snikken—kleine, droge, innig droevige snikken, die tot het gevoelige hart van den jongeling spraken.

“Ik had niet zoo moeten spreken, als ik in het begin deed—ik ben een lomperd geweest,” zeide hij vol berouw, “vergeef het mij, wil u? och, doe het, Miss Meg, ik zou liever mijne hand afhouwen, dan u werkelijk pijn doen!”

Dit laatste was ten minste een kleine troost, en Meg hief eene halve seconde lang het hoofd op; wit en ernstig was haar gelaat in het maanlicht, en nat van tranen.

“Ik—ik—o! ik ben heusch niet zoo slecht als u denkt,” zeide zij deemoedig; “ik wilde in het geheel niet gaarne deze wandeling maken, en o! heusch, heusch, heusch, ik zou niemand toestaan mij te zoenen. Geloof het toch!”

“Ik geloof u, ik geloof u werkelijk,” zeide hij met overtuiging; “ik heb het alleen gezegd, omdat—wel, omdat ik een groote, ruwe lomperd ben, en niet weet hoe ik met een teer, zacht meisje moet spreken. Lieve Miss Meg, geef mij uwe hand en zeg mij, dat u mijne onbesuistheid vergeeft.”

Meg strekte eene kleine, witte hand uit, en hij drukte deze met warmte. Toen liepen zij samen door de grasvelden, en scheidden bij een gebroken hek, dat toegang gaf tot den tuin.

“Ik zal nooit meer coquetteeren zoolang als ik leef!” zeide zij met grooten ernst, toen hij afscheid van haar nam; en hij antwoordde bemoedigend:

“Ik ben er van overtuigd, dat u het niet zal doen—dat is iets voor meisjes als Aldith! U moest alleen maar daarop gewezen worden. Vaarwel, Miss Meg!”