“Zij gleed van den stoel en viel flauw juist in de armen van Dr. Gormeston.”

“Zij gleed van den stoel en viel flauw juist in de armen van Dr. Gormeston.”

HOOFDSTUK IX.

GEVOLGEN.

“Hoe kwam het toch, dat gij dit deedt?

Berouw komt spoedig, zoo ge weet!”

Maar Megs moeielijkheden waren nog niet ten einde. Toen zij het huis binnentrad, kwam Nell in de vestibule op haar toe geloopen, en staarde haar aan.

“Waar ben je toch geweest?” zeide zij, en hare ronde oogen waren een en al verbazing. “Ik heb je overal gezocht.”

“Waarom?” vraagde Meg kort.

“Dokter Gormeston en Mevrouw Gormeston en twee dames Gormeston zijn in het salon, en ik geloof, dat ze heelemaal niet meer weg gaan.”

“Nu?” zeide Meg.

“En de Generaal is weer ziek, en Esther zegt, dat zij hem voor niets en voor niemand eene seconde alleen wil laten.”

“Nu?” zeide Meg nog eens.

“En vader is zoo kwaad als hij maar zijn kan, en hij moet ze allen bezig houden. Hij heeft: “Mijn eerste liefde” en “Mona” gezongen, en hij heeft hun alles van zijne paarden verteld, en nu denk ik, dat hij niet weet, wat met hen te beginnen!”

“Nu, daar kan ik niets aan doen,” zeide Meg met moede stem, en alsof wat Nellie zeide, haar in het geheel niet aanging.

“Dat zal dan toch wel dienen!” riep Nell scherp. “Ik heb gedaan wat ik kon, hij heeft om de meisjes gezonden, en omdat jij er immers niet was, waren er alleen Baby en ik.”

“En wat hebben jelui gedaan?” vraagde Meg, nieuwsgierig tegen wil en dank.

“O, Baby heeft met de eene juffrouw Gormeston zitten praten, en zij vraagden mij, iets op de piano te spelen,” sprak zij, “en dus heb ik mijn nieuwe stukje gespeeld. Toen ik er mede klaar was, merkte ik eerst dat er twee kruisen aan den sleutel staan,” voegde zij er treurig bij. “En toen heeft Baby aan mevrouw Gormeston verteld hoe Judy den Generaal in de kazerne heeft gelaten, en hoe zij daarom naar de kostschool gezonden is, en van den groenen kikvorsch, dien Bunby haar gegeven heeft, en toen zeide vader, dat wij maar liever naar bed moesten gaan, en vraagde, wanneer jij nu toch eindelijk kwaamt.”

“Ik ga, ik ga!” zeide Meg haastig, “hij zal er morgen vreeselijk woedend om zijn. En, Nell, ga Martha zeggen, dat zij over een half uurtje wijn en koekjes binnen brengt.”

Zij wierp haar shawltje af, bracht vlug het haar in orde, en keek in den spiegel der vestibule of de nachtwind de sporen harer tranen had weggevaagd.

Toen ging zij het salon binnen, waar haar vader stond, met een hoogrood en ongelukkig gezicht zijn best doende om vier gasten te amuseeren, die tot het soort, gewoonlijk bekend als “zwaar op de hand,” behoorden.

“Speel eens iets, Meg!” zeide hij, toen de begroeting was afgeloopen, en allen in een diep zwijgen dreigden te vervallen; “of zing eens, dat is nog beter,—heb je niet iets om te zingen?”

Nu had Meg eigenlijk eene aangename, frissche, niet zeer sterke stem, naar welke men wel met genoegen kon luisteren, maar dien avond was zij vermoeid en opgewonden en treurig. Zij koos een eenvoudig lied en zong dikwijls valsch en zonder de minste uitdrukking.

Zij wist, dat haar vader, zoolang haar gezang duurde, op heete kolen stond, en dat hare fouten hem doodelijk ergerden, en toen het lied geëindigd was, begon zij, liever dan zich om te keeren, en allen aan te moeten zien, Kowalski’s Marche Hongroise te spelen. Maar de toetsen schenen naar haar toe te komen en hare handen te willen grijpen, en de piano scheen te wankelen en verontrustend heen en weer te schuiven; zij liet een afschuwelijken dissonant hooren, toen zij, om zich vast te houden, naar den muzieklessenaar greep, en gleed een oogenblik later van den stoel en viel flauw, juist in Dr. Gormeston’s armen, die gelukkig bij tijds uitgestrekt werden.

Opgewonden, overprikkeld als zij was, had de drukkende warmte van het salon haar bevangen.

Kapitein Woolcot was buitengewoon geschokt door dit voorval; met geen enkele van zijne kinderen was ooit te voren zoo iets gebeurd, en toen Meg op de sofa lag, en haar blond hoofdje tegen de roode kussens steunde, terwijl haar gelaat zoo bleek en zielloos was, geleek zij wonderlijk veel op hare moeder, die hij nu vier jaren geleden naar het kerkhof gebracht had. Hij ging naar den filter om een glas water te halen, en, terwijl het vocht uit de kraan liep, dacht hij er dof en werktuigelijk over na, of zijne kleine gestorven vrouw misschien ook dacht, dat hij te snel had gehandeld, toen hij Esther tot hare opvolgster koos. En daarop, terwijl hij naast de sofa stond, en naar dat gelaat keek, dat zooveel had van dat eener doode, dacht hij met eene koude huivering, of Meg ook zou sterven, en wanneer dit gebeurde, of zij dan die zelfde kleine vrouw zou kunnen zeggen, dat Esther aan zijne zijde meer liefde ondervond dan haar deel was geweest.

Zijn gepeins werd afgebroken door de scherpe, verbaasde stem van den dokter. Hij sprak met Esther, die haastig was geroepen, en die Megs taille had helpen openhaken.

“Het meisje heeft zich veel te veel geregen!” zeide hij. “Dat moet u toch ook opgemerkt hebben, mevrouw! Wanneer die drukking altijd even sterk is geweest, dan was die alleen al genoeg, om haar half dood te maken. Eene flauwte!—het verbaast mij, dat haar zoo iets niet eerder overkomen is!”

Eene wolk trok over Esther’s liefelijk, nu zoo bezorgd gelaat—nog eens was zij in het uitoefenen harer taak te kort geschoten. Haar echtgenoot keek haar met een duisteren blik aan, terwijl hij bij de sofa stond, waarop de jonge gestalte in hare verkreukte mousselinen japon lag, en haar hart zeide haar, dat zij niet als eene moeder voor deze kinderen zorgde.

Later, toen Meg te bed lag en alles meer tot kalmte was gekomen, zocht zij bijna schuchter haar echtgenoot op.

“Ik ben eerst twintig, Jack! Wees niet hard!” zeide zij met een snik. “Ik kan niet geheel voor hen zijn, wat zij voor hen was, is het wel zoo?”

Hij kust het jonge, schoone hoofd dat tegen zijn schouder lag, en sprak een paar teedere woorden tot haar. Maar telkens en telkens weer stond hem dien nacht Megs wit, onbeweeglijk gelaat voor den geest, zooals het op de roode kussens gelegen had, en hij wist, dat de wind, die de gordijnen voor het venster bewoog, enkele minuten geleden met het lange gras op het kerkhof gespeeld had.