Een paar weken waren voorbijgegaan sinds het vertrek van den Czaar, en reeds twee malen was hij in Saardam terug geweest. Den eersten keer in het hartje van den nacht, op den 30en Augustus, dus slechts enkele dagen na zijn vertrek. Hij kwam om zijne gereedschappen te halen, want hij had te Amsterdam verlof gekregen om zich verder op de Admiraliteitswerf in de praktijk van den scheepsbouw te oefenen. Aldaar was hem ook een gebouw ten gebruike afgestaan. En den tweeden keer was hij gekomen, om het overwinden van een schip te zien over den Dam, waartoe hij door Sinjeur Calff uitgenoodigd was. Om te maken, dat er bij die gelegenheid niet al te veel volk zou samenstroomen, had men het gerucht uitgestrooid, dat de Czaar voor de uitnoodiging had bedankt. De Vorst bekeek alles met de grootste belangstelling, en hij deed dien dag ook nog een grooten inslag van gereedschappen, welke hij zelf naar zijn boeier droeg. Twee dagen later kwam zijn gevolg terug. Menzikoff kwam bij Gerrit Jansz. op het masten maken, en Golofkin leerde bij Paulus Teeuwissen het bootenmaken. Eerst beklaagden zij zich sterk over den ruwen arbeid, waartoe zij door hun gebieder gedwongen waren, maar langzamerhand gewenden zij er aan. De Czaar kwam hen dikwijls bezoeken in hun gebouw aan de Oostzijde, de Steenenkamer genaamd, en dan bracht hij den avond meestal bij Sinjeur Calff door, met wien hij zeer bevriend was.
Zoo gingen de dagen voorbij, en nog altoos waren de Groenlandvaarders niet teruggekeerd.
Er heerschte groote droefheid in menig gezin, en ook in het eenvoudige huisje van de weduwe Willemsz werden bange dagen doorgebracht.
Dag-in en dag-uit klonk de vraag van de moeder, als Jacob binnenkwam: „Nog geen tijding, Jacob!”
„Niets, Moeder, totaal niets!” was dan het antwoord, en dan druppelden groote tranen uit de oogen der moeder, en had Jacob moeite, om de zijne te bedwingen. Soms stond hij op, en sloeg haar de armen teeder om den hals, en dan kuste hij haar, zeggende:
„Moederlief, houd toch goeden moed! Nòg hebben we geen zekerheid, en alles kan nog ten beste keeren.”
Maar dan schudde zijne moeder ongeloovig het hoofd, en zuchtte:
„Neen, kind, neen, ’t is alles voorbij. Ik heb mijn lieveling verloren en zal hem nooit wederzien. O, had ik hem toch niet laten gaan …”
Zij werd stil en in zichzelf gekeerd, zoodat Jacob het zijn plicht achtte, haar zooveel mogelijk gezelschap te houden. En dan spraken zij samen altoos over Jan, en als zij dat niet deden, waren toch hunne gedachten bij hem.
Eens op een Zaterdag, een paar weken na het vertrek van den Czaar, kwamen de jongens hem afhalen, om te gaan spelen. ’t Waren zijne gewone kameraden, met wie hij meestal omging: Nicolaas Calff, met Castor natuurlijk, want die was altoos in zijn gezelschap, Dirk en Teeuwis Rogge, Jan Gekeer, Aart Bloem, Cornelis Noomen en Ary Kist.
„Jacob, ga je meê?” vroeg Nicolaas Calff. „We gaan naar het Hemveld.”
„Och,” zei Jacob, „ik moest maar thuis blijven. Ik heb toch den rechten lust niet in spelen.”
„Kom, ga meê!” zeide Ary Kist. „Toe maar. Je kunt toch altoos niet in huis zitten?”
Vrouw Willemsz keek haar zoon aan, en zeide:
„Wel ja, kind, waarom zou je niet meêgaan? Ga gerust, als je maar zorgt, op etenstijd thuis te zijn.”
Maar Jacob scheen niet veel lust te hebben, en zijn kleine zusje, met wie hij aan het spelen was, toen de jongens hem kwamen halen, riep hem toe:
„Boer hier blijven. Ikke paadje jijden!”
„Neen jongens,” zei Jacob, „ik blijf maar liever thuis.”
Doch Ary Kist nam hem bij den arm, en trok hem naar buiten.
„Gekheid,” zei hij beslist, „jij gaat met ons meê. Dag buurvrouw!”
Jacobs aarzeling was thans overwonnen, en nu hij eenmaal besloten was, vond hij het toch wel prettig ook, om bij zijn makkers te zijn. In het vuur van het spel vergat hij gewoonlijk zijn verdriet en werd hij even vroolijk als altoos.
„Waar zullen we heengaan? Naar het Hemveld, of naar Westzaan?” vroeg Ary Kist.
„Naar het Hemveld; dat is eenmaal afgesproken!” antwoordde Arent Bloem, en zonder tegenspraak legden de andere jongens zich bij zijne beslissing neer. Zij liepen den Hoogendijk af en bereikten weldra het veld, waar zij dikwijls gingen spelen. Zij waren er zoo vrij als de vogeltjes in de lucht, en konden er om zoo te zeggen doen, wat zij verkozen. Het was een klein schiereiland, dat aan drie kanten begrensd werd door het water van het IJ. Hoog riet groeide aan den oever, en de jongens vonden er wel het een of ander, dat hun belang inboezemde.
„Wat zullen we doen?” vroeg Ary Kist. „Verstoppertje?”
Dat spelletje deden zij er dikwijls, omdat zij zich in het riet zoo mooi konden verschuilen.
Het voorstel vond algemeenen bijval. Cornelis Noomen plukte een handvol grassprietjes en liet er ieder een trekken. Wie het langste sprietje trok, moest zoeken. Jan Gekeer was de gelukkige. Hij moest zich in een droge sloot afzonderen, om den anderen gelegenheid te geven, zich te verschuilen. En ieder zocht een goed plaatsje op aan den oever of in het hooge gras.
Toen Jan meende, dat hij lang genoeg in zijn sloot had doorgebracht, liet hij een langgerekt oe-oe-oe-oe! hooren, om de jongens te waarschuwen, dat hij in aantocht was, en van verschillende kanten werd zijn geroep op dezelfde wijze beantwoord. Een paal, op het midden van het veld, was honk. Zoodra Jan iemand ontdekt had, moest hij zijn naam roepen en eerder dan deze den paal trachten te bereiken, want was de andere jongen hem voor, dan kon deze hem tikken, en moest hij opnieuw zoeken.
De jongens hielden zich doodstil, om hunne schuilplaats niet te verraden.
Jan Gekeer begaf zich eerst naar den paal, om van daar uit zijn verkenningstochten te beginnen. Hij moest dat uiterst behoedzaam doen, want liep hij een van de jongens voorbij, zonder diens schuilplaats te ontdekken, dan kon deze opspringen en naar den paal snellen. In dat geval had Jan het verloren.
Hij bewoog zich stapje voor stapje, en speurde links en rechts. Het minste geritsel kon hem eene schuilplaats van een der jongens verraden.
Ha, daar bewoog zich iets in het lange gras. Jan stond stil en keek uit, of hij geen hoofd boven de grashalmen zou zien verschijnen. Hij wachtte geduldig, wetende, dat de jongen zich oprichten zou om te zien, of Jan al ver genoeg van den paal verwijderd was, teneinde met hoop op succes den wedloop te kunnen beginnen.
Daar verscheen een hoofd behoedzaam boven de graspluimen, en nauwelijks had Jan het gezien, of hij riep:
„Ary Kist!”
En tegelijkertijd snelde hij naar den paal terug.
Zoodra Ary zich ontdekt zag, sprong ook hij op, om te trachten eerder dan Jan den paal te bereiken, maar hij moest het verliezen. Ary werd gevangen. Jan Gekeer kon veel harder loopen dan hij.
't Werd nu voor Jan gevaarlijker, want Ary Kist had er natuurlijk belang bij, dat een van zijne makkers het won. In dat geval mocht hij zich ook weer verschuilen. Hij trachtte dus zijn makkers te waarschuwen, indien er gevaar dreigde. Was Jan nog dicht bij den paal, dan riep hij: „Blijf! Blijf!” Maar waagde Jan zich iets verder, dan klonk zijn raad: „Kom uit! Kom uit!”
Jan was echter voorzichtig en vlug. Teeuwis Rogge, die op het geroep van „Kom uit! Kom uit!” den wedloop gewaagd had, moest ook het onderspit delven. Evenzoo ging het met Dirk Rogge, die het bijna van Jan gewonnen had, toen hij plotseling struikelde en met zijn neus in het lange gras terecht kwam. Jan kreeg gelegenheid het pleit te winnen.
Eindelijk waren er nog maar twee jongens overgebleven, en het kon Jan maar niet gelukken, hunne schuilplaats op te sporen. ’t Waren Nicolaas Calff en Jacob Willemsz. Zij hadden zich aan het uiterste puntje van het Hemveld achter het hooge riet verborgen, en hielden zich doodstil. Zij waren zoo diep mogelijk neergehurkt, en Castor lag onbeweeglijk aan de voeten van zijn jongen meester. Hij gaf geen kik en bewoog nauwelijks den kop, om Nicolaas even aan te kijken.
't Riet was op de plaats, waar zij zaten, verbazend hoog en dicht, en ’t zou Jan Gekeer moeilijk vallen, om hen op te sporen. Zij hadden het plaatsje langs een kleinen omweg achter het riet om bereikt, zoodat er geen spoor was, dat den verkenner den weg kon wijzen.
Achter hen, bijna tegen hunne hielen, klotsten de golven van het IJ, op welk breed water de beide knapen thans een prachtig gezicht hadden. Er was eene drukke scheepvaart. Mooie boeiers passeerden van en naar Amsterdam, bootjes, soms met zingende roeiers, voeren op eenigen afstand voorbij, en fraaie tentjachten met voorname juffers gleden statig langs hen heen. De jongens werden niet moede, er naar te kijken. ’t Riet vóór hen was zoo dicht, dat zij Jan Gekeer niet konden zien aankomen. Zij wisten dan ook vooraf, dat zij verloren waren, zoodra zij ontdekt werden, want dan had Jan wel zooveel op hen voor, dat hij gemakkelijk het eerst den paal bereiken kon.
Maar het geroep van hunne makkers: „Blijf! Blijf!” of „Kom uit! Kom uit!” drong zeer duidelijk tot hen door. Zij stoorden zich echter aan het een noch het ander, en bleven stil zitten.
„Hij vindt ons hier nooit, denk ik,” zei Nicolaas Calff. „’t Is onmogelijk voor hem, om door het riet heen te kijken.”
„Neen, gemakkelijk zal hij ons niet vinden,” meende Jacob. „Maar hij is een slimmerd, en je bent hem niet gauw te vlug af. Hoort de jongens eens roepen: „Kom uit! Kom uit!” Ik wed, dat ze allen al gesnapt zijn, en dat het nog alleen om ons te doen is.”
„Best mogelijk,” zei Nicolaas. „Hoor eens!”
„Kom uit! Kom uit!” werd er thans weer met alle kracht geroepen, zeker omdat Jan Gekeer zich zeer ver van den paal gewaagd had.
„Toch blijven we zitten,” zei Nicolaas. „We zitten hier best!”
„Ja, dat is wel waar, maar zou ik niet eens gaan kijken, waar Jan ongeveer is? Als hij den verkeerden kant uitgeloopen is, zouden wij het kunnen wagen, om van wal te steken.”
„Niet doen, Jacob, niet doen! Laat hem maar zoeken. Hij vindt ons nooit.”
De jongens hielden zich stil, en lieten weer hun blik over het IJ glijden. Opeens sprong Jacob overeind, en driftig zijn makker bij den arm grijpende, riep hij hem met hokkende stem toe:
„Kijk daar eens, Nicolaas, kijk daar eens! Ginds komen de Walvischvaarders terug!”
Nicolaas was ook opgesprongen en keek naar een aantal schepen, dat met volle zeilen naderde.
„Ja,” zei hij, „daar komen de Walvischvaarders terug.”
Hij vestigde vol medelijden zijn blik op zijn makker, die bijna met zijn voeten in het water stond. De arme jongen wilde zoo dicht mogelijk bij de schepen zijn, om dadelijk bericht te kunnen inwinnen omtrent het Bonte Calff. Het ontging Nicolaas niet, dat Jacob doodsbleek zag. Deze nam elk schip met de grootste nauwkeurigheid op, en mompelde eindelijk:
„Het Bonte Calff is er niet bij.” En hardop liet hij erop volgen:
„Het gerucht heeft ons niet bedrogen, Nicolaas. Het Bonte Calff keert niet terug.”
Groote tranen druppelden hem van het gelaat, en ook Nicolaas was zeer ontroerd.
De beide jongens hoorden niet eens, hoe hunne makkers luidkeels riepen, om hen te waarschuwen:
„Kom uit! Nicolaas en Jacob, kom uit!”
Zwijgend stonden zij aan den oever, en tuurden naar de schepen, die vlug naderbij kwamen. Zij konden de mannen op het dek reeds zien.
„Kom uit! Jacob en Nicolaas, kom uit!” klonk het nogmaals achter hen. Maar de jongens bleven als standbeelden staan, de oogen scherp op de schepen gericht.
„Het is zoo, Jacob,” zei Nicolaas zacht, terwijl hij hem den arm op den schouder legde, als om hem te troosten, „er is er een minder, dan bij de uitvaart. Het Bonte Calff is vergaan, helaas!”
„Jacob Willemsz en Nicolaas Calff!” klonk plotseling de stem van Jan Gekeer, die hen eindelijk had gevonden. En vlug als de wind maakte hij rechtsomkeer, om het eerst aan den paal te komen. Hij was overwinnaar, en thans was de beurt om te zoeken aan een ander.
Tot groote verwondering van de andere jongens bleven Jacob en Nicolaas echter onzichtbaar. Jan Gekeer was al lang bij den paal terug, en nog kwamen zij niet.
„Ik heb ze toch eerlijk gesnapt!” zei hij. „Komt, ga jelui mede? Dan gaan we kijken, waar zij blijven.” Even later werd het lange riet op zijde geduwd, en kwamen al de jongens op de punt van het schiereiland bij elkander.
„Waarom kom je niet?” vroeg Jan Gekeer. „Ik heb je eerlijk geroepen.”
Nicolaas antwoordde niet. Hij wees alleen op de naderende schepen. En de jongens zagen, dat Jacob Willemsz doodsbleek zag, en dat hij schreide.
Zij hadden innig met hem te doen. Zwijgend telden ook zij de schepen, en met deernis ontwaarden zij, dat er een minder was dan bij de uitvaart.
't Was duidelijk: het Bonte Calff ontbrak.
Er werd geen woord onder de jongens gesproken. Castor alleen maakte wat leven, doordat hij eene rat had gezien, die hij gaarne vangen wilde. Het beestje was hem echter te vlug af.
De schepen kwamen al nader. De zeilen stonden bol, en de wind speelde lustig met de wimpels.
Opeens zei Ary Kist:
„Luister eens, jongens! ’t Is net, of ik op het voorste schip hoor zingen.”
„Het voorste is de „Groenlander,” zei Dirk Rogge. Hij herkende het schip, omdat zijn vader het gebouwd had.
„Stil,—laten we luisteren,” zei Ary Kist.
De jongens stonden onbeweeglijk. Inderdaad, er werd op de „Groenland” een matrozendeuntje gezongen. Zij herkenden aan de wijs het lied, hoewel zij de woorden niet konden verstaan.
't Luidde:
Matroosje, die de Zee bemint,
En kleine schatten overwint,
Die vaart naar ’t Oosten en naar ’t West,
En houd de warmte voor het best,
Daar moet men waters drinken,
Die wel stinken.
Zijt gij het warme land nu moe,
Zoo peurt eens meê naar Groenland toe,
Daar zult gij over vuilen stank,
Van ’t stinkend water tot uw drank,
Noch over heete dagen
Niet veel klagen enz.
„Dat is gemeen, om te zingen, nu er zooveel menschen niet terugkeeren,” zei Ary Kist met verontwaardiging.
„Dat is het ook,” beaamde Arent Bloem, en de andere jongens waren dat ook met Ary eens. Zij hadden thans dubbel met Jacob te doen, wien dat zingen wel allerakeligst in de ooren moest klinken.
Deze sprak geen woord. Hij staarde maar onophoudelijk naar het voorste schip, gereed om dadelijk inlichtingen te vragen, zoodra het dicht genoeg genaderd zou zijn.
„Jongens, ’t kan wel een goed teeken zijn,” sprak Nicolaas Calff. „Ik kan niet gelooven, dat zij zingen zouden, als daartoe geen reden bestond.”
„’t Is mogelijk,” zei Ary Kist. „Maar ik geloof er niet veel van. Hoor eens aan, ’t schijnt wel een algemeen gezang. De heele bemanning zingt, geloof ik, meê.”
Jacob stond te trappelen van ongeduld. Hij voelde niet eens, dat het water hem af en toe over de voeten stroomde. Ha, eindelijk was het voorste schip dicht genoeg genaderd, om het te kunnen beschreeuwen.
Hij hield zijn handen bij wijze van trompet om den mond, en riep uit alle macht:
„Hallo! Hallo!”
De mannen op het dek merkten de jongens op, en wuifden hun toe. Maar zij gingen voort met zingen, en hoorden niet, wat Jacob hun toeriep.
Het schip voer voorbij, en het tweede naderde. Maar ook daar klonk een lustig lied. De mannen gaven uiting aan hun vreugde, nu zij de groote reis achter zich hadden en het geliefde Saardam voor zich zagen oprijzen.
Opeens greep Nicolaas driftig zijn vriend Jacob bij den schouder en schudde hem krachtig heen en weer.
„Jacob! kijk eens,—kijk eens. Bedrieg ik mij, of—is dat—o hemel, ik durf het haast niet zeggen,—kijk, daar in het vierde schip.—Wie klimt daar in den mast, en wuift ons toe met zijne muts? Ja—Ja, hemel, Jacob, zie je ’t dan niet—dat is toch Jan,—dat is toch Jan,—dat is toch Jan!”
En Nicolaas beefde van vreugde, terwijl hij die woorden gejaagd uitsprak.
Alle jongens vestigden hun blik op het vierde schip. Daar klom inderdaad een jongen halverwege den mast in, en wuifde hun vandaar toe met zijne muts.
„’t Is hem!—’t Is hem!” riep Teeuwis Rogge.
„’t Is hem vast en zeker!” schreeuwde Ary Kist. „Jacob, zie je ’t? ’t Is Jan, zoowaar als ik leef!”
Hij nam zijne muts van het hoofd en zwaaide er lustig mede. „Hoezee! Hoezee! Hoezee!” riep hij Jan toe. En alle jongens volgden zijn voorbeeld.
„Hoezee! Hoezee! Hoezee!”
Alleen Jacob wuifde niet. Hij lachte en schreide tegelijk en strekte de beide armen naar Jan uit. O, hij wist het nu zeker: ’t was Jan, zijn broer. Zonder nadenken stapte hij een paar schreden voorwaarts, alsof hij hem in de armen wilde drukken,—en nog voelde hij in de vreugde zijns harten niet, dat hij druipnatte voeten kreeg.
„Jan!—Jan!” riep hij dankbaar en verheugd uit.
„Hoezee! Hoezee! Hoezee!” klonk het achter hem. En zijne makkers trokken hem bij den arm terug, en zeiden lachend:
„Wou je naar hem toe zwemmen, Jacob? Kom mede, laten we naar Saardam terugkeeren, en het je Moeder vertellen.”
„Ja, ja, en de andere menschen, die ook zoo in spanning hebben verkeerd over hunne mannen,” zei Nicolaas. „Wat zullen zij blijde zijn!”
„Ja, ik ga meê,” sprak Jacob. Maar eerst riep hij met inspanning van al zijn krachten:
„Dag Jan! Dag Jan!”
En hij wuifde hem toe met de hand.
Een huivering van geluk doorvoer hem, toen hij duidelijk de woorden hoorde:
„Dag Jacob! Tot straks!”
Nog eenmaal zwaaide hij met zijne muts, en toen ijlde hij met zijne makkers naar Saardam terug. De jongens konden hem bijna niet bijhouden, maar Castor sprong vroolijk blaffend voor hen uit.
Zij kwamen vele menschen tegen, want in Saardam was de komst van de walvischvaarders reeds opgemerkt, en men liep de schepen tegemoet, om te hooren, hoe het met de bemanning van het Bonte Calff was afgeloopen.
„De schepen komen!” riepen de jongens hun toe. „En de bemanning van het Bonte Calff is gered!”
Die blijde boodschap verkondigden zij wel honderdmaal, en tegen iedereen, die haar hooren wilde. En van mond tot mond ging de tijding:
„De bemanning van het Bonte Calff is gered.” Groote vreugde heerschte in menig huis, waar enkele oogenblikken geleden nog heete tranen werden geschreid. Ja, heel Saardam verkeerde in feeststemming.
Jacob had spoedig den Lagen Horn bereikt. Hij wierp de deur van zijn huis open en stormde naar binnen.
„Moeder, Moeder!” riep hij hijgend, want hij was bijna geheel buiten adem van het harde loopen. „Moeder, de vloot keert terug!”
Maar opeens bedacht hij, dat hij voorzichtig moest wezen. De groote vreugde kon zijne moeder wel eens gevaarlijk worden.
Zij keek hem ontroerd in het roode gelaat, en zag, hoe zijne oogen glinsterden van vreugde.
„De vloot keert terug,” mompelde zij zacht. Hare handen beefden en hare lippen trilden.
„Ja, Moeder,—en o, ik ben zoo blij!” zei Jacob, die in de vreugde zijns harten zijne Moeder omhelsde en haar innig kuste. Zacht fluisterde hij haar toe:
„O, Moedertje, wat een geluk. De bemanning van het Bonte Calff is gered!”
„Gered?” stamelde de weduwe. Zij vouwde de handen samen, en keek haar zoon ongeloovig aan. „Gered? Jacob,—weet je dat zeker?”
„Ja, Moeder, ik weet het zeker. Ik heb Jan gezien, Moeder, hij heeft mij gegroet. O, wat heb ik hard geloopen, om het u spoedig te komen zeggen …”
Zijne Moeder was buiten zichzelve van vreugde, en zij moest op een stoel plaats nemen, om niet te vallen. Ook zij lachte en weende tegelijk, en zij dankte den Heer des Hemels voor de redding van haar kind.
Jacob nam intusschen dol van blijdschap zijn zusje bij de twee handjes, en sprong met haar de kamer rond.
„Zus,—straks komt broer Jan! Straks komt broer Jan!” riep hij haar telkens toe.
En zus vond dat dansen en springen wat aardig, nog veel aardiger dan het bericht, dat Jan spoedig thuis zou komen. Het kleine ding was haar broer Jan al bijna vergeten.
Opeens stond de weduwe op. Zij nam kleine zus in de armen en sprak:
„Kom zus, wij gaan broer Jan halen. Kom, ik moet hem zien, ik moet hem zien. Hier houd ik het niet uit.”
Moeder, zoon en dochter verlieten het huisje, en begaven zich naar den Zuiddijk, waar de walvischvaarders spoedig zouden aankomen. Wat stond het daar al vol menschen, allen in druk gesprek over de heugelijke tijding, dat de bemanning van het Bonte Calff gered en behouden binnengekomen was. Vreugde stond op ieders gelaat te lezen.
Toen de weduwe Willemsz met haar beide kinderen naderde, weken de menschen voor haar op zijde, om haar door te laten, en iedereen had een vriendelijk woord en een gelukwensch voor haar over. Hoe verheugde men zich ook over het geluk van deze arme vrouw.
Daar kwamen de schepen aan. De zeilen werden gestreken. De bemanning werd door honderden armen het welkom toegewuifd.
Mannen en vrouwen verdrongen elkander, om het dichtst bij den wal te komen.
De booten werden uitgezet, en de walvischvaarders stapten weldra aan land.
Ook Jan betrad weer den vaderlandschen grond, en hij wierp zich in de uitgebreide armen zijner moeder. ’t Was eene omhelzing, waaraan bijna geen einde kwam. Telkens en telkens weer kuste zij den doodgewaanden zoon, telkens en telkens weer drukte zij hem vurig aan haar hart. Toen kwam Jacob aan de beurt, en kleine zus, en even later ontmoetten zij de jongens, die met Jacob op het Hemveld waren geweest.
Wat werden er handen gedrukt! Wat klonk er een luid en hartelijk gemeend: „Hoezee, Hoezee!” ter eere van Jan. In optocht brachten zij hem naar het welbekende huisje op den Lagen Horn.
's Avonds kwamen daar nog Sinjeur en Juffrouw Calff om Jan te begroeten en de weduwe geluk te wenschen met de behouden terugkomst van haar kind. En Castor, die met zijn meester medegekomen was, herkende Jan, en likte hem kwispelstaartend de handen.
Wat had Jan dien avond veel te vertellen! En hoe luisterden allen naar zijn verhaal van het vergaan van het Bonte Calff.
„Wij hadden juist een buitengewoon grooten walvisch geflenst,” zoo vertelde hij, „toen er een zeer harde wind uit het Oosten opstak, die het schip geheel met ijs bezette, en toen de schotsen braken door de holle zee, kregen wij het kwaad te verantwoorden. De ijsschotsen schuurden langs het schip met een verbazend geweld, en soms werd het dek er haast onder begraven. Dat gebeurde telkens als er een stortzee kwam. De Commandeur gelastte om de voorzeilen los te maken, met het doel om dieper in het ijs te zeilen, waar de zee altoos kalmer is. Maar door het kruien van het ijs was het roer uit zijne vingerlingen gerukt en hing dwars boven het water. ’t Was dus onbruikbaar, en de Commandeur trachtte thans het schip in den rechten koers te houden door met de schooten en brassen te sturen. Het schip werd met den ondergang bedreigd, want het ging juist den verkeerden kant op, met den kop naar de open zee. De ijsschotsen, de groote wel te verstaan, werden zoo heftig op en neer bewogen, dat zij soms tot aan de rusten van het schip reikten. Toen maakte de schrik zich van een deel der bemanning meester en zij sprongen over boord, op de schotsen, met het doel een groote schots te zoeken, waarop zij eenigen tijd drijvende konden blijven. Wel een vijf en twintig man verliet ons …”
„En jij?” vroeg Sinjeur Calff, „was jij ook onder die vluchtelingen?”
„Neen Sinjeur,” sprak Jan, „ik bleef bij den Commandeur, die alles deed, om het schip te redden.”
„Die lafaards!” zei Jacob verontwaardigd. „’t Was hun plicht, den Commandeur getrouw te blijven.”
„Juist, dat was het zeker,” sprak Sinjeur Calff. „En Jan heeft goed gehandeld. Vertel verder, Jan.”
„Wij zagen de mannen kruipen van de eene schots op de andere, die heftig op de golven werden bewogen. ’t Is een wonder, dat geen van hen er afgegleden en verdronken is. Vier- en twintig uur hebben zij eindelijk op een groot ijsveld doorgebracht, niet wetende, waarheen het lot hen voeren zou.
Intusschen zetten wij het marszeil op, hopende door krachtig zeilen de schotsen te doen wijken. Maar op eene voorbijdrijvende schots brak de loefmarsschoot aan stukken, waarop het schip tegen de buitenste schots aandraaide zoodanig, dat de geheele zijde inweek. Het Bonte Calff dreef zeewaarts, geheel overzijde hangende, en de Commandeur begreep, dat het spoedig zou omslaan, en op de ijsbergen te pletter loopen. Hij gebood ons daarom in de sloepen te stappen, die gereed hingen om dadelijk over boord gezet te worden.
Dat bevel werd uitgevoerd. Wij verlieten het schoone vaartuig met een gevoel, of wij onzen besten vriend hadden verloren, en we hebben het niet weer terug gezien. Later zagen we er het wrakhout van drijven.
Toen wij in de sloepen hadden plaats genomen, kwam er eene geduchte sneeuwjacht, zoodat we geen handbreed voor ons konden uitzien. Elk oogenblik liepen we gevaar om te slaan, en we zagen niets anders dan den dood voor oogen.
Gelukkig,—eindelijk bedaarde de sneeuwstorm, de lucht klaarde op, en wonder boven wonder, dicht bij ons dreven op eene groote ijsschots de mannen, die van ons weggevlucht waren. Wij voegden ons bij hen en trokken de sloepen op de schots. Nog anderhalf etmaal dreven wij toen op Gods genade voort, uitziende naar redding.
Eindelijk waagde de Commandeur het niet langer. Hij gebood de sloepen weer in zee te brengen, en stapte aan boord.
„Mannen!” sprak hij ernstig, „die mij en zijn leven lief heeft volge mij!”
Allen gehoorzaamden, en wij staken af met een beklemd hart. Maar na twaalf uur omzwervens ontdekten wij een schip. ’t Was de „Vrede,” onder Commandeur Parshout, waar we met de grootste vriendelijkheid werden opgenomen. Maar ik durf zeggen, dat we bange uren en dagen hadden doorleefd.”
„Goddank, dat alles nog zoo goed afgeloopen is!” zei Juffrouw Calff, terwijl zij de weduwe Willemsz de hand drukte. „Er is geen enkel menschenleven bij verloren gegaan. Wij hebben zeer groote reden tot dankbaarheid.”
„En wat is nu je plan voor de toekomst, Jan?” vroeg Sinjeur Calff. „Zit de schrik er in voor eene volgende reis?”
„Allerminst, Sinjeur,” was het antwoord, „ik wensch niets liever dan mij bij een volgende vaart opnieuw te laten aanmonsteren. Dat deze reis ongelukkig geweest is, behoeft nog geen reden te zijn, om een goed vak vaarwel te zeggen. Ik ga weer meê, Sinjeur.”
„Goed gesproken, Jan,” zei de koopman, „doch niet meer als kajuitsjongen, maar als stuurmansleerling. De Commandeur heeft mij gezegd, dat je den stuurman nu reeds van veel dienst zijt geweest, en dat je je een ijverig leerling hebt betoond. Over een jaar of drie hoop ik je stuurman Jan Willemsz te noemen, en binnen een niet te groot tijdsverloop Commandeur. Hier heb je mijn hand er op!”
Jan drukte die met groote dankbaarheid. Hij was er van overtuigd, dat een gulden toekomst hem wachtte.