Jan Willemsz was met goeden moed en vol hoop op de toekomst op weg gegaan, om een bezoek te brengen aan het Bonte Calff en diens Commandeur, welk schip, evenals zeer vele andere, voor de Groenlandsche visscherij werd uitgerust. De walvischvaart was in dien tijd tot grooten bloei gekomen, wat kan blijken uit het feit, dat in dat jaar (1697) niet minder dan honderd en elf schepen ter uitvaart gereed lagen. En een zeer groot deel daarvan hoorde in Saardam thuis en werd door Saardammers bemand. Het is te begrijpen, dat hierdoor groote welvaart in die plaats ontstond. Talrijke scheepstimmerwerven trof men er aan,—want de Saardammers waren om hun voortreffelijken scheepsbouw niet ten onrechte vermaard,—zeilmakerijen, touwslagerijen, kompaswinkels, kortom, van alles wat op de scheepvaart betrekking had, kon men in de Zaansche dorpen vinden. Er heerschte daar in die dagen eene zoo groote bedrijvigheid, dat de bestuurders der gemeente het noodig geoordeeld hadden, de kinderen te verbieden om twaalf uur op straat te loopen, omdat zij anders in gevaar verkeerden onder den voet te raken door het vele volk, dat dan van de verschillende werkplaatsen huiswaarts keerde. Wanneer wij hier nog bijvoegen, dat in datzelfde jaar door de Hollandsche visscherij niet minder dan 1274 walvisschen gedood werden, dan kan men zich eenigszins een denkbeeld vormen van de groote vlucht, die deze visscherij toen genomen had.
Jan Willemsz had het schip spoedig bereikt. ’t Was een zeer mooi vaartuig, dat nog niet lang in de vaart was. De masten verhieven zich fier in de lucht, en de Hollandsche vlag wapperde vroolijk van den top.
Jan wist, dat de Commandeur zich elken dag aan boord bevond, om voor de goede uitrusting te zorgen. En dat vereischte veel nadenken en groote nauwkeurigheid. Het Bonte Calff was een van de grootste walvischvaarders, want hij had 6 sloepen aan boord en zou met 42 koppen worden bemand. ’t Is dus te begrijpen, dat er heel wat voor noodig was. Er lag dan ook een zwerm van booten rondom, die allerlei waren voor de groote reis aanbrachten. Er waren booten met vaten, waarin het spek van den walvisch moest worden bewaard, booten met levensmiddelen, met ankers, harpoenen, touwen, zeilen, enz. enz. De Commandeur liep op het dek rond met een groot papier in de hand, waarop hij telkens aanteekeningen maakte. Een viertal matrozen was druk in de weer, om alles in het ruim te bergen en daar een goede plaats te geven.
Het schip lag een weinig van den wal voor anker, daar het vlak aan den kant op die plaats te ondiep was. Jan moest dus een goede gelegenheid afwachten, om aan boord te komen.
Maar spoedig was die gevonden. Een bootje met ijzerwerk, geroeid door Gerrit Kist, den vader van Ary, kwam aangevaren, en Jan besloot dadelijk hem te vragen, of hij meê mocht aan boord. Kist was een buurman van hem. Hij woonde wel niet vlak naast hem, want Jan’s huis lag aan den Lagen Horn en Kist bewoonde een huis op het Krimp, maar de afstand was toch niet groot, en zij zagen elkander dagelijks. Ook kwam Kist wel bij zijne moeder aan huis, om een buurpraatje te maken.
„Heidaar, Gerrit-buur, mag ik meêvaren?”
„Zoo Jantje, ben jij daar? Met alle plezier, hoor. Ik zal je afhalen.”
Met een paar forsche slagen was Kist naar den wal geroeid, en Jan stapte in de boot.
„Wat moet jij aan boord van dien walvischvaarder doen, Jan?” vroeg Kist nieuwsgierig, want hij zag wel aan het ernstige gelaat van den jongen, dat deze daar niet alleen voor de grap was.
„’k Wil probeeren, of ik kajuitswachter kan worden, buurman,” was het antwoord. „Zou dat gelukken, dunkt u?”
Kist trok een bedenkelijk gezicht en haalde de schouders op. „Je kon wel licht genoeg van postuur zijn, jongen,” zei hij. „Alevel, ’t is te probeeren! Vindt je moeder goed, dat je gaat varen? ’t Is altoos een gevaarlijk werkje. Je weet toch wel, dat er verleden jaar zes schepen van de Hollandsche visscherij verongelukt zijn?”
„Ja, dat weet ik wel, maar moeder vindt het gelukkig goed, buurman. En u moet niet vergeten, dat er heel wat schepen naar het Noorden gaan, dus dat het geen wonder is, als er eens een paar niet terugkeeren.”
„O, ik weet het getal precies. Verleden jaar zijn er honderd uitgevaren en vierennegentig teruggekeerd. Enfin, ’t is eene goede broodwinning, beter dan die van smidsknecht. Ik had ook vrij wat beter gedaan, als ik ambachtsman in Rusland gebleven was, bij den Czaar. Toen verdiende ik goed geld, en tegenwoordig is het maar schraaltjes.—Ohoi, Commandeur! hier is het bestelde ijzerwerk.”
De boot was het schip genaderd, en de Commandeur keek over de verschansing.
„Zoo Gerrit Kist,—ben je daar? Je komt goed op tijd en bent een man van de klok. Wij zullen een ketting over boord gooien, waaraan een haak bevestigd is. Als jij daar de dingen aan hangt, zullen we ze aan boord hijschen.”
„Wel goed, Commandeur, maar hijsch dan eerst dezen jongen aan boord. Hij heeft wat met u te bespreken.”
De Commandeur keek den jongen scherp aan, om te zien, of hij hem kende.
„Wou jij me spreken, ventje?” vroeg hij.
„Graag, Commandeur!” was het antwoord van Jan, die eene kleur kreeg, toen hij den Commandeur ventje tegen hem hoorde zeggen. „Ophijschen is echter niet noodig, Commandeur. Gooi maar een touwtje overboord, dan zal ik me wel redden.”
De Commandeur deed het, en Jan klauterde vlug als eene kat omhoog. Hij wilde toonen, dat hij in elk geval behendig en vlug was, al behoorde hij niet tot de grooten.
„Dat heb je er kranig afgebracht, jongen,” zei de Commandeur. „En wat heb je me nu te zeggen?”
Jan sloeg zijne hand aan de muts, en vroeg flink en op den man af: „Commandeur, ik kom u vragen, of u mij zou willen aanmonsteren als kajuitswachter. Ik ben wel niet groot, maar gezond en sterk …”
„Geen sprake van, knaap,” was het antwoord van den Commandeur. „Je bent vlug genoeg, dat heb ik gezien, maar ik vind je veel te klein van stuk. Kom over een paar jaartjes nog maar eens terug en groei in dien tijd zoo hard, als je kunt. Je moet eerst een hoofd grooter worden.”
Jan hield verdrietig de oogen op het dek gericht, en zijne groote teleurstelling stond hem op het gelaat te lezen. Dat bleef voor den Commandeur, die een goedhartig zeeman was, dan ook niet verborgen, en deze vroeg hem:
„Spijt je dat zoo, mijn jongen? Had-je zoo graag ter walvischvaart willen gaan?”
„Ja, Commandeur,” zei Jan zacht, „en ik had gehoopt, dat u mijn geringe grootte over het hoofd had willen zien, ter wille van mijn armen vader …”
Jan’s gemoed schoot vol, en tranen vulden zijne oogen. „Wij hebben het zoo noodig, Commandeur,” zei hij nog.
„Je vader?—Ken ik dien dan?”
„U heeft hem gekend, Commandeur. Hij heeft onder u zijne laatste reis gemaakt, en is niet weer thuisgekomen. Mijn vader heette Willem Jansz …”
„Willem Jansz? Die arme kerel!” riep de Commandeur uit. „Zeker, zeker, heb ik hem gekend. En ben jij zijn oudste zoon?”
„Ja, Commandeur.”
„Je vader was een beste kerel, hoor, een zeeman op en top. En om zijnentwil zou ik je graag nemen, als ik kon. Maar je bent werkelijk te klein, te licht. De reeders zouden het niet goedkeuren, dat ik je aanmonsterde. En hebben jullie het arm, zeg je?”
„Ja Commandeur, erg arm. We hebben niets meer in huis, en ’t is noodig, dat er verandering kome. Toe Commandeur, heb medelijden en probeer het eene reis met me. Ik zal zóó mijn best doen, dat u geen betere kajuitswachter kunt verlangen.”
„Hoor eens, dat gaat niet,—kort en goed, het gaat niet. Zeg dat maar aan je moeder. Met den besten wil van de wereld kan ik het niet doen. Maar vanavond hoop ik je moeder nog te bezoeken, want als de nood zoo hoog is, moet er geholpen worden …”
„Och, Commandeur, de beste hulp zou wezen, dat u mij aanmonsterde. Wat helpt het al, of wij weer voor een paar dagen uit den nood geholpen worden? En méér zou u toch niet kunnen doen.”
„Neen jongen, meer niet, dat is waar. Maar misschien kan ik je hier of daar aan een stiekje helpen. Ik heb vele kennissen, onder allerlei ambachten. Wat zou je het liefst worden, jongen?”
„Walvischvaarder,” zei Jan.
De Commandeur glimlachte.
„Je hebt een goed tongetje, dat moet ik zeggen. Maar dàt moet je je uit het hoofd zetten, want er kan niets van komen. Hoe heet je?”
„Jan Willemsz, Commandeur.”
„Er zijn, meen ik, nog twee kinderen bij jelui, niet waar?”
„Ja,—een broer en een zusje.”
„Welnu, Jan, het spijt me wel, dat ik je niet helpen kan, maar van avond kom ik bij je moeder. Zeg haar dat. We zullen dan eens zien, wat we doen kunnen.—En nu moet ik je verlaten, want ik heb geen tijd om langer met je te praten. Dag Jan!”
„Dag Commandeur!”
Jan liet zich langs het touw weer in de boot afglijden, en Kist zag dadelijk aan zijn bedroefd uiterlijk, dat Jan onverrichterzake terugkeerde.
„Is ’t mis, Jan?” vroeg hij.
„Ja,—mis. Er is geen sprake van zelfs,” antwoordde Jan.
„Zoo, dat is wel jammer,—ik moet nog verder op; ga-je meê, of wil ik je aan land zetten? Ik moet nog naar de Witte IJsvogel, om een en ander af te laden.”
„Neen, dank u, buurman. Zet me maar aan land, want ik wil liever naar huis terug. U begrijpt, dat Moeder erg nieuwsgierig is naar den uitslag.”
„Ja,—dat begrijp ik zeer goed.”
Kist roeide naar wal, en Jan nam afscheid van hem. Langzaam keerde hij naar huis terug; ’t was of hij lood in zijne schoenen had. Wat was dit eene groote teleurstelling voor hem. Hij had zoo gehoopt, zijn lieve moeder voor goed uit de zorgen te helpen, en nu lag dat heerlijke plan totaal in duigen. Wat moest hij nu beginnen? Een vak leeren?—Maar dan verdiende hij weinig of niets, en moest zelfs al dankbaar wezen, als hij als leerling gratis werd aangenomen. Neen, hoe hij er ook over nadacht,—hij zag de toekomst donker in.
Op dit oogenblik trof een luid gejoel zijn oor, en opziende ontdekte hij in de verte, midden op de Voorzaan, het elftal jongens, dat daar zeeroovertje speelde.
„Daar zal Jacob ook wel bij wezen,” mompelde hij zacht. „Wat zouden zij toch uitvoeren?”
En al spoedig bleek het hem, dat de jongens bezig waren, zich op hoogst gevaarlijke wijze te vermaken. Hij maakte zich ongerust over hen. Een ongeluk was spoedig gebeurd. En nog geen twee minuten later zag hij, dat een van de booten omsloeg. Hij hoorde hier en daar roepende stemmen van schippers en zeelieden,—en hij zag, hoe men in verschillende booten zich naar de plaats des onheils spoedde ….
Ten hoogste ontsteld begaf ook hij zich zoo snel mogelijk derwaarts, maar hij kwam te laat.
Hij vond de jongens schreiende aan den oever, bleek van schrik en bevende van ontroering. Hij hoorde het droevig gejank van den hond, die op de omgekeerde boot langzaam afdreef ….
Met een enkelen oogopslag bemerkte hij, dat zijn broer Jacob zich onder de geredden bevond.
„Goddank,” mompelde hij. „Hij is althans gered. Zegt toch, jongens, wat is er gebeurd? Wat is er?”
„O, o,—o Jan,—wat vreeselijk ….”
„Maar wat dan toch ….?”
„O,—Nicolaas Calff is verdronken … Hij is niet weer bovengekomen ….”
Op het hooren van deze vreeselijke tijding maakte zich ook van Jan eene groote ontroering meester, en hij stamelde met hokkende stem:
„Nicolaas Calff verdronken?… Maar hoe …”
„Hij was op de boot, die daar drijft,” zei Ary Kist. „Maar de boot is omgeslagen, en wij hebben hem niet meer gezien …. O, Jan!…”
De verslagen jongens wrongen radeloos de handen.
„Maar die hond daar?” vroeg Jan. „Waarom komt hij niet aan den wal?”
„Het trouwe beest zoekt zijn meester overal,” zei Jacob met tranen in de oogen. „O God,—Jan,—wat is het vreeselijk. Wat moeten wij toch beginnen ….”
Opeens riep Jan uit:
„Hoort eens, jongens, die hond zit daar niet voor niemendal en het zou me niets verwonderen, als Nicolaas onder die boot lag. Ik ga kijken.”
Jan stapte in de boot van Ary Kist, greep de riemen en stak van wal. Weldra had hij de verongelukte boot bereikt. Castor wachtte zijn komst kwispelstaartend af, telkens zijne aangrijpende jammertonen herhalende.
„Stil maar, Castor. Wij zullen hem wel zoeken, hoor. Stil maar, hondje,” zei Jan, die zich aan de kiel vastgreep en zijn arm zoover mogelijk onder de omgeslagen boot stak.
Maar hij voelde niets,—niets dan water.
„Mijn arm is te kort,” mompelde hij. „Toch ben ik heilig overtuigd, dat hij hier onder moet liggen. Een drenkeling komt immers altijd een of twee malen boven, voordat hij voor goed wegblijft.—Weet je wat,—ik waag er een nat pak aan.—Ik moet zekerheid hebben …”
Onverschrokken liet de dappere jongen zich over boord glijden. Hij hield zich aan den rand van zijne boot vast. Tot aan den hals toe lag hij in het water …
Nu stak hij den anderen arm nogmaals onder de boot, en zijn hart begon hem onstuimig in den boezem te kloppen, toen hij inderdaad bemerkte, dat hij zich in zijne veronderstelling niet bedrogen had. Hij voelde een been …
Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij kon het lichaam van Nicolaas niet onder de boot wegtrekken, zonder zijn eigen boot los te laten,—en wat kon er dan al niet gebeuren? Hij wist, dat hij zijn leven waagde. Toch deed hij het.
Hij greep den rand van de omgeslagen boot, liet zijn eigen vaartuig los, dat langzaam wegdreef, en dook onder water, bijna geheel onder de boot. Toen trok hij het doode lichaam naar zich toe, en hield het met het hoofd boven water.
„Je kunt niet weten …” mompelde hij zacht. „Misschien is er nog leven …”
Met inspanning van al zijne krachten wist hij den drenkeling op de omgeslagen boot te krijgen. Hij hield zichzelf aan de kiel vast, en riep luide om hulp.
De andere jongens hadden zijn daden onder eene ademlooze stilte aangezien, en eene groote vreugde maakte zich van hen meester, toen zij bemerkten, dat Nicolaas gevonden was. Hoewel zij druipnat waren, had niemand van hen den moed gehad, naar huis te gaan. Trouwens, daar zou de tijding van het vreeselijke ongeluk wel al aangekomen zijn. In de verte naderden groote drommen menschen.
Arent Bloem, Ary Kist en Jacob Willemsz sprongen in de boot van Arent, en roeiden Jan met forsche slagen te hulp. Spoedig hadden zij hem bereikt, maar opnieuw maakte eene groote verslagenheid zich van hen meester, toen zij het lichaam van Nicolaas doodsbleek op de boot zagen liggen.
„Dood, Jan?” vroeg Arent zacht.
„Ik vrees het—help mij—til eerst Nicolaas in de boot … Goed zoo, nu mij!”
Jan zat in de boot op het achterbankje. Nicolaas rustte met zijn hoofd op Jan’s knie, en deze hield teeder zijne hand op diens voorhoofd.
Sprakeloos roeiden de jongens naar den wal terug.
Ook de hond was in de boot gesprongen, en likte zijn jongen meester op handen en aangezicht.
„Stil, Castor,—stil, goed beest!” zei Jan. Maar opeens gaf Jan een wilden kreet.
„Hij leeft,—jongens, hij leeft!” gilde hij meer, dan hij riep.
De riemen bleven in rust, en de jongens keken met gerekte halzen naar hun doodgewaanden makker.
„Dan moet hij bewusteloos geweest zijn door gebrek aan lucht onder de boot!” zei Arent Bloem. „Bij het omslaan zal daar lucht onder gebleven zijn, en Nicolaas moet juist onder de boot boven water gekomen wezen.—Nicolaas! Nicolaas!”
En alle jongens riepen schreiende van vreugde: „Nicolaas! Nicolaas!”
Wie beschrijft hunne vreugde, toen zij zagen, dat Nicolaas inderdaad de oogen opende. Flauw, en zonder bewustzijn keek hij hen aan. Toen sloten zijne oogen zich weer.
„Beweeg hem de armen en beenen, jongens,” zei Jan. „Hij komt meer en meer bij, en er bestaat nog hoop. Toe maar!”
De jongens volgden dien raad, met het gevolg, dat de ademhaling langzaam hersteld werd.
Eene groote menigte menschen naderde, en hoopte zich aan den oever op. Het nieuws had zich reeds met ongelooflijke snelheid door het dorp verbreid.
„Is hij gered?” werd er van den wal geroepen.
„Leeft hij nog?” vroegen anderen.
„Hij is gered, en leeft! Jan Willemsz heeft hem gered!” antwoordde Ary Kist.
Zoodra de boot aan den wal lag, drongen enkele mannen naar voren.
„Jongens, ga jelui zoo spoedig mogelijk naar huis, om droge kleeren aan te trekken. Je zult anders ongetwijfeld ziek worden. Wij zullen Nicolaas Calff intusschen naar zijne woning roeien, en ook de booten thuisbrengen. Toe, spoedig, je loopt al veel te lang in die natte plunje.”
Die raad was goud waard, en de jongens spoedden zich naar huis. Telkens kwamen zij menschen tegen, die hun vroegen, of Nicolaas verdronken was. En jubelend van opgewondenheid en vreugde klonk dan hun antwoord:
„Hij leeft nog. Jan Willemsz heeft hem gered!… Hij leeft!”
Weldra hadden de knapen hunne respectievelijke woningen bereikt, en toen men ook daar vernam, wat er gebeurd was, voor zoover men het nog niet wist, heerschte er groote vreugde, dat alles zoo goed afgeloopen was. Als althans Nicolaas Calff herstellen mocht, wat iedereen wenschte, want de familie Calff was in hoog aanzien, en van Nicolaas hield iedereen.
In diens woning heerschte echter groote droefheid, want de tijding dat Nicolaas verdronken was, was daar aangekomen en had het gezin in diepen rouw gedompeld. Juffrouw Calff lag half bewusteloos op een ruststoel, terwijl haar echtgenoot en de ijlings ontboden meester Pomp, de chirurgijn, al het mogelijk deden, om haar weer bij kennis te maken. Haar hoofd en hare polsen werden met azijn en water gewasschen, en men sprak haar woorden van troost en berusting toe.
Sinjeur Calff was pas thuisgekomen, om zijne vrouw te zien en toe te spreken. Hij was verderop in de Westzijde geweest, en daar had de vreeselijke tijding hem bereikt. Dadelijk had hij zich op weg begeven, om eerst naar zijn huis te snellen, en dan naar de plaats des onheils.
„’t Is Gods wil geweest, lieve vrouw,” sprak Sinjeur Calff, terwijl hij haar teeder kuste, „wij mogen niet murmureeren, en opstaan tegen Zijn wil.”
Hij sprak deze woorden kalm en bedaard uit, maar de bleekheid van zijn gelaat bewees, dat hij zelf diep geschokt was. Telkens staarde hij gejaagd naar buiten. Hij had in huis rust noch duur.
„Ik ga ons kind halen, lieve vrouw,” sprak hij zacht. „Spoedig ben ik weer hier. Tracht je te beheerschen …”
Maar de moeder wrong radeloos de handen en jammerde om haar kind,—en ook de overige huisgenooten schreiden heete tranen.
Sinjeur Calff stond op, om naar buiten te gaan, en zijn kind tegemoet te snellen.
Opeens werd de kamerdeur driftig geopend en Sinjeur Noomen, de vader van Cornelis, trad binnen.
„Goede tijding, vrienden, goede tijding!” riep hij hun vroolijk toe. „Droogt uwe tranen, en dankt God, want—Nicolaas leeft; hij leeft, zeg ik, al is hij den dood nabij geweest.”
De ouders staarden hun vriend Noomen ongeloovig aan. Zij durfden deze gelukstijding bijna niet gelooven.
„Leeft hij, Noomen?” vroeg Sinjeur Calff, terwijl hij zijn vriend angstig aanstaarde en hem bij den arm greep.
„O, bedrieg mij niet, en geef mij geen ijdele hoop!” stamelde juffrouw Calff.
„Gods wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk, goede menschen,” sprak Noomen ernstig. „Uw kind is onder de omgeslagen boot boven water gekomen, en moet daar eene voldoende hoeveelheid lucht gevonden hebben, om niet dadelijk te sterven. Toch was hij reeds totaal zonder bewustzijn, toen Jan Willemsz hem vond.”
„Jan Willemsz?” vroeg Sinjeur Calff. „Van de weduwe Willemsz op den Lagen Horn?”
„Juist, dezelfde. Een kranige jongen, hoor. Hij kwam toevallig op de plaats des onheils, en zag uw hond, Castor, luid jankend op de omgeslagen boot zitten. Dat bracht hem op de gedachte, dat Nicolaas daar onder kon liggen. En met gevaar voor zijn eigen leven heeft hij zich onder de boot laten zakken, en mocht het hem met Gods hulp gelukken hem te redden.”
Juffrouw Calff, die door deze heerlijke tijding weer geheel tot zichzelf gekomen was, stond van haar stoel op. Zij hief hare gevouwen handen ten hemel, en dankte den Hemelvader voor deze groote blijdschap en wonderbare redding. En daarna riep zij uit:
„Sinjeur Noomen, waar is mijn kind?—Waar is hij?”
„Houd u rustig en bedaard, juffrouw Calff. Men voert hem in de boot van Meindert Bloem herwaarts. Ik weet, dat hij leeft, ik weet het zeker, want ik heb hem zelf gezien, toen de boot door de sluis schutte. Elk oogenblik kunnen zij aankomen …”
Sinjeur Calff kon thans zijn ongeduld niet langer bedwingen. Met haastige schreden verliet hij de kamer, om zijn kind tegemoet te gaan.
Werkelijk duurde het maar kort, toen een luid geblaf de komst van Castor aankondigde. Op het volgende oogenblik sprong hij de kamer in, doornat, maar kwispelend met den staart, en blijkbaar in de grootste vreugde.
Wat werd het trouwe dier met blijdschap ontvangen. Juffrouw Calff sloeg hem de armen om den nek, en kuste hem op den kop. Toen spoedde zij zich naar de deur …
Daar naderden eenige mannen, met den verheugden vader aan het hoofd, die Nicolaas voorzichtig naar binnen droegen.
„O God,—hij is toch dood!” stamelde juffrouw Calff verschrikt.
„Neen,—neen,—hij leeft!” was het antwoord. „Waar wenscht u, dat we hem neerleggen?”
„Hier,—hier!” zei juffrouw Calff, op den ruststoel wijzende. „Hij moet toch eerst droge kleeren aan hebben, vóor wij hem op het bed kunnen leggen.”
Zoodra Nicolaas op den stoel was geplaatst, knielde zijne moeder bij hem neer en kuste hem, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen vloeiden, op het voorhoofd. Het doodsbleeke gelaat van haar kind verontrustte haar. Ook Sinjeur Calff drukte hem een kus op het gelaat, maar toen schoof hij zacht zijne vrouw terzijde, opdat meester Pomp gelegenheid zou hebben, zich met den knaap te bemoeien.
Deze borstelde hem de voetzolen en bewoog de armen van den patiënt op en neer. Daarop haalde hij een vlijmscherp mesje te voorschijn en gaf hem een snede in den arm, zoodat het bloed met een breeden stroom daaruit te voorschijn kwam. Thans kreeg de moeder het druk, want met de zindelijkheid aan de Saardamsche vrouwen eigen, duldde zij niet, dat een enkele druppel de matten op den vloer of het kussen van den stoel verontreinigde.
Het duurde maar kort, of Nicolaas opende de oogen en glimlachte zijn ouders, die hem in de grootste spanning aanstaarden, dankbaar en gelukkig toe.
„Breng thans droge kleeren, juffrouw Calff,” sprak meester Pomp. „Ik geloof te mogen voorspellen, dat hier alles spoedig ten beste gekeerd zal zijn, en dat er voorloopig geen gevaar is.”
Deze woorden gaven aan de ontstelde gemoederen de noodige kalmte weder. Nicolaas werd verschoond en voorzichtig te bed gelegd, waar hij spoedig in slaap viel. Een paar uren later, toen het al schemerig begon te worden, ontwaakte hij, en vertelde uitvoerig aan zijne ouders, wat er gebeurd was.
Wie hem gered had, en hoe dat in zijn werk was gegaan, kon hij echter niet zeggen, want daarvan wist hij niets. Groot was dus zijne verbazing, toen zijn vader hem zeide, dat hij onder de omgeslagen boot terecht gekomen was, en door de daaronder opgesloten lucht eenigen tijd voor verstikking was bewaard gebleven, en hoe hij eindelijk was gered door Jan Willemsz, die daarvoor zijn eigen leven gewaagd had. Dat ook Castor zich zoo flink gehouden had, werd in kleuren en geuren verteld. Eindelijk zeide Sinjeur Calff, terwijl hij opstond:
„En nu ga ik naar den Lagen Horn, naar Jan Willemsz, om hem dank te zeggen voor hetgeen hij heeft gedaan. Dat is niet meer dan mijn schuldige plicht, en de brave jongen heeft aanspraak op onze levenslange dankbaarheid.”
„Dat is goed, lieve man, en zeg aan de weduwe Willemsz, dat ook ik haar spoedig bezoeken zal. Ik beschuldig mij toch reeds sedert eenigen tijd, dat ik de arme ziel te veel aan haar lot heb overgelaten. Maar voortaan zal zij daarover niet meer te klagen hebben.”
De vader nam hoed en stok, en kwam naar het bed van Nicolaas, om hem nog eenmaal over de wang te strijken.
„Tot straks, mijn jongen,” zei hij teeder.
„Dag Vader.—Maar wacht u nog even. Ik herinner mij, dat Jan Willemsz dezen middag naar het Bonte Calff zou gaan, om te trachten als kajuitswachter aangemonsterd te worden. Zijn broer Jacob vertelde mij, dat zij het erg arm hebben, Vader,… en …”
„Nu,…. en …?” vroeg Sinjeur Calff glimlachend.
„Och Vader, als u iets voor hem doen kon …. Ik zou hem zoo graag onze groote dankbaarheid ook willen toonen door onze daden, Vader.”
„Ik zal er onderweg over nadenken, mijn kind. Tot straks.”
De vader verliet de kamer en begaf zich naar de armoedige woning der weduwe. De afstand was niet groot; hij had haar dus spoedig bereikt.