Den volgenden morgen, omstreeks half twaalf, was het druk in den barbierswinkel van Meester Pomp. Er stonden twee scheerstoelen, die gelijktijdig in gebruik waren. Terwijl Pomp bezig was den eenen klant te scheren, was Heyn aan den anderen stoel druk in de weer met inzeepen. Zijne magere, knokige hand gleed onophoudelijk om kin en wangen van den man, die aan de beurt was om geholpen te worden, en het zeepsop droop Heyn van de vingers.
Meester Pomp stond inmiddels gezellig te babbelen, en wist het zijn klanten recht aangenaam te maken. Daar hij den geheelen dag menschen sprak, en dus steeds in de gelegenheid was nieuwtjes te vernemen, was niemand beter dan hij in staat, om weer nieuwtjes te vertellen, en men luisterde steeds naar hem met open mond en ooren.
Het spreekt van zelf, dat er dezen morgen over niets gesproken werd, dan over het vergaan van het Bonte Calff, dat thans voor niemand meer een geheim was, en over de komst van de vreemdelingen en het gerucht, dat Pieterbaas de Czaar van Rusland was.
„Van morgen is er nog tijding bij Sinjeur Calff aangekomen omtrent het Bonte Calff,” zei Meester Pomp tegen zijn bezoekers, die op een houten bank gezeten waren tegen den wand van het vertrek, geduldig wachtende, tot het hunne beurt zou geworden zijn, om geholpen te worden.
„Slechte tijding?” vroeg Sinjeur Meindert Bloem, die zich ook onder de wachtenden bevond.
„’t Kon niet slechter,” zei meester Pomp. „Is het mes goed?—Of zal ik een ander nemen?”
Deze vraag was gericht tot den man, wien het mes op dit oogenblik met één enkelen streek al de stoppels van zijn rechterwang maaide.
De man liet een bevestigend gebrom hooren, want hij kon zijn mond niet openen, daar zijn lippen vol zeepsop zaten. Heyn had de gewoonte om de menschen altijd geducht in te zeepen. Dat was niet geheel zijn schuld, want hij moest de klanten altoos net zoolang inzeepen, tot zijn vader met scheren gereed was.
„’t Schip schijnt met man en muis naar den kelder te zijn,” ging meester Pomp voort. „’t Is een ramp van belang voor ons dorp. ’t Had, meen ik, twee en veertig koppen aan boord, en menige weêuw zal een bangen tijd tegemoet gaan.”
„’t Is wèl eene vreeselijke ramp!” zei Sinjeur Bloem met een zucht. „Ja, ’t is maar zoo: de mensch weet vooraf niet, hoe zijn lot zal zijn. En dat is maar goed ook.”
„Jan Willemsz voer ook op het Bonte Calff,” viel Heyn in, die af en toe ook een woordje meêsprak.
„’t Zal een slag zijn voor zijne moeder,” meende een ander. „De arme tobber!”
„’t Was de eerste reis van den knaap, een echt flinke, ferme jongen. Ja, ja, de walvischvaart maakt nog al eens een slachtoffer. Zijn vader is ook in de Poolzee om het leven gekomen.”
„En dat was een kranig zeeman,” zei meester Pomp. „Asjeblief, Sinjeur, u is klaar.”
Meester Pomp haastte zich naar den anderen stoel, waarvan de bezitter recht blijde was, dat hij van het aaien van Heyn verlost werd.
„Ik werd er wee van om mijne maag,” zeide hij lachend. „Maar zeg eens, meester Pomp, weet je zeker, dat er niemand van de opvarende gered is?”
„Er is niemand gered. Van morgen zeide Sinjeur Calff me, toen ik bij hem aan huis was om hem te scheren, dat het meer en meer bevestigd wordt, dat het Bonte Calff met man en muis naar den grond is gegaan. ’t Schip schijnt gekraakt te zijn tusschen een paar ijsbergen ….”
„Dat moeten dan toch reusachtige gevaarten wezen,” viel een spreker in. „’t Was zoo’n sterk schip, nog zoo goed als nieuw.”
„Wel man, ik heb ijsbergen gezien zoo hoog als de Oostzijdertoren,” zei meester Pomp. „Je weet, dat ik ook gevaren heb? Tusschen twee zulke ijsklompen wordt het sterkste schip gekraakt als een notedop. Er blijft geen stuk van heel.”
Op dit oogenblik kwam een nieuwe bezoeker binnen.
„Goeden middag samen!” klonk zijn groet, terwijl hij bij de anderen op de bank plaats nam. „Ik heb nieuws, menschen, groot nieuws!” liet hij er dadelijk op volgen. Iedereen keek hem nieuwsgierig aan.
„Nieuws?” vroeg men, en Pomp liet zelfs zijn mes en zijn klant een oogenblik met rust om te luisteren. Heyn had blijkbaar zijn nieuwsgierigheid van niemand vreemds.
De nieuwe bezoeker haalde met een gewichtig gebaar een brief uit zijn binnenzak, en zeide:
„Ik heb een brief van mijn zoon ontvangen, je weet wel, van mijn zoon uit Rusland. Hij schrijft mij niets meer of minder, dan dat de Czaar werkelijk op reis is naar Holland, en ongetwijfeld ook naar Saardam zal komen. Zie je, er wordt wel gemompeld, dat het de Czaar is, die bij Lijnstbaas Rogge als knecht werkzaam is, maar zekerheid had tot nog toe daaromtrent eigenlijk niemand.”
„Neen, dat zeg ik ook,” zei meester Pomp. „’t Zijn alleen vage vermoedens en geruchten, maar zekerheid hebben we niet. ’t Is ook eigenlijk niet te gelooven, dat een Czaar van het machtige Rusland hier als knecht zal komen werken.”
„Dat is waar,”—hernam de bezoeker, „maar thans ken ik een onfeilbaar middel om het te weten te komen.”
Meester Pomp, die weder met scheren was voortgegaan, bracht zijn mes opnieuw in rust, en ook Heyn hield, zoodra hij dat zag, met aaien op.
„Een onfeilbaar middel?” vroeg Pomp, en ook de klanten op de bank zagen den spreker in de grootste nieuwsgierigheid aan.
„Ja,” was het antwoord. „Heeft U dien zoogenaamden Pieterbaas al eens geschoren, meester?”
„Neen,—nog niet. Waarom?”
„Luister, dan zal ik u voorlezen, wat mijn zoon schrijft, en dan weet u meteen ook, waarom ik dit vraag.”
De man ontvouwde den brief en begon. Eerst betrof het geschrift allerlei nieuws, dat den hoorders weinig belang inboezemde, maar eindelijk klonk het:
„Het groot gezantschap is naar Holland vertrokken, en de Czaar heeft zich mede daarbij gevoegd.”
„Aha, dus dat is toch waar,” viel Sinjeur Bloem den lezer in de rede. „Tot nog toe werd het dikwijls en door velen betwijfeld, of de Czaar wel op reis was gegaan, maar hier staat het nu zwart op wit.”
„O ja, en nog iets veel belangwekkenders,” hernam de man van den brief. „Luister slechts:
„Deze,” (dat is dus de Czaar), „zal alzoo ook wel in Holland en in Saardam komen. Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijne bijzondere lengte, aan de schuddingen met het hoofd en den rechterarm, en ook aan eene kleine wrat op den rechter wang.”
„Ziet ge,” ging de man voort, „dat schrijft mijn zoon, en hij kan het weten. Wij hebben nu een gemakkelijk en zeker middel, om den Czaar te herkennen.”
„Vader,” zei Heyn, „ik wou, dat hij eens hier kwam, om zich te laten scheren.”
„Zoo?—En ik wou, dat je voortging met inzeepen. Asjeblief, dat is afgeloopen. Die volgt, Sinjeur.—Groot is hij wel, dat heb ik zelf gezien, maar of hij trekkingen heeft met het hoofd en den rechter arm, is mij niet bekend.”
„Ik zal er goed op letten, Vader, als hij eens hier komt,” zei Heyn. „Zoo’n wrat op de rechterwang is een zeker teeken.”
„Ja, dat is waar, maar ga nu met je werk voort, want ’t is te druk om te praten. En je moet vóór den middag nog eene boodschap doen.”
„Bij wien, Vader?”
„Naar het Kalf, jongen. Er moet een pot brandzalf gebracht worden bij de vrouw van Jan Lieuwes. Ik heb beloofd, dat ik het niet vergeten zou.”
„Dan kan ik voor twaalf uur niet terug zijn, Vader,” zei Heyn, die tot zijn verdriet bemerkte, dat hij den middagpot verloopen zou, en hij had nù reeds geduchten honger.
„Dan loop je heen maar zoo hard als je kunt en terug nog veel harder,” zei Meester Pomp lachend.
De klanten werden nu zoo vlug mogelijk geholpen, en daar er tegen het middaguur geen nieuwe bijkwamen, liep de winkel langzamerhand leeg. Meester Pomp was zeer tevreden over den voordeeligen morgen, dien hij had gehad, en maakte met een genoeglijken glimlach zijne scheermessen schoon. Het stemde hem prettig, dat zijn winkel zoo druk beklant was, en dat de menschen zoo gaarne door hem bediend wilden wezen.
Toen de laatste klant vertrokken was, gaf hij zijn zoon den pot met zalf, en droeg hem op, dien met spoed aan het opgegeven adres te bezorgen, waar men er ongetwijfeld reeds met ongeduld op wachtte.
Had Heyn kunnen weten, wat er een oogenblik later gebeuren zou, misschien had zijn vader hem dan met geen stok de deur kunnen uitkrijgen, want Heyn was nog geen vijf minuten vertrokken, of de barbierswinkel ging open, en de Czaar, gevolgd door andere Russische heeren, trad binnen, om zich te laten scheren.
Wat meester Pomp zijn oogen den kost gaf!
En niet tevergeefs, want de Czaar, die zich het eerst onder het mes begaf, had, zooals hij al dadelijk opmerkte, eene wrat op de rechter wang, en trok met den rechterarm. Bovendien had hij telkens spiertrekkingen in het gelaat, wat bij het scheren nogal lastig was, daar meester Pomp vreesde, den Czaar daardoor te zullen bezeeren. ’t Liep echter gelukkig goed af, en de Russische heeren werden op de beurt af door den meester geholpen.
Nu had de waardige barbier dien middag nog eens stof, om zijn klanten aangenaam bezig te houden, en hij zorgde er wel voor, dat iedereen het vernam, hoe hem de hooge eer te beurt gevallen was, den machtigen beheerscher aller Russen te scheren.
En Heyn trok zich bijna de haren uit het hoofd van spijt, toen hij vernam, hoe ongelukkig hij al weer was geweest. Ongelukkiger kon hij het ook al niet getroffen hebben. Nu was de Czaar zelfs bij hem in huis geweest, en nog had hij hem niet gezien. Hij kon zijne nieuwsgierigheid langer bijna niet bedwingen, en nam zich voor, dien avond niet naar bed te gaan, voordat het hem gelukt was, den Czaar te zien. Ha,—hij kreeg een plannetje. ’s Avonds, als zijn werk afgeloopen was, zou hij naar Ary Kist gaan, en hem vragen, of hij niet eens door de ramen mocht kijken. De Czaar zou dan wel thuis zijn. Op die wijze kon hij hem ongestoord bespieden.
„Juist, zóó zal het gelukken!” mompelde hij tevreden, „’t Is nu toch ook àl te gek. Iedereen heeft dien machtigen Heer gezien, behalve ik. En ik ben juist zoo nieuwsgierig naar hem.”
Tijdens zijne afwezigheid was er trouwens nog meer gebeurd, want Heyn was wel bijna twee uur langer uitgebleven, dan hij van plan geweest was. En in dien tusschentijd was er iets voorgevallen, dat een einde maakte aan allen twijfel, die er nog omtrent den staat van den Czaar mocht bestaan.
Toen deze namelijk ’s middags het eenvoudige maal ten huize van Kist had gebruikt, ging hij op weg, om zich naar den Zuiddijk te begeven. Op den Lagen Horn passeerde hij een winkeltje, waar pruimen te koop waren, en deze vruchten schenen hem zoo verleidelijk toe, dat hij den winkel binnenstapte en er een goeden voorraad van kocht. Maar waarin moest hij ze bergen? Een mandje of een zak had hij niet bij zich, en zonder zich lang te bedenken, nam hij zich den breedgeranden hoed van het hoofd, en liet daar de pruimen in doen.
Met dit eigenaardige vruchtenschaaltje onder den arm vervolgde hij zijn weg naar den Zuiddijk, af en toe een van de heerlijke vruchten oppeuzelende.
Op den Dam echter kwam hij eenige jongens tegen, die op weg waren naar de school en nauwelijks hadden zij den vreemdeling gezien, die daar met den hoed onder den arm voortwandelde en kalm de pruimen liep te verorberen, of zij omringden hem, staken hem de geopende hand toe en vroegen:
„Toe Man, geef mij ook een pruim.”
De Czaar scheen dit wel aardig te vinden, want hij wierp Jacob Willemsz en Ary Kist, die hij zeker herkende, hoewel zij zich eerbiedig op eenigen afstand hielden, een paar pruimen toe. Nu werd het een algemeen gedrang, om bij den Czaar te komen. Er waren eenige onverschillige jongens onder den troep, die hem de pruimen bijna uit den hoed namen.
„Jij ook een wil?” vroeg de Czaar aan Nicolaas Calff, die op eenigen afstand dit tooneeltje bijwoonde. En ook hem wierp de Czaar een paar vruchten toe.
Nu werd het een algemeen geschreeuw en gejoel, en de troep werd elk oogenblik grooter. Er kwamen ook groote menschen bij, die van verre aankeken, wat er gebeurde.
„Ik ook een!” riep een groote, ruwe jongen. „Toe kerel, geef mij er ook een!”
„En ik!” zei een ander, tusschen de anderen doordringende.
„Ik lust ze ook wel!” zei een derde, die brutaalweg vlak voor den Czaar ging staan.
„Daar jij dan een hebt!” zei de Czaar, die boos begon te worden; en hij wierp den brutalen jongen een pit in het gelaat.
„Houd dat zelf!” schreeuwde de jongen nijdig, terwijl hij den pit opraapte en hem den Czaar naar het hoofd wierp.
't Was den vorst aan te zien, dat hij zeer toornig werd. Zijn rechter arm kreeg hevige trekkingen, en ook zijn gelaat was ten prooi aan onwillekeurige spierbewegingen. Hij zette den jongen onzacht op zijde, en om hem te plagen wierp hij aan een paar andere knapen, die niet zoo brutaal waren, een paar pruimen toe.
Nu werden de brutaalsten nog opdringender, tot opeens de Czaar tegen een van hen zeide:
„Jij ook een pruim wil?”
En hij nam een van de grootste vruchten uit zijn hoed, en hield hem die voor.
„Ja,—Ja!” riep de jongen.
„Ik ook!” zei de Czaar, de vrucht in zijn eigen mond stekende, tot groote pret van enkele jongens, die zich over hunne dorpsgenooten schaamden.
Czaar Peter wilde doorloopen, maar de brutale jongens waren nu zoo boos geworden, dat zij modder van de straat opraapten en den Czaar daarmede wierpen. En de oploop werd intusschen zoo groot, dat de Czaar geen kans zag, goedschiks den Zuiddijk te bereiken.
De jongens gingen voort slijk en allerlei vuil naar den vreemdeling te werpen, zoodat deze inderdaad in groote moeilijkheden begon te verkeeren. Hij was in hevige mate vertoornd. De aderen van zijn voorhoofd waren gezwollen en zijn oogen fonkelden.
„Terug! Terug! Gaat weg!” riep hij den jongens toe, maar dat hielp hem niet. Opeens voelde hij een hevige pijn in den nek. Een van de baldadige knapen had een steen genomen en hem daarmede zeer gevoelig getroffen.
En meerdere steenen vlogen hem om het hoofd.
Hij nam een kort besluit. Met groote schreden keerde hij terug en nam de wijk in de herberg „De drie Swaanen”, waar hij ook des Zondags zich aan een oploop van het volk had onttrokken.
Hij zond onmiddellijk een bode naar de burgemeesteren, om zich over deze verregaande baldadigheid en ruwheid te beklagen, en liet verzoeken, hierin voor het vervolg te voorzien.
Deze heeren waren echter niet thuis. Zij waren voor zaken naar Amsterdam, maar zij vernamen het gebeurde dadelijk bij hun aankomst met de veerschuit, die om twee uur uit Amsterdam vertrokken was. Een schipper, daarbij tegenwoordig zijnde, en het gesprek mede aanhoorende, zeide:
„Ik ken den Czaar heel goed. Ik zal dadelijk naar de Drie Swaanen gaan, en zien, of hij het is.”
En toen hij na enkele minuten terugkeerde, zeide hij met de volste overtuiging: „Zoo zeker als wij leven, het is de Czaar, ik ken hem zeer wel.”
Nog in den loop van dienzelfden dag ging de omroeper door de plaats rond. Telkens stond hij stil, sloeg eenige malen op een bekken om de aandacht te trekken, en riep met luider stem:
„Burgemeesteren, tot hun leedwezen vernomen hebbende, dat de baldadige jeugd haar niet en hadden ontzien, sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en velerlene vuiligheid, verbieden dat aan een iegelijk bij dezen zeer scherpelijk om weer te doen, op de hoogste boete en straffen daartoe staande, en dat de misdadigers aan den E. Heer Baljuw zullen worden overgegeven.
Hiermede zij een ieder gewaarschuwd en elk wachte zich voor schade en schande.
Tot meerdere voorzorg werd den Baljuw van Blois en den Drossaard van Kennemerland kennis van dit alles gegeven. Dezen zonden daarop hunne dienaars naar Saardam, terwijl tevens, daar de Czaar zijn ongenoegen betuigd had over den toevloed van nieuwsgierigen bij zijn huis, de toegangen naar het Krimp met wachten bezet werden.
Daar nu elke gissing waarheid geworden was, begreep de Czaar zelf, dat het ongerijmd zou zijn, zich langer te verbergen. Hij besloot dus daartoe ook geen pogingen meer aan te wenden.
's Avonds zaten Sinjeur en juffrouw Calff in de huiskamer, benevens Nicolaas en Aagje, de dienstbode, welke laatste, volgens de gewoonte dier dagen, geheel als huisgenoote werd behandeld. Castor, de groote hond, zat bij den stoel van Nicolaas, met den kop op diens knieën.
De deur werd geopend, en eenigszins schuchter trad Jacob Willemsz binnen. Hij was, gedreven door zijn angst over het lot van zijn broer Jan, de laatste dagen daar reeds zoo dikwijls binnengekomen, dat hij er min of meer verlegen onder werd. Toch kon hij het niet laten. De gedachte aan zijn broer liet hem geen oogenblik met rust, en telkens weer begaf hij zich naar de woning van Sinjeur Calff, in de hoop, dat er een gunstiger bericht mocht gekomen zijn.
„Goedenavond samen,” zei hij zacht.
„Dag Jacob!” klonk het antwoord van de aanwezigen, en juffrouw Calff, die de aarzeling van den knaap opmerkte, zeide vriendelijk:
„Kom maar gerust binnen, hoor. Je bent zeker verlangend naar tijding?”
„Ja juffrouw,—is er nader bericht?”
Jacob kwam binnen en ging bij Nicolaas staan.
De hond kende hem en kwispelde met den staart.
„Er is geen nadere tijding ontvangen, Jacob,” sprak Sinjeur Calff. „Mocht ik iets met zekerheid te weten komen, dan beloof ik je, er onmiddellijk bericht van te zullen zenden. De vloot moet thans spoedig binnenvallen.”
„Maar zonder het Bonte Calff!” zuchtte Jacob droevig.
„En hoe is het met je goede moeder?” vroeg Juffrouw Calff deelnemend. „Kan zij berusten in hetgeen de Heere God over haar heeft beschikt?”
„Moeder is tot in de ziel bedroefd, Juffrouw,” zei Jacob. „O, hoe hoop ik, dat er nog redding moge komen! De onzekerheid is ook voor haar het ergste.”
„We mogen niet wanhopen, Jacob,” sprak Sinjeur Calff. „Het schip is vergaan, dat lijdt geen twijfel, maar zoolang ik niet met zekerheid weet, dat de bemanning verdronken is, blijf ik hopen.”
Op dit oogenblik werd er eenig gerucht gehoord aan de deur, en de hond liet een waarschuwend gebrom hooren.
„Daar is volk!” zei Nicolaas opstaande, om de deur te openen. Wie beschrijft de verbazing der aanwezigen, toen daar, geheel onverwachts, de Czaar binnentrad.
„Goeden avond samen,” klonk zijn groet, terwijl hij aan de deur bleef staan.
Sinjeur Calff stond van zijn stoel op en maakte een eerbiedige buiging, en Juffrouw Calff werd een beetje bleek van den schrik.
„Uwe Majesteit hier! Wat eene eer voor mijn nederig huis,” sprak Sinjeur Calff, die zich haastte den Czaar tegemoet te gaan.
Deze stak hem de hand toe, en zeide eenvoudig:
„Sinjeur Calff, in Rusland ik de Czaar ben; hier ik Pieter Michaeloff heet of Pieter Timmerman. Noem mij gewoonweg Pieterbaas.”
En zich tot de vrouw des huizes wendende, vervolgde hij met een handdruk:
„Gods zegen over U, Juffrouw Calff!”
„Hartelijk dank!” zei juffrouw Calff. „Maar neem toch plaats. En doe mij het genoegen, heden avond onze gast te zijn, als U het eenvoudige voor lief wil nemen.”
„Dat kan ik niet doen, Juffrouw. Ik wensch weer bijtijds thuis te wezen. Mijn bedoeling alleen is, kennis met U te komen maken. Zijn die beide jongens van U?”
„De eene wel. Kom nader, Nicolaas, en breng Pieter Michaeloff uw groet. De ander is een zoon van eene weduwe uit uwe buurtschap. Hij heet Jacob Willemsz.”
Jacob trad nu ook naderbij en kreeg ook, evenals Nicolaas, eene hand van den Czaar. Deze lachte hem vriendelijk toe en sprak:
„O, jou ik wel ken. Ben jij niet bij mij geweest, tegelijk met Ary Kist? Ik mij dat zeer goed herinner …”
„Jawel, Pieterbaas,” zei Jacob. „Wij brachten U bier.”
„Juist,—juist! En jou broer vaart ook op het Bonte Calff? Is er reeds iets naders omtrent dat schip bekend?”
Deze laatste woorden golden Sinjeur Calff.
„Neen, helaas,” antwoordde deze. „Wij zien dagelijks naar tijding uit. De berichten, die wij reeds ontvingen, doen het ergste vreezen. Wij vernamen zelfs, dat het vaartuig met alle opvarenden is vergaan. Doch zoolang dit bericht niet ten stelligste bevestigd wordt, blijf ik moed houden, dat de bemanning zich heeft kunnen redden.”
„Wat ik van ganscher harte hoop!” zei de Czaar opstaande, om te vertrekken. Doch dat wilde Juffrouw Calff niet hebben. Eerst moest haar gast iets gebruiken, en zij noodde hem zoo dringend, dat de Czaar weder ging zitten. Er werden nu fijne likeuren en confituren voorgezet, die Pieterbaas zich lekker liet smaken.
Jacob Willemsz was intusschen vertrokken.
En Sinjeur Calff, die het eene groote eer achtte, den Czaar als gast in zijne woning te hebben, en die tevens een te goed koopman was, om zich daarvan in de toekomst geen groote voordeelen te voorspellen, noodigde den Czaar uit, tijdens diens verdere verblijf te Saardam, voortaan liever bij hem zijn intrek te nemen.
„Uwe tegenwoordige woning is klein en ongerieflijk, tevens gelegen in eene zeer onaanzienlijke buurt,” zoo sprak hij. „Met den besten wil ter wereld kunnen de eenvoudige menschen, bij wie U inwoont, u niet geven, wat U naar rang en stand toekomt. Beschik dus geheel over dit huis naar Uw welbehagen.”
Maar de Czaar bedankte zeer beslist voor dat aanbod, en gaf zijn verlangen te kennen, te blijven, waar hij was.
Om ongeveer negen uur begaf hij zich naar huis. Hij was recht goed geluimd door de vriendelijke ontvangst, welke hem te beurt gevallen was, en het glaasje likeur, dat hij had gebruikt, had hem recht aangenaam gestemd.
Hij trad zijn eenvoudig huisje binnen en maakte licht, weinig vermoedende, dat iemand hem van uit de verte in al zijn doen en laten bespiedde.
't Was Heyn Pomp, die aan zijn plan gevolg gegeven had, en ’s avonds naar Ary Kist was gegaan met de bedoeling, om thans den Czaar te zien, ’t ging dan, zoo het ging. Het was hem onmogelijk, zijne nieuwsgierigheid langer te bedwingen.
„Jongen, Heyn,” zei Ary, toen hij van het plan hoorde, „wees voorzichtig, want het is een driftig heerschap, en als hij in een booze luim is, zou het je kunnen berouwen. Hoe ben je hier gekomen? ’t Krimp is toch afgezet door dienaren van den Baljuw?”
„Ja,—dat is ook zoo, en ik mocht er eerst niet door. Maar toen ik zei, dat ik eene boodschap moest doen voor Vader, hebben zij mij laten passeeren. En nu ga ik niet weg, voordat ik hem gezien heb. Is hij niet thuis? Alles is donker in zijn huisje.”
„Neen, hij is niet thuis, maar hij zal wel spoedig terugkomen, denk ik. We zullen dus maar wat op het erf achter het huis wachten.”
„Goed,” zei Heyn.
Even over negenen hoorden zij iemand naderen, en zij hielden zich doodstil, om hunne tegenwoordigheid niet te verraden.
't Was de Czaar. Een oogenblik later zagen zij hem het licht ontsteken, en thans kon Heyn hem uit de verte bespieden, want nu het Krimp met wachten was afgezet, scheen de Czaar het niet noodig te vinden, de luiken voor zijn raam te sluiten.
Eerst hield Heyn zich op een eerbiedigen afstand, want een held was hij niet, zooals in dit verhaal reeds meermalen gebleken is. Maar nu kon hij ook niet veel zien van hetgeen binnen in de kamer voorviel. De ruitjes waren maar klein en van slechte qualiteit. Hij zag dus alleen, dat iemand als een zwarte schim zich door de kamer bewoog. Hoe de man er uitzag, kon hij onmogelijk onderscheiden, en wat hij deed, nog veel minder.
Hij kwam dus langzamerhand iets naderbij, eerst een klein stapje, daarna een grooter, eindelijk wel een paar, en ten slotte was hij het raam genaderd.
„Ha, nu kon hij den machtigen Czaar goed zien. ’t Was een nog jonge man van vijf en twintig jaar, met een forsch uiterlijk en eene fiere, krachtige gestalte. Heyn zag, dat de man opstond en een stapel papieren haalde, in de beschouwing waarvan hij zich verdiepte. ’t Schenen teekeningen te zijn van schepen en molens. De Czaar maakte met een potlood aanteekeningen op den kant van de papieren.
Heyn verwijderde zich van het raam en voegde zich bij Ary.
Hoe zacht hij dat ook deed, toch scheen de Czaar eenig geritsel te vernemen, want hij keek van zijn werk op en richtte zijn blik op het raam. Zijn gelaat nam eene ontevreden uitdrukking aan. ’t Beviel hem blijkbaar niets, dat hij zelfs thans nog niet onbespied kon arbeiden.
Hij stond op en begaf zich naar het andere vertrekje. Hier bevond zich eene kast, waaruit hij een kistje met verschillende instrumenten nam. Daarmede keerde hij naar zijne plaats terug, en bekeek de werktuigen met groote belangstelling. Hij nam er een magneet uit, en liet de kompasnaalden daarmede ronddraaien, wat hem verbazend interesseerde, hij beschouwde de passers, die hij gekocht had in den winkel van Louwen met de grootste belangstelling, en nam eindelijk een instrument ter hand, dat in die dagen gebruikt werd om kiezen te trekken. Eene dergelijke operatie had hij door een bekwaam professor zien doen, en dit had dermate zijne belangstelling gewekt, dat hij zich ook zulk een haak had aangeschaft, en zich zelfs niet ontzien had daarmede proeven te nemen op de kiezen van de heeren van zijn gevolg, die dit natuurlijk alles behalve prettig vonden. Zij durfden zich evenwel niet verzetten tegen den wil van hun gebieder, en waren wel genoodzaakt, hun mond op zijn bevel te openen, teneinde er een of meer kiezen uit te laten trekken. Ten slotte nam de Czaar een passer, en begon de détails te meten van een schip, dat op dat oogenblik te Saardam gebouwd werd en nog diezelfde week van stapel zou loopen. ’t Was een schip van Sinjeur Calff, en de Czaar had daarvan het bestek en de teekening in zijn bezit gekregen.
Op dit oogenblik kwam Heyn weer voor ’t raam, en drukte er zijn neus tegen, om beter te kunnen zien. Maar de Czaar bemerkte hem en werd zeer toornig. Zijne oogen fonkelden dreigend en hij mompelde:
„Kan ik dan nooit met rust doorwerken? Moet ik dan altijd gestoord worden? ’t Bevalt mij hier niet!”
Opeens stond hij driftig op en vloog naar buiten. Hij deed dat zoo snel en beslist, dat Heyn er beteuterd van was en geen tegenwoordigheid van geest genoeg bezat, om de vlucht te nemen. De schrik had hem als het ware verlamd.
De deur werd opengeworpen, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn zich bij den kraag grijpen, wat geschiedde met eene zoo krachtige hand, dat Heyn er eerbied voor kreeg. Hij voelde zich van den grond oplichten, en stond midden in de kamer eer hij nog goed wist, dat hij betrapt was.
„Wat jij hier doen moet?” bulderde de Czaar hem toe, die van drift zoo hard met zijn vuist op de tafel sloeg, dat deze er van kraakte.
Heyn beefde over al zijne leden, en kon geen woord uitbrengen.
„Wat jij hier doen moet?” herhaalde de Czaar met een nieuwen vuistslag, en zijn gelaat werd door hevige spiertrekkingen misvormd.
„Ik——ik—w—wou eens kijk—kijken!” stamelde Heyn, die tot zijn grooten angst de ongetemde woede van den Czaar opmerkte en wenschte, dat hij daar nooit gekomen was.
De Czaar liep met groote schreden door het vertrek rond, zoekende naar een stok of iets anders, om den jongen een geduchte afstraffing te geven.
„Jij eens kijken wou!” bulderde de Czaar, die nergens een stok vond. „Jij eens kijken wou!”
Opeens viel hem de haak in het oog, die gebruikt werd om kiezen te trekken. Hij greep dat voorwerp, en vervolgde:
„Jij eens kijken wou! Ha, zoo, ik ook eens kijken wil, wacht maar, kleine spion, ik ook eens kijken wil! Doe open je mond!”
Heyn beefde als een schoothondje, dat door het ijs gezakt is. En hij begreep de bedoeling van den vertoornden man allerminst. Wel zag hij, dat deze een vreemd instrument in de hand had, en hij hield er wantrouwig den angstigen blik op gericht.
De Czaar maakte weinig complimenten met hem.
Hij greep zijne kaken met krachtige hand aan, zoodat Heyn wel gapen moest, of hij wilde of niet, en op hetzelfde oogenblik voelde Heyn een kil voorwerp op een van zijn kiezen. Weldra begon er iets te snerpen in zijne onderkaak, toen kraakte en knetterde het daarbinnen en Heyn voelde eene hevige, snerpende pijn. ’t Was hem, of zijne kaak gebroken werd. Hij sperde de oogen wijd open en staarde den vreemdeling ontzet aan.
Ary, die buiten behoedzaam het raam naderde om te zien, wat er binnen voorviel, hoorde een hevigen gil, alsof iemand vermoord werd, en onmiddellijk daarop werd Heyn onzacht de deur uitgeschopt.
Flap! de deur smakte dicht …
Ary greep den verwarden en ontstelden Heyn Pomp zonder spreken bij den arm en trok hem mede, achter op het erf. Daar bleven zij staan, en Ary vroeg lachend:
„Heb je nu den Czaar van Rusland gezien?”
„Au, o, o!” kermde Heyn, die stampvoetend van pijn heen en weer liep. „O,—o,—wat is er met me gebeurd?”
„Ik vraag, of je nu den Czaar hebt gezien,” herhaalde Ary Kist, die onbedaarlijk moest lachen.
„Ja, o, au, nu heb ik hem gezien, au, au, o, wat een pijn,—tot mijn spijt heb ik hem gezien. O, wat is er toch met me gebeurd? O, Ary, als je het eens gevoeld had—”.
„Zijne Majesteit heeft je een kies getrokken!” zeide Ary, bulderend van ’t lachen. „Voel maar, je bent er een kwijt!”
Heyn stak den vinger in den mond, en ontwaarde tot zijn grooten schrik een diepe holte in zijne kaak.
't Was waar, de Czaar had hem een kies uitgetrokken, en nog wel eene gezonde, terwijl Heyn er vlak naast eene holle had zitten, die hij in elk geval veel liever zou hebben gemist, want daar had hij dikwijls pijn in.
„Ik ga naar huis,” mompelde Heyn ontsteld bij die treurige ontdekking, en Ary bracht hem een eindje weg, maar telkens schoot deze in den lach, en dan kon hij bijna niet tot bedaren komen, zoo grappig vond hij het voorgevallene.
„In elk geval heb jij nu toch het genoegen gehad, den Czaar te zien,” plaagde hij den armen Heyn, die voortdurend met zijn vinger in den mond liep.
Dicht bij de wachters gekomen, keerde Ary terug.
„Zeg Heyn,” zei hij, „als je morgen avond den Czaar nog eens zien wilt, kom dan maar gerust, hoor!”
„Ik wou, dat jij en je Czaar alle twee in de lucht vlogen,” bromde Heyn boos.
Toen hij het smalle bruggetje wilde passeeren, waar de wachten stonden, vroegen dezen:
„Wel jongen, heb je je boodschap gedaan?”
„Ja,” bromde Heyn, „ik—ik ben er mee klaargekomen.”
Heyn spoedde zich naar huis, waar hij het voorgevallene aan zijn vader vertelde, rood van schaamte. En deze lachte hem nog uit op den koop toe, want hij vond het curieus, dat de Czaar van Rusland als kiezentrekker had gefungeerd.
„Spoel je mond maar eens goed uit,” zeide hij, „en ga dan naar bed. Morgen ochtend zal de pijn wel over wezen.”
Heyn volgde dezen raad direct op, maar in het vervolg was hij in het geheel niet nieuwsgierig meer naar den Czaar. Als hij hem hier of daar zag, ging hij op een eerbiedigen afstand staan, en hij vond hem in het geheel geen aangenaam mensch. Hij heeft zelfs levenslang een grooten hekel aan hem gehouden.