Euripides, die heeft de aanschouwers lang voorhenen
Ten oogen eenen vloed van peerlen uitgedrukt,
Als Hecuba bedroefd, uit haren troon gerukt,
Beschreide Troyens val, met zuchten en met stenen;
Maar gij, o Broeder! der Hierosolymitanen
Droef Treurspel ons vernieuwt en klagelijke moord,
Hoe deerlijk Titus heeft Jeruzalem verstoord:
Om wien de vijand zich niet spenen kost van tranen.
Een wreed barbarisch hert moet schrikken, als 't verstaat,
Hoe Sions heerlijkheid en pracht te gronde gaat:
Hoe Salomons gebouw met zijn vergulde daken,
De machtigste pilaar van 't vruchtbaar Joodsche land,
Is omgeworpen; hoe eens moeders eigen hand
Haar teder kind uit nood gaat tot spijsoffer maken.