159 Notulen Gouverneur en Raden, 11 Junij 1748. 

160 Recueil echte stukken, 2e deel, blz. 517. 

161 Wel was dit bij placaten verboden, doch de overtreding derzelven kon moeijelijk nagegaan worden; o. a. was bij Resolutie, 24 Dec. 1745 bepaald, dat de blanke bedienden, die vleesschelijke gemeenschap met eene slavin hielden, met ƒ 100 zouden worden beboet. Not. G. en R. 

162 Dichtlievende uitspanning, blz. 167, ook medegedeeld door Teenstra, De landbouw in Suriname, 2de bld. 151. Sypensteyn. J. J. Mauricius, blz. 116. 

163 Creool is de algemeene benaming van de in de kolonie geborenen.—Zoo vindt men blanke Creolen d. i. afstammelingen van Europesche ouders; gekleurde Creolen of Kleurling-creolen, afstammelingen van Europesche vaders en mulatinnen of negermoeders, of ook van Kleurlingen en Kleurlingvrouwen en in het algemeen allen, die niet tot het onvermengd Europeesch ras behooren, mits zij noch Karboegers noch negers zijn. Karboegercreolen, namelijk afstammelingen van een mulat en eene negerin, of van eene mulattin en een neger. Negercreolen of de in Suriname geboren negers. Zoutwaternegers werden de negers genaamd, die uit Afrika overgebragt waren. 

164 Journaal Mauricius, 7 Mei 1749. 

165 Journaal Mauricius, 15 en 16 Nov. 1740—10 Feb. 1751 enz. benevens de notulen over deze zaak. 

166 Notulen, 24 Dec. 1745 enz. 

167 Channing. 

168 Als een bewijs van het lage peil der zedelijkheid verhaalt Stedman, die eenige jaren later in 1776 in Suriname vertoefde, dat dezelfde vrouwen, die zich luide over de ongetrouwheid harer mannen beklaagden, vaak aan goede vrienden hare slavinnen, naar eene willekeurige waardering, voor zekeren prijs in de week aanboden. 

169 Alzoo wordt de slaaf genaamd, die met de verzorging der zieken is belast. Zie F. A. Kuhn, M. D. Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven. Te Amsterdam, bij C. G. Sulpke 1828, en J. Wolbers, de Surinaamsche negerslaaf. Amsterdam, H. de Hoogh. 1854, bladz. 17, 18. 

170 Mauricius, zie bladz. 13. 

171 Een eigenlijk kerkgebouw bezaten de Hervormden in Paramaribo niet. Sedert de aankomst van Ds. Baseliers in 1668 tot den aanvang dezer eeuw, hield de gemeente hare godsdienstoefeningen in een bovenvertrek van het stadhuis, gewoonlijk het hof genoemd, op het kerkplein. Het onderste gedeelte diende tot vergaderplaats van het Hof van Policie en Crimineele Justitie, alsmede de secretarie enz. “Van Schaïck, de Hervormde Gemeente in Paramaribo. West-Indië, 1ste jaarg. bladz. 30. 

172 Reeds in 1691 was deze gemeente in het bezit van een eigen predikant, namelijk Ds. Klei. 

173 In de bijlagen zullen wij de naamlijsten der Nederd. en Fransche predikanten, benevens die der later opgerigte Luthersche gemeenten, laten volgen. 

174 Niemand ergere zich aan dit woord, het kwam in alle officieele stukken alzoo voor, en was eene in dien tijd geijkte uitdrukking. 

175 Dit Conventus kwam eenmaal in het jaar, in de maand Februarij, te Paramaribo tezamen. De predikanten en ouderlingen—zoo der stadsgemeente als die der divisie, die anders haren afzonderlijken kerkeraad hadden, verschenen aldaar om èn den staat, èn de behoeften der kerken en gemeenten te overwegen. In dit Conventus Deputatorum, ingesteld onder het Gouvernement van den heer Scharphuys, zaten ook twee Raden van Policie als Commissarissen politiek. 

176 Journaal van Mauricius, 17 Februarij 1748. 

177 Notulen Mei 1733, October 1733 enz. 

178 Notulen, 21 Mei 1733. 

179 Later was hij als predikant te Stevenswaard werkzaam. “West-Indië, van Schaïck, Hervormde Kerk 1e jaarg. p. 86.” 

180 Ds. Duvoisin had kort vóór de ontvangst van dezen brief reeds zijne betrekking nedergelegd. 

181 Journaal Mauricius. 

182 Journaal Mauricius. 

183 Not. G. en R. 

184 Not. G. en R. 

185 De vertaling was reeds door zijn zoon geschied.—Recueil 2 d. bl. 4. 

186 Recueil 2 dl. bijl. 110. 

187 De Heer zij gedankt, dat de Hernhutters niet zoo oordeelden, want dan verkeerde de bevolking in Suriname nog bijna geheel in de magt des Heidendoms. 

188 Journaal Mauricius, 4 April 1746. 

189 Genoemde Jan Ark. 

190 Zie Notulen, 3 Mei 1743. 

191 Zij schijnen het hiermede echter niet zeer gelukkig getroffen te hebben; spoedig ontstond er oneenigheid tusschen den predikant, den kerkeraad en de gemeente.

Ds. Pfaff preekte slechts zelden, soms werd hij er door bevel der regering toe gedwongen.—In 1744 werd de eerste steen van de kerk gelegd en in 1744 voltooid en ingewijd. 

192 Hartsinck, 2e deel, bladz. 891. 

193 Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1745.

Schetsreekening of Calculatie, waeruyt het Tantum aan den heer Fiscaal toe te leggen, mitsgaders de tractementen zoo aan den Exploiteur of Deurwaarder en deszelfs twee Substituten, alsmede alle kosten rakende het Exploiteur-ambt, te vinden zijn en de inkomsten van ’t zelve Exploitementen.

Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks Surinaamsch geld ƒ 6000
De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder ƒ,, 2000
De twee Substituut-Exploiteurs ieder ƒ 500, dus ƒ,, 1000
Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder ƒ 100 ƒ,, 200
Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur toe te leggen ƒ,, 300
Interest van eene somme van ƒ 5000, dat men rekent de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt. in het jaar ƒ,, 400
ƒ 9900

Waartegen men rekent, dat het Exploiteurschap zoude opbrengen, grosse mode namelijk

dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van Kleine Zaken, boven de ƒ 100 worden uitgegeven 500 stuks, ieder gerekend à ƒ 4.10 ƒ 2025
Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men zulks op 300 stuks, ieder gerekend op ƒ 7.10 ƒ,, 2250
Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo gelegen, ƒ 18 en verder voor ieder getij meer ƒ 18, rekent men op te brengen ƒ,, 1800
Voor ’t derigeren der Executiën, ieder jaar ƒ 10 à 20 ƒ 200
Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris, alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens ƒ,, 1800
Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse, vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat de kooper weinig zien zal, rekent men ƒ,, 1000
ƒ 9075
Te kort alzoo volgens Calcula ƒ,, 825
ƒ 9900

Schetsrekening of Calculatie, om daeruyt te vinden een jaarlijksch bestaan voor een aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder voor beide hoven.

De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten hoogst ƒ 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem zulks jaarlijks ƒ 200
Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders chirurgijnsloon à 50 per slaaf ƒ,, 500
Voor het maken van een tentbootloods ƒ 200; men rekent dat deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar ƒ,, 50
ƒ 750
Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden ƒ,, 2050
ƒ 2800

Want hij zal genieten:

1. Een vast jaarlijks tractement ƒ 2000
2. Voor huur van de twee sloepen ƒ,, 200
3. Voor het onderhoud der 10 slaven ƒ,, 300
4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de dienst noodig heeft, rekent men ƒ 30 per slaaf ƒ,, 300
wordt ƒ 2800

Volgens de Notulen van 14 December 1745 werd bij de Instructie voor den nieuwen Exploiteur in artikel 29 de declaratiën bepaald.

Voor een Citatie ƒ 4.10;—Insinuatie ƒ 7.10;—Sommatie ƒ 7.10;—Renovatie ƒ 7.10; —Aanwijzing van goederen ƒ 7.10.

Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie ƒ 20.00
Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag ƒ,, 20.00
Presentie-geld,,van,,ieder,,Raad,, in Paramaribo per,,dag,, ƒ,, 5.00
Omslag voor den tamboer ƒ 1.10; voor vacatie in de rivieren in de 24 uren ƒ,, 10.00
Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie ƒ 8.00
Inventaris zonder voortgang der Executie ƒ,, 7.10
Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder ƒ,, 7.10
Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen, uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich partij zoude willen maken ƒ,, 7.10
Copie van ’t mandement op een zegel aan het raadhuis ƒ,, 5.00
Het relaas of acte van Exploite ƒ,, 5.00
Exploit van een mandement van ministerie en van policie ƒ,, 7.10
Emolument voor den Substituut-copie van ’t mandement ƒ,, 1.16
Exploit op ’t mandement van Benifice van Inventaris ƒ,, 5.00
Edicaale Citatie op zegels, aan ’t raadhuis en in de rivieren, ieder ƒ,, 5.00
Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en verklaring bij acte doet stellen ƒ,, 9.18

Vacatie per dag ƒ 10. Copie van gedane Exploit ƒ 4.

Arresten Interdict mitsgaders dagvaarding ƒ 7.10.

Emolument substituut. Copie met zegel ƒ 1.16. Presentie ter rolle ƒ 1.16. Exploit van opdaging ƒ 7.10. Copie der weetbrief van het arrest, mitsgaders obligatie en verdere documenten, neftens de schriftexempl. aan de overgedaagde ƒ 4.10. Exploit van beteekening en gijzeling ƒ 7.10. Visitatie in die gijzeling eens ƒ 3. Copie van het rekwest en origineel mandement van gijzeling, mitsgaders ’t Exploit van de beteekening derzelve en acte op zegel ƒ 3.15.

Een insinuatie op verleende surcheange ƒ 7.10
Een,,insinuatie,, om wederom in gijzeling te gaan ƒ,, 7.10

Een edictaale citatie op ’t zegel van het raadhuis en in de rivieren, alwaar de affectie is, voor ieder ƒ 5.

Emolument voor den substituut, ’t presenteren ter rolle van ieder Crediteur daarin gemeld, 6 stuivers. 

194 Recueil echte stukken, 1e deel, bl. 4 enz. 

195 In de notulen van 28 Febr. 1746 wordt ook gewag gemaakt van een voorstel van den Gouverneur om eene algemeene Landkaart te laten maken. 

196 Journaal van Mauricius, 8 Maart 1746. Na eene inspectie der nieuwe fortres deelt hij zijn oordeel daarover mede met deze woorden: “In ’t geheel sie ik die fortresse aan met oogen van verdriet, als een lastig houkind, sonder dat het nut ooit geproportionneerd sal weesen na de kosten. Ze maakt een schoone parade op de kaart en als ze in Brabant lag, geloof ik, dat het een schoon stuk werk sou wesen.—Doch in den ganschen aanleg is geen attentie gemaakt op de omstandigheden van dit land. Zelfs de casernen zijn gemaakt, als of ’t in ’t noorden was, van steen en dichte benaauwde kamertjes, elk met een schoorsteen, correct op ’t model van ’t Amsterdamsche oude mannenhuis. 

197 Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname bl. 32; Sypesteyn, J. J. Mauricius, bl. 32. Hartsinck, 2e deel, bl. 729–39; bij den laatsten schrijver vindt men het stuk in zijn geheel. 

198 Notulen van Gouv. en Raden, 25 en 26 Aug. 1744. 

199 Journaal van Mauricius, 5 Feb. 1745. 

200 Als een staaltje van de wijze, waarop de publieke opinie in Suriname zich bij dergelijke gelegenheden openbaarde, zie notulen 4 Mei 1744.

“Bij gelegenheid der verkiezing van een nieuw raadslid, gaf Mauricius zijne verontwaardiging te kennen, dat op de stembriefjes, die overluid voorgelezen moesten worden, soms baldadige en moedwillige beschimping van personen voorkwamen, ja de impertinentste en canailleuste declamatiën, waarom besloten werd dat voortaan bij dergelijke nominatiën niet anders dan de namen der bedoeld wordende personen zouden worden gelezen—en dat zoo er meer op mogt vermeld zijn dit als nietig zoude worden beschouwd.” 

201 Journaal van Mauricius, 14 Dec. 1746. 

202 Journaal van Mauricius, 3 April 1748. 

203 Scherping was secretaris van het hof; hij stond alzoo onmiddellijk onder den gouverneur. 

204 Zij huwde in December 1721 te Paramaribo met Hendrik Temming, die na het overlijden van Jean Coutier, den 10den Oct. 1721 tot Gouverneur-Generaal van Suriname benoemd was en die den 1sten Maart 1722 het bestuur dier Kolonie aanvaardde. Na zijn overlijden hertrouwde zij den 17den Julij 1729 met den toenmaligen Gouverneur C. E. H. de Cheusses, welke den 1sten Februarij 1734 overleed, waarna zij ten derde male in het huwelijk trad den 10den Februarij 1737, en nu met den Gouverneur Joan Raije, die haar echter reeds den 11den Augustus van datzelfde jaar door den dood ontrukt werd. Den 7den Januarij 1742 huwde zij andermaal, nu met den predikant bij de Waalsche gemeente te Paramaribo, Anthony Audra, welke echter reeds den 17den Mei 1744 overleed, waarna zij eindelijk voor den vijfden keer (27 Mei 1748) in den echt trad met Louis Duvoisin, predikant bij de Waalsche gemeente, dien zij ook overleefde. 

205 Journaal Mauricius, 6 Febr. 1744.—Ook Sypesteyn deelt deze bijzonderheid mede. 

206 Notulen, 16 Mei 1748 enz. 

207 Journaal Mauricius, 6 Junij 1748. 

208 Kapitein der Artillerie, anders geen vriend van Mauricius. 

209 De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogenaamde wervers “Bokkenruilders” in dienst, die de bovenlanden doorreisden en van de met het Gouvernement bevriende Indiaansche stammen, de door hen op andere gemaakte krijgsgevangenen opkochten, meestal in ruiling tegen blaauw katoen, kralen, ijzerwaren of sterke drank. Deze roode slaven werden in de stad gebragt, door een tolk onderzocht, of zij ook behoorden tot eene bevriende Natie en in het tegenovergestelde geval, namens den Gouverneur, aan de ingezetenen verkocht, die hen als huisbedienden of jagers gebruikten. Vroeger had deze hatelijke handel vele voordeelen opgeleverd; ten tijde van Mauricius echter bragt hij, doordat de Indianen verder in de binnenlanden trokken, zoo weinig op, dat de kosten naauwelijks uit den verkoop gedekt werden. De beschuldiging, dat Mauricius twee, hem door den vrijen neger Quassie aangebragte, roode slaven van een bevrienden stam zou verkocht hebben, was onwaar—de bedoelde slaven behoorden tot den niet bevredigden stam de Brouhahan’s, enz.—Sypesteyn (Mauricius blad 90–92.) 

210 Journaal Mauricius, 13 Aug. 1743. 

211 Journaal Mauricius, 27 Dec. 1749. 

212 Journaal Mauricius, 26 Maart 1749. 

213 Journaal Mauricius, 8 Julij 1849 onder hevige koortsen uit.

24 Julij 1749. De ziekten onder de Zwitsers nemen toe, ook de ontevredenheid en wanorde.—Zij willen niet naar het hospitaal, zij willen niet innemen, zij willen voor de overgeblevene kinderen der overledenen niet de minste zorg dragen, zij willen geene bedekking van soldaten. Wat een onwil! 

214 Journaal Mauricius, 13 Nov. 1743. 

215 Journaal Mauricius, 8 Jan. 1745.—Bij deze gelegenheid drong Mauricius zeer aan op het uit Nederland doen overkomen van brandpalen. Zie blad. 295, 96. 

216 Journaal Mauricius, 13 Nov. 23 Nov. 25 Nov. 1, 2, 12 Dec. 1746. 

217 In 1797 in Februarij, ontstond er weder een boschbrand, die met afwisselende hevigheid woedende, eerst in April door den aanhoudende regen tot staan kwam. 

218 Notulen, 28 Feb. 1744. 

219 Zie Notulen, 18 Feb. 1745. 

220 Notulen, 4 Julij 1747. 

221 Journaal van Mauricius, 22 Julij 1748. 

222 1 Mei 1749 werd door G. en R. verzoek gedaan tot het oprigten van een kas voor de wegloopers. 

223 Zie Notulen, 19 Dec. 1747. 

224 Zie bldz. 147 enz. 

225 Recueil 4 d. bl. 98 enz. 

226 Recueil 4e. deel, bldz. 347. 

227 Journaal van Mauricius, 24 Dec. 1750. 

228 Dit adres is vervolgens door HH. Commissarissen aan H. K. H. Prinses Anna (Willem de 4e was inmiddels overleden) overgegeven, die daarop berigt van HH. Directeurs inwon, welke het Mauricius in handen gaven, die er eene scherpe kritiek op leverde; daarna deed H. K. H. uitspraak, die door H.H.M. den 20sten Julij des jaars 1763 bekrachtigd werd.

Dit zeer belangrijk stuk zal met de aanmerkingen van Mauricius en de uitspraak van H.H.M. in de bijlagen worden opgenomen. 

229 Journaal van Mauricius van 11, 12, 13 April 1751. 

230 Volgens Journaal van Mauricius van 5 en 6 April 1751, waren genoemde heeren door den Commandeur, uit naam der HH. Commissarissen, geadverteerd, dat zij wel zouden doen met hunne demissie te vragen

231 Op de Vries was de Cabale zeer verbitterd en moest hij alzoo het veld ruimen. 

232 De benoeming van Pichot tot Prov. Fiscaal is nimmer door Directeuren erkend. 

233 Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1751. 

234 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1731. 

235 Notulen van Gouverneur en Raden, 28 en 29 Julij 1731. 

236 De Raad Fiscaal deed hiervan in de vergadering van het Hof mededeeling, waarop dit voor het vervolg streng verboden werd. 

237 Historische proeve 2e. deel, bladz. 135. 

238 Notulen G. en R.—12 en 16 Mei 1751. 

239 Eerst in 1754 kwam deze regeling tot stand en werd deze onder den naam “Ascamoth” door H.H.M. en de prinses Gouvernante en de Directeuren der Sociëteit bekrachtigd, terwijl alstoen tevens bij onderlinge schikking “voor deese reyse en zonder gevolg voor het toekomende” nieuwe regenten werden aangesteld: Hist. proeve 1e. d. bl. 135. 

240 Notulen G. R., 15 Mei 1731. 

241 Notulen G. R., 8 Julij 1732. Deze notulen zijn hier zeer belangrijk. 

242 Notulen, 3 Sept. 1731. 

243 Notulen van Gouv. en Raden, 16 Feb. 1752. 

244 Vóór dit Hoofdstuk ten einde is, zullen wij hier reeds op terugkomen. 

245 Later ging dit huis aan de familie Marselis Hartsinck over. 

246 Daar de Notulen van Gouvern. en Raden, anders zoo volledig der maand November 1751 ontbreken, kan dit plan der negotiatie door mij niet in zijn geheel worden medegedeeld. Ik heb het nu moeten opmaken uit de Notulen van 27 December 1751, 11 Januarij en 30 en 31 Mei 1752, toen deze zaak in discussie werd gebragt. 

247 De rente werd door Deutz gesteld op 6 percent. (Sypesteyn, bladz. 40.) 

248 De beschrijving dezer lijkstaatsie vindt men in de Notulen van Gouverneur en Raden van den 8sten September 1752 en wordt ook door van Sypensteyn medegedeeld op bladz. 50–52 van het tijdschrift van West-Indië 2de deel. 

249 Zie Notulen Gouverneur en Raden van 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 September 1752. Journaal van Crommelin van 5, 6, 7 en 8 September 1752 en 2 Februarij 1753 en mede Sypensteyn. Geschiedkundige aanteekeningen in het Tijdschrift “West-Indië”, 2de deel, bladz. 36–47. 

250 Journaal van Crommelin van 2 Februarij 1753. 

251 Verschuer overleed reeds den 17den Mei 1753. 

252 Journaal van Crommelin, van 4 Febr. 1753. 

253 Journaal van Crommelin, van 5 Febr. 1759. 

254 Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Februarij 1753. 

255 Notulen van Gouverneur en Raden, 1, 6 en 7 Maart 1753. 

256 Notulen van het Hof van Civiele Justitie, 10 April 1753

257 Notulen idem, 22 Mei 1753. 

258 Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Maart 1753. 

259 Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1753. 

260 Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Mei 1753. 

261 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 April 1753. 

262 Notulen van Gouverneur en Raden, 19 Maart, 22 en 24 Mei 1753

263 Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Aug. 1753. 

264 Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Aug. 1753. 

265 Journaal van Crommelin van 1 Mei 1753. 

266 Journaal van Crommelin van 6 Mei 1753. 

267 Journaal van Crommelin, 11 Mei 1753. 

268 Notulen Gouverneur en Raden, 5 en 6 Julij 1753. 

269 Journaal van Crommelin, 27 September 1753. 

270 Journaal van Crommelin, 4 Julij 1753. Notulen Gouverneur en Raden, 4 Julij 1753. 

271 Journaal van Crommelin 11 Julij 1753. Jonkh. van Sypensteyn—in zijn “Mr. J. J. Mauricius,” bladz. 117 en 118, vermeldt, dat zoowel de Fiscaal als Mauricius eene actie van injurie tegen Duplessis instelde, hetgeen ten gevolge had, dat hij voorloopig op de gevangenpoort te ’s Gravenhage in hechtenis werd gehouden—en later bij de algemeene amnestie voor alles wat de Surinaamsche geschillen betrof, werd uitgezonderd. Eindelijk werd hem op zijn dringend verzoek vergiffenis geschonken, echter onder de voorwaarde, dat hij Duplessis alle gemaakte onkosten onmiddellijk voldoen en nimmer naar Suriname terugkeeren zou. 

272 Eene der meest beruchte cabalisten, Mevrouw de Wed. Duvoisin, overleed den 6 Aug. 1753.—Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1753. 

273 Notulen, Gouverneur en Raden, 29 Oct. 1753, Journaal van Crommelin, van den zelfden dag. 

274 Alléén Strübe was van de oude raden op nieuw gekozen. 

275 Zie bijlage. 

276 Notulen Gouverneur en Raden, 6 Nov. 1753. 

277 In de meeste werken, en zelfs in eenige Staatsstukken wordt er steeds van 600 man staatsche troepen gesproken, die met de Commissarissen mede kwamen, doch uit het Journaal van Mauricius, gelijk als uit de belangrijke mededeeling daaromtrent gedaan door Jonkh. van Sypensteyn in het Tijdschrift “West Indie” 2de deel, bladz. 48 en 90, blijkt dat er slechts een getal van 392 soldaten waaronder 44 officieren in Suriname arriveerde. 

278 Notulen Gouverneur en Raden, 24 Junij 1754. 

279 Als eene der laatste stuiptrekkingen van de cabale wordt nog vermeld dat een harer bekende aanvoerders, de heer Jan David Cellier, zich bij het uitvaardigen der amnestie in zeer beleedigende woorden hierover uitliet op eene openbare plaats, in de kolfbaan van Paul Noortman, en zich onderscheiden dreigementen tegen de thans in de regering van Suriname gezeten personen veroorloofde. Hij werd hierover aangeklaagd, in Zeelandia gevangen gezet, en na een langdurig proces, den tweeden December 1754, veroordeeld tot eene boete van ƒ 15,000. ⅓ voor den Fiscaal, ⅓ voor de Modique lasten, ⅙ voor de armen van Paramaribo, en ⅙ voor het Sociëteits-hospitaal. Notulen, 5 Aug. 2 Dec. 1754 enz. 

280 Notulen Gouverneur en Raden, 24 October, 4 Nov., 9 Nov., 10 Dec., 11 Dec 1754 en 20 Februarij 1755. 

281 Deze moeijelijkheden herhaalden zich telkens; het verschil over de verdediging der kolonie was eene bron waaruit onophoudelijk twist en tweedragt ontstond. Terwijl de Sociëteit van haar invloed op de Hooge regering in Nederland gebruik maakte om zooveel mogelijk de balans ten haren voordeele te doen overslaan, gaven de kolonisten ook nimmer dan schoorvoetende toe en niet altijd waren zij hier in het ongelijk, niet altijd werd hun regt gedaan. Om de gedurige moeijelijkheden met de schippers, in geval van noodzakelijke verdediging te voorkomen, besloot men later (6 Mei 1756) aan de Sociëteit te verzoeken om alsdan twee oorlogsschepen te posteren. Notulen, 6 Mei 1756. 

282 Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Aug. 1755 bijlage Not. 30 Aug. 1755 enz. 

283 Notulen Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1756. 

284 Notulen Gouverneur en Raden, 23 Dec. 1755.