| Het nieuwe Hoofdgeld à ƒ 1 de persoon, kinderen 10 stuivers, terwijl Militairen van deze belasting werden vrijgesteld, werd gerekend op te brengen | ƒ 30,000 | à | ƒ 35,000. | ||||||||||||||||||
| 1 procent op de productie | ƒ,, 30,000 | à | ƒ,, 35,000. | ||||||||||||||||||
Hiertoe werden de producten geschat als
volgt:
|
|||||||||||||||||||||
| 3 procent van de houtwaren | ƒ 1,500 | à | ƒ 1,500. | ||||||||||||||||||
| 3 procent van de inkomsten van winkeliers, herbergiers, ambtenaars en | ƒ,, 10,000 | à | ƒ,, 12,000. | ||||||||||||||||||
| 3 procent van de door de schippers en andere groote negotianten in het klein verkocht wordende goederen voor memorie. | |||||||||||||||||||||
| Zoodat deze belasting volgens calcula zou opbrengen | ƒ,, 71,500 | à | ƒ,, 83,500. |
In Junij 1754 kwam er aanschrijving van HH. Directeuren der Sociëteit waarbij Mr. G. Curtius weder in zijn ambt als Raad-Fiscaal werd hersteld; Jan Nepveu als Tweede Fiscaal en en als Fiscaal bij den krijgsraad benoemd en tevens kennis werd gegeven, dat de Colonel der ruiterij, Pieter Albert van der Meer, vroeger Majoor in het regiment van den Paltsgraaf van Birkenfels tot Gouverneur-Generaal van Suriname aangesteld, in het laatst van Mei 1754 naar de kolonie zou vertrekken. Bij deze kennisgeving werd Crommelin op vleijende wijze dank gezegd voor zijne vele trouwe diensten der Sociëteit bewezen en ontving hij als belooning eene verhooging van zijn tractament met ƒ 1600 ’s jaars278.
Den 21sten October 1754 landde de nieuwe Gouverneur-Generaal P. A. v. d. Meer en werd met de gewone plegtigheden ontvangen. Bij den gelukwensch, door Crommelin den nieuwen Gouverneur toegebragt, gaf Crommelin een overzigt van de moeijelijke omstandigheden waarin hij verkeerd had door de gedurige verschillen met de leden der beide hoven, de usurpatie van het bewind door Verschuer en de hachelijke tweedragt die de kolonie verscheurde—doch hij erkende dat er eene groote verbetering was gekomen sedert de door de Prinses Gouvernante gemaakte schikking, waarbij nieuwe Raden waren aangesteld en zelfs getuigde hij, dat er thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide hoven maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschten.279
Van der Meer, die den 22sten October het bewind aanvaardde, trachtte naar zijn beste weten met alle kracht het welzijn der kolonie te bevorderen.
Reeds eenige dagen vóór zijne komst was het gerucht verbreid, dat de Spanjaarden aan de Orinoco vijandige bedoelingen tegen de Hollandsche koloniën in den zin hadden. De Gouverneurs van Berbice en Essequebo berigtten zulks aan den Gouverneur; andere tijdingen schenen dit gerucht te bevestigen: men sprak er van, dat de Spanjaarden met vijf of zes oorlogsschepen op weg waren om Curaçao te overrompelen; men had een vreemd zeil gezien van een schip, dat drie dagen lang op de hoogte van Suriname kruiste. Van der Meer achtte zich verpligt maatregelen van voorzorg te nemen, doch nu kwamen ook weder spoedig de oude kwestien voor den dag: het Hof maakte bezwaar over de kosten en vermeende, dat deze volgens het 27ste art. van het octrooi alléén door de Sociëteit gedragen moesten worden; de schippers betoonden zich ongezind om, ter beveiliging van de kolonie, van legplaats te veranderen en het was zeker eene groote uitkomst toen het eindelijk bleek, dat de geruchten valsch waren geweest, de vrees alzoo ongegrond was en men alzoo de verdere maatregelen kon staken.280—281
De nieuwe belasting in Januarij 1754 voorgesteld, bleek nog niet voldoende te zijn, daar er o.a. nog ƒ 90,000 moest worden betaald aan achterstallen wegens de kosten van het zenden van Commissarissen enz.; men besloot deze alzoo tot het dubbele van het primitief bedrag te verhoogen;282 de uitvaardiging dezer belasting geschiedde echter eerst in Augustus 1756.283
In December 1755 werd ook eindelijk aan de herhaalde aanvraag van de opzigters der gemeene weide gehoor gegeven en de houders
| voor ieder pleizierpaard | ƒ | 5 |
| voor,,ieder,, chais met 2 wielen | ƒ,, | 5 |
| voor,,ieder,, rijtuig met 4 wielen | ƒ,, | 10 |
jaarlijksche contributie opgelegd.284
Tijdens het bestuur van van der Meer werd ook op het voorstel van Crommelin, die reeds vóór de komst van van der Meer hier op aangedrongen had, gevolg gegeven aan het plan der HH. Directeuren, om eene nieuwe kolonisatie aan het Oranjepad bij Para te beproeven. Directeuren der Sociëteit stelden zich veel goeds hiervan voor en zij hadden dan ook de Prinses Gouvernante tot hun gevoelen overgehaald, zoodat H.K.H. dat plan sterk aanbeval.
De vroegere mislukkingen om alzoo eene voormuur tegen de wegloopers op te rigten en die wij op bladz. 112 enz. vermeld hebben, hadden tot het doen eener nieuwe proefneming niet afgeschrikt. Men zou, nu geleerd door vroegere teleurstellingen, betere maatregelen van voorzorg nemen. In Augustus 1754 had men een getal van 80 slaven, waaronder 30 vrouwen, gekocht en liet dezen onder opzigt van twee blanken kostgronden aanleggen.285 In December 1754 werden door van der Meer, in overleg met het Hof van Policie, nadere bepalingen vastgesteld voor diegenen, die zich op het Oranjepad wilden vestigen. Hun zou hoornvee en eenige levensmiddelen en andere benoodigdheden worden verstrekt, er zouden geschikte woningen voor hen gemaakt worden; zij zouden de noodige slaven erlangen enz., enz., daarentegen moesten zij zich verbinden 10 jaren achtereen op het Oranjepad te blijven wonen. Eerder vertrekkende, verloren zij de hun toegekende voorregten en zouden tot terugbetaling van het reeds genotene kunnen genoopt worden. Een Duitscher, baron von Bulouw, werd als burgemeester benoemd, met de bepaling dat hij met twee schepenen, uit het midden der zich aldaar vestigende volkplanters te kiezen, een soort van bestuur zou uitmaken. Aan Bulouw, die tevens als secretaris fungeren moest, werd hiervoor eene som van ƒ 150 in het jaar toegekend terwijl hij tevens voor iedere persoon, die hij tot nederzetting aldaar zou overhalen, eene gratificatie zou ontvangen.286
Die nederzetting scheen in het eerst wel te slagen; de toegekende voordeelen hadden verscheidene personen uitgelokt, zich aldaar te vestigen. Dat dit getal schielijk toegenomen was, blijkt o.a. uit de rapporten, door Commissarissen uit het Hof van Policie, na hun bezoek aldaar, uitgebragt. Zij toch stelden voor: om in plaats van twee—vier schepenen te benoemen en, door eene behoorlijke instructie der regtsmagt van burgemeester en schepenen, te bepalen, om een chirurgijn, een predikant en een schoolmeester aan te stellen, eene soort van weeskamer en een vendukantoor op te rigten, enz., enz., en zij getuigden tevens dat rust, vrede en eensgezindheid onder de kolonisten heerschten.287
Waren die eerste berigten gunstig, zij werden helaas spoedig door slechte vervangen. De vrede, rust en eensgezindheid duurde slechts kort. Weldra kwamen er klagten der kolonisten over den burgemeester Bulouw en diens aanmatiging, dan eens over de schepenen en over den chirurgijn, dan weder van deze authoriteiten over de burgers; de slaven werden soms deerlijk mishandeld en sommigen liepen weg en waren niet gemakkelijk te achterhalen.
De notulen van dien tijd zijn met de discussiën over de kolonisatie van het Oranjepad opgevuld. Van tijd tot tijd werden de ergste onruststoorders veroordeeld om eene maand of 14 dagen in »de ketting” aan het pad te werken of lijfstraffen te ondergaan, doch het baatte niet; evenmin hielp de maatregel om Burgemeester Bulouw tegen wien de klagten vermenigvuldigden in Januarij 1756 af te zetten en eene andere regering aan te stellen. Eindelijk zag men het in: het terrein met hooge onvruchtbare zandbergen en dalen, die bij regentijd in kleine meeren werden herschapen, was ongeschikt; het hout voor de op te rigten woningen moest van elders komen en zelfs bij de verstrekking van de, volgens het project tien jaren lang aan te voeren, levensmiddelen, moesten de bewoners zich kommerlijk behelpen. En hoe moest het later gaan, indien die toevoer ophield? Reeds nu heerschte onder hen vele ziekten, die hen den arbeid onmogelijk maakten,—»Het etablissement voldoet niet, het geeft geen nut tegen de wegloopers en veroorzaakt harddrukkende en ruïneuse lasten voor de kolonie”, was de gedurig herhaalde klagt in de vergaderingen van het Hof. Noode ging men er toe over om aan de aanvraag voor meerdere slaven te voldoen. Aan het verzoek om een predikant en een schoolmeester werd bijna niet gedacht en spoedig besloot men der Sociëteit de opheffing dier kolonisatie te verzoeken.288
Gedurende het bewind van van der Meer werden ook groote togten tegen de wegloopers voorgesteld en ondernomen, doch meestal zonder goed gevolg, en het denkbeeld van een met hen te beproeven vrede begon reeds meer bijval te erlangen dan dat het ten tijde van Mauricius door hem voorgesteld verwierf.
Van der Meer wenschte zoo veel mogelijk orde in de onderscheidene collegiën en instellingen te bevorderen; zulks was echter steeds in Suriname eene moeijelijke taak. Zeer beklaagde zich de Gouverneur in zijn dagboek o.a. over de slechte en nonchalante wijze waarop de Commissarissen van kleine zaken vergaderden en de zaken behandelden. Op zekeren tijd lagen er sedert 14 dagen op het kantoor van den secretaris 55 sententiën om executie, waaraan de teekening ontbrak en op dat van den exploiteur 41 stuks.289
De zaken der weeskamer waren en bleven ook zeer verward. De weesmeesters klaagden gedurig over insultes hun door belanghebbenden aangedaan, doch het bleek duidelijk, dat de aanleiding hiertoe niet ontbrak, daar zij weldra om hunne slordige administratie ontslagen werden en toen niet in staat waren om behoorlijk rekening en verantwoording te doen en daarom op het fort Zeelandia een geruimen tijd in arrest werden gezet. Provisioneel werden toen door van der Meer twee andere weesmeesters aangesteld en een plan tot het oprigten eener nieuwe Weeskamer aan Directeuren der Sociëteit medegedeeld, waartoe dan ook, doch eerst na den dood van van der Meer, besloten werd.290
Van der Meer wenschte ook aan het meermalen herhaald verzoek van de Classis van Amsterdam, om toch eindelijk een begin te maken met de verkondiging van het Evangelie aan Heidenschen slaven, te voldoen; tot aanmoediging hiervan deelde hij, in de vergadering van het Hof den 18den December 1755, de wijze mede, hoe daaromtrent in de Oost werd gehandeld. Ernstig en gemoedelijk drong hij der vergadering deze zaak ter overweging aan, doch zijn voorstel werd zeer koel ontvangen en onder den indruk daarover schreef hij in zijn dagboek: »ik moet tot mijn leedwezen zeggen, dat de Coloniërs niet zeer religieus zijn,”291 welke getuigenis zeer overeenstemt met dat hetwelk eenigen tijd later door het Conventus Deputatorum werd afgelegd en als volgt luidt: »Het moet Gode geklaagt zijn, dat de godsdienst hier te lande in plaats van eenigzints herstelt te worden jaarlijks meer en meer vervalt.” Er was eene groote overredingskracht noodig om die mannen, welke gewillig premiën van ƒ 50 en ƒ 100 voor het dooden van een weggeloopen neger uitloofden, te bewegen eene som van ƒ 200 à ƒ 300 af te staan ter bezoldiging van een onderwijzer voor »de Heidensche en Mulatten kinderen.” Hiertoe werd echter na vele discussiën besloten, doch nu duurde het nog een geruimen tijd eer de geschikte persoon gevonden was, en toen hij eindelijk gevonden werd, laadde men zoo veel werk op zijne schouders door hem tevens als ondermeester op de gewone school aan te stellen, dat de »Heidensche en Mulatten kinderen” weinige vruchten van dat onderwijs konden plukken. De predikanten spraken, wanneer zij in het Conventus Deputatorum waren gezeten, meermalen over deze zaak, maar veel meer dan er over te spreken deden zij niet; slechts bij uitzondering, slechts een enkele keer vindt men iets van hunne pogingen om den Heidenen het Evangelie te verkondigen vermeld. De onwil der meesters en het gebrek aan geld werden steeds als de voornaamste hinderpalen voorgegeven. In Holland,—zoo liep het gerucht—, waren erfmakingen ter bevordering van die prediking gedaan. Men besloot toen, om Ds. Veyra, die in 1755 eene reis naar Nederland zou doen, te magtigen aldaar een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Bij diens terugkomst deelde hij mede: »dat zekere de la Mourche voor dat doel »eene beurs” van ƒ 17,000 aan de Waalsche kerk had gelegateerd, doch dat het niet gemakkelijk was die beurs los te krijgen.” De eerwaarde heeren predikanten van Suriname beraadslaagden hierover en de algemeene opinie was, om die zaak levendig te houden, »omdat er mogelijk in het toekomende andere middelen zig konden opdoen als omdat men zou kunnen beproeven, of men niet uyt die beurzen iets tot augmentatie der predikanten-tractement hier te lande zou kunnen bekoomen.”292 De predikanten, die in nuttelooze beraadslagingen den kostbaren tijd verspilden, in plaats van met de vrome Hernhutters de handen in een te slaan, om het rijk des Heeren uit te breiden, sloegen dezen met een argwanend oog gade. De vrome Hernhutters verkondigden met ijver en getrouwheid het Evangelie der genade aan de oude inboorlingen des lands, de Indianen, en de Heer zegende dien arbeid der liefde. De predikanten spraken op minachtenden toon over de bekeering van Indianen »die zoo ver weg woonden.” Zij begroetten de vrome Hernhutters niet als mede-arbeiders in den wijngaard des Heeren;—integendeel, telkens leest men in de Acta van het Conventus, wanneer over dezen gesproken werd: »Men blijft hier tegen wakende”—of—»zoo die menschen (de Hernhutters) zich mogten verstouten om iemand van de Gereformeerde Religie te verleiden zal men hierover aan het Hof klagen.”293
Van der Meer had met vele moeijelijkheden te kampen en hieronder waren de gedurige verschillen tusschen de onderscheidene authoriteiten niet de minste. Dan, kort duurde die strijd; zijne krachten namen af; het voeren van de teugels des bewinds werd hem eene zware taak, en weldra riep de Heer hem van het tooneel dezes levens af: den 16den Augustus 1756 presideerde hij voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie, en reeds 8 dagen later, den 24sten Augustus 1756, blies hij den laatsten adem uit.
Daar de Commandeur Crommelin in de maand Maart uit de kolonie was vertrokken om eene reis naar het vaderland te doen, liet de Raad Fiskaal Mr. G. Curtius de leden van het Hof bijeen roepen en deelde in die buitengewone vergadering het overlijden van Van der Meer mede; eene geheime missive van HH. Directeuren, die eerst na het overlijden van Van der Meer mogt worden bekend gemaakt, werd voorgelezen, en uit derzelver inhoud bleek, dat HH. Directeuren, bij absentie van Crommelin, den tweeden raad Fiscaal Jan Nepveu het Interims-bestuur opdroegen, en, wat wel als eene bijzonderheid mag worden vermeld, de Raden van Policie namen hierin volkomen genoegen. Nepveu won hun advies in en nog in dezelfde vergadering werd de publicatie vervaardigd bij welke Nepveu zijn optreden als Interims-Gouverneur der burgerij bekend maakte. De geest van oppositie tegen Nepveu die voor weinige jaren zoo hevig was, scheen geweken te zijn.
Slechts een korten tijd duurde dit Interims-bestuur.—De definitieve uitvaardiging der verhoogde belasting, waartoe reeds onder Van der Meer in het vorige jaar besloten was, vond nu plaats.294 De boete op het bedanken voor de betrekking van Raad van Policie werd van ƒ 3000 tot ƒ 6000 gebragt295; de Burgerwacht, die, in plaats van volgens het doel harer instelling, ongeregeldheid te voorkomen en tegen te gaan, integendeel tot vermeerdering daarvan bijdroeg, werd afgeschaft296; de hevige twisten onder de bewoners van het Oranjepad werden door krachtige maatregelen voor een oogenblik bedwongen, doch berstten daarna des te heviger uit297; een groote togt tegen de wegloopers werd ondernomen, doch bleef zonder goed gevolg. Ziedaar de voornaamste bijzonderheden tijdens het korte Interims-bestuur van Nepveu voorgevallen.
Den 27sten December 1756 gaf Nepveu het Hof kennis, dat de heer Crommelin was geretourneerd en dat, volgens de acte van HH. Directeuren, het Interims-bewind op hem moest overgaan, doch de leden van het Hof verklaarden hiertoe niet gezind te zijn; onder allerlei voorwendsels zochten zij de regtmatigheid hiervan te betwisten, en ofschoon Nepveu bepaald op de uitvoering van het bevel der sociëteit aandrong, bleven de Raden van Policie weigeren om ter vergadering te verschijnen, tenzij zij door Nepveu geconvoceerd werden. Eerst den 23sten Januarij 1757 gingen zij, na verscheidene conferentiën, er toe over om Crommelin als Interims-Gouverneur te erkennen, en den 7den Februarij 1757 presideerde hij als zoodanig de vergadering van het Hof van Policie298. Den volgenden dag hield Crommelin eene rede waarbij hij den wensch der Directeuren naar eene goede verstandhouding tusschen hem en het Hof, naar onderlinge harmonie, vrede en vriendschap te kennen gaf. Hierop antwoordden de Raden, dat dit mede hun wensch was en dat zij genegen waren den Interims-Gouverneur te respecteren—maar dat zij dan verwachtten »dat ook hun karakter voortaan door hem zou worden gemaintineerd.”299 Crommelin was niet zeer bemind; zijne gehechtheid aan de Sociëteit, die hem dan ook ruimschoots met geld en eere beloonde, deed hem te veel in tegenspraak met de kolonisten komen.
Spoedig vorderden belangrijke zaken de geheele aandacht. De opstand der slaven in de Tempatie-kreek, op bldz. 151–53 vermeld, bragt de kolonie in rep en roer, en de maatregelen om dezen opstand te stuiten, eischten zooveel overleg dat de andere kwestien daardoor voor een oogenblik op den achtergrond geschoven werden300. Aan de onderscheidene collegiën en ook aan bijzondere personen werd de vraag voorgelegd, hoe men het best tegen de steeds in aantal toenemende wegloopers zou handelen. Verschillende antwoorden kwamen hierop in; de voornaamste inhoud daarvan kwam hierop neder:
De meesten waren voor strenge vervolging door militairen en burgers, verhooging der premies voor het vangen en dooden van weggeloopen slaven, zoo mogelijk vernietiging van het »gespuis”—(officieele term), waartoe men volgens sommigen ook met goed gevolg een vrij corps van slaven kon oprigten, welken men daartoe de vrijheid schenken en in den wapenhandel oefenen moest; anderen stelden voor om te beproeven met een gedeelte der wegloopers vrede te sluiten; weder anderen wilden Fransche emigranten uitnoodigen om zich in Suriname, tegen genot van eenige voordeelen, op die punten te vestigen, waar zij als voorposten tegen de wegloopers nuttig konden zijn.—Heerschte over het een en ander verschil van gevoelen, in één punt waren allen het eens, namelijk: dat men de kosten zoo weinig mogelijk op de kolonisten moest brengen301. Van tijd tot tijd zijn deze maatregelen beproefd, slechts die van de vestiging van Fransche Emigranten is wegens de vele moeijelijkheden daaraan verbonden, achterwege gebleven.
Den 15den September 1757 ontving Crommelin het berigt zijner definitieve aanstelling als Gouverneur, terwijl Nepveu, wiens verdiensten door de Sociëteit zeer op prijs werden gesteld, tot ontvanger der Hoofdgelden werd benoemd302.
Niet slechts de Sociëteit, maar ook de heeren Deutz en Comp., de groote geldschieters, vereerden Nepveu met hun vertrouwen.
Genoemd kantoor droeg hem en zekeren heer G. Kaeks op, om zijne belangen in de kolonie te vertegenwoordigen303; en indien de een of andere planter zijne verhypothekeerde plantaadje of een gedeelte derzelve wilde verkoopen en daartoe magtiging van het Hof verzocht, werd eerst het oordeel van de heeren Nepveu en Kaeks, als gemagtigden van de heeren Deutz en Comp., ingewonnen.
In 1758 circuleerde in de kolonie een zeker geschrift, hetwelk men voorgaf eene copij te zijn eener op 30 April 1757 opgemaakte rekening-courant van hetgeen de planters aan het kantoor van Deutz schuldig waren. Volgens dit geschrift bedroeg het saldo daarvan de aanzienlijke som van ƒ 4,628,365.12; de namen van vele der aanzienlijkste ingezetenen en voornamelijk van een groot aantal joden kwamen daarop voor. De gemagtigden der heeren Deutz beklaagden zich hij het Hof over deze handeling, waardoor verscheidene personen meer of minder gecompromitteerd werden, en noemden »deze notitie erronneus, valsch en gesupposeert.” Crommelin zond eene onderschepte copij daarna naar de Directeuren der Sociëteit304.
Niettegenstaande de reeds op bldz. 233–36 vermelde voorzorgen ter verzekering van de regten der geldschieters genomen, kwamen er spoedig klagten van het kantoor J. F. Marselis, opvolger van Deutz, over gepleegde kunstenarijen in het priseren der plantaadjes, welke kunstenarijen bij verkoop van verhypothekeerde plantaadjes aan het licht kwamen.305 Ter voorkoming hiervan, werd door het hof den 8 Feb. 1764 besloten om: »de instructie der priseurs te scherpen en vooral de hand te houden aan de bepaling, dat het Hof iedere taxatie naauwkeurig zoude nagaan, van welk besluit den Directeuren der Sociëteit berigt werd gegeven, met het verzoek om naar hun vermogen het wankelend crediet der kolonie te schragen.306 Doch dit crediet was zoo zeer geknakt, dat men te Amsterdam huiverig werd om gelden op Surinaamsche plantaadjes te leenen. Eerst na vele vruchtelooze pogingen bij verscheidene kooplieden, gelukte het eindelijk den heer van de Poll over te halen, om nog een millioen gulden à 6 pCt. op Surinaamsche plantaadjes voor te schieten.307
Behalve het vaststellen van den interest op 6 pCt. ’s jaars, hield dit project de voorwaarde in, dat het door den heer Harmen van de Poll verstrekte geld 10 jaren lang zou vaststaan, doch dat in de volgende 10 jaren telken jare 10 pCt. moest worden afgelost. De interesten en aflossingen moesten in producten geschieden; de geldopnemer verbond zich ook om alle producten zijner plantaadje te consigneren aan het kantoor der geldschieters—welke van hunne zijde aan de aanvrage om levensmiddelen en provisiën moesten voldoen. De makelaars zouden 2½ pCt. courtageloon genieten. Na eenige wijzigingen werd dit project goedgekeurd.308
Enkelen in Suriname zochten van het gebrek aan geld, dat aldaar zoo dikwijls voorkwam, partij te trekken door gelden tegen zeer hooge interesten te leenen, (woeker te drijven). Reeds vroeger waren meermalen bepalingen hier tegen gemaakt, o. a. in den tijd van den Gouverneur Joan Raye, die een placaat uitvaardigde tegen het nemen van hooge interesten, toen door sommigen 30, 40, 50, ja meer dan 60 pCt. interest gevorderd werd.309 Het door gemelden Gouverneur Joan Raye uitgevaardigd placaat werd thans vernieuwd en geamplieerd. Het nemen van hooger interest dan 8 pCt. ’s jaars werd verboden op de boete van ƒ 500 voor de eerste overtreding, en ƒ 1000 voor de tweede, enz.310
Om in de schaarschte van contant geld te voorzien, werd in het Hof voorgesteld om looden geld te laten vervaardigen, doch daar deze maatregel niet door de meerderheid goedgekeurd werd, trok men het voorstel weder in. Een ander voorstel om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s lands zegel voorzien, te doen maken, vond meerder bijval en weldra ging men hiertoe over. In de vergadering van het Hof van 19 Mei 1761 werd tot de eerste uitgifte van dit kaartengeld besloten, namelijk voor ƒ 12,000—Surin.—4000 stuks à ƒ 3.311 Spoedig werd er meer van dit papieren geld, hetgeen in eene groote behoefte voorzag, gemaakt; reeds in hetzelfde jaar besloot men herhaaldelijk tot nieuwe uitgifte er van: volgens resolutie van
| 12 Sept. | 1761 voor | ƒ | 10,000 | in kaarten van | ƒ | 2½. |
| 4 Oct. | 1761,,voor,, | ƒ,, | 10,000 | in,,kaarten,,van,, | ƒ,, | 2½.,, |
| 4 Dec. | 1761,,voor,, | ƒ,, | 20,000 | in,,kaarten,,van,, | ƒ,, | 2½.,,312. |
In Februarij 1762 werd door het Hof een verzoekschrift aan H.H.M. gerigt, om een in Suriname alleen gangbare geldmunt te mogen hebben. Ofschoon Directeuren der Sociëteit dit verzoek ondersteunden, wezen H.H.M. het echter van de hand. Men ging daarop voort met het maken van kaartengeld, in
| October | 1762 voor | ƒ | 25,000 | à | ƒ | 2½. |
| 9 Mei | 1763 voor,, | ƒ,, | 25,000 | à,, | ƒ,, | 2½.,, |
| 20 Dec. | 1763,,voor,, | ƒ,, | 120,000 | à,, | ƒ,, | 3. |
| In Februarij 1764 voor ƒ 100,000, als: | ||||||
| voor ƒ 30,000 à ƒ 1 en voor ƒ 70,000 à ƒ 10, | ||||||
| in Aug. | 1764 voor | ƒ | 50,000 | à | ƒ | 10. |
Een gedeelte van dit kaartengeld besloot men als eerste hypotheek op huizen of andere vaste effecten uit te zetten voor den tijd van 3 jaren en tegen 8 pCt ’s jaars. Hiervan werd spoedig gebruik gemaakt. Reeds den 6den December 1764 berigtte de ontvanger der Modique lasten, dat er voor ƒ 83,113 van genoemd kaartengeld op hypotheek geplaatst was, en van 1762 tot 1767 ontving de koloniale kas als interest daarvan ƒ 48,188,13,14⅕. Men bezigde het ook om publieke kantoren in staat te stellen de vereischte betalingen te doen. Men maakte er voornamelijk gebruik van om de kas tegen de wegloopers bij te staan; het eerst in 1765 met eene som van ƒ 100,000.313
Dit kaartengeld moest ieder in de kolonie in betaling ontvangen, doch de schippers konden het bij hun vertrek voor wissels op het kantoor der Modique lasten inruilen, waar men het tot betaling der bedienden gebruikte.
De Directeuren der Sociëteit vonden echter zwarigheid in die gestadige vermeerdering van het kaartengeld en schreven daarom Gouverneur en Raden, om de som van ƒ 100.000—die aan de kas tegen de wegloopers geleend was, in te trekken en dit kaartengeld te verbranden.314
Om eenigzins aan het gebrek aan contanten te gemoet te komen, zonden Directeuren, op verzoek van het Hof315, van tijd tot tijd contant geld naar Suriname (in 1764 o. a. voor 16.400); doch zulks baatte niet: dit geld toch kwam naauwelijks in omloop of het verdween uit de kolonie door de betaling voor diverse goederen aan de schippers. Evenmin bragt de maatregel om ter faciliteering en aanmoediging tot aanvoer van contanten een agio of opgeld van 5 procent te stellen eenige gunstige verandering in den toestand van zaken.316 Winkeliers en andere negotianten maakten daarop zelve kaartjes, een soort van bons, waarop zij naar willekeur sommen schreven. Het Hof wenschte wel dit onregelmatig betaalmiddel door een verbod te doen ophouden; doch zij wezen op de moeijelijkheid om bij gemis hiervan met elkander af te rekenen. Toen Directeuren bleven aanhouden op de vernietiging van het kaartengeld317 gehoorzaamde men niet onmiddellijk, maar stelde de Sociëteit de voordeelen van het officieele kaartengeld voor oogen en vroeg haar verlof tot eene nieuwe uitgifte van ƒ 350.000, die eindelijk toegestaan werd.
Toen Crommelin het bewind aan van der Meer overdroeg, had hij getuigd dat thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide hoven, maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschte318. Weldra echter kwamen moeijelijkheden dien vrede, die eendragt en die vriendschap verstoren. Steeds waren het dezelfde oorzaken, slechts eenigzins door omstandigheden gewijzigd, als: verschil tusschen de Sociëteit en de Raden van Policie over de kosten der verdediging tegen binnen- en buitenlandsche vijanden, over de begeving van ambten, over de rangregeling tusschen Raden van Policie en sociëteits-ambtenaren als fiscaal, secretaris enz., en over de grenzen der regtsmagt in het straffen der militairen in Communis delictums.
De Gouverneurs, voorstaande de belangen der Sociëteit, die hen aanstelde en bezoldigde, kwamen daardoor ieder oogenblik in tegenspraak met de Raden van Policie, die van hunnen kant uitsluitend de belangen der ingezetenen op het oog hadden. Hoewel deze laatsten meermalen het regt aan hunne zijde hadden, zoo is het tevens niet te loochenen, dat zij—trotsche republikeinen als zij waren,—vaak de geringste daad der Gouverneurs, waardoor zij vermeenden in hunne regten gekrenkt te worden, als despotismus uitkreten en daardoor dikwerf de uitvoering van een maatregel die in het algemeen belang was, belemmerden.
Crommelin met een driftig en oploopend gestel, miste de tact om, bij verschil van gevoelens, zijne tegenstanders op minzame wijze te overtuigen of hen ten minste niet te verbitteren. Zijne mannelijkheid en degelijkheid van karakter echter, die hem den sterksten tegenstand niet deed vreezen, waar hij vermeende tot zelfstandig handelen geroepen te zijn, stelden hem in staat maatregelen in het belang der kolonie ten uitvoer te leggen, waarvoor Mauricius was teruggedeinsd. Soms evenwel dreef hij stijfhoofdig zaken door, waartegen de Raden zich met regt verzetteden.
Jegens de slavenbevolking was hij »on doit juger les esprits après leurs dates”—niet kwalijk gezind en trachtte, doch vruchteloos, de verregaande mishandelingen dier armen tegen te gaan.
De aanleiding tot een hevigen strijd in het Hof kwam van de zijden der Sociëteit. Crommelin deelde in de zitting van het Hof van 11 Februarij 1760 mede, dat Directeuren der Sociëteit, in overleg met eenige belanghebbenden in Surinaamsche plantaadjes, (Amsterdamsche kooplieden) het plan hadden gevormd om op nieuw 600 man troepen ter versterking der reeds bestaande krijgsmagt naar de kolonie te zenden. De Raden oordeelden dat, bij den gehoopten vrede met de boschnegers, waardoor minder zoogenaamde commando’s noodig zouden zijn, volstrekt geen behoefte aan zulk eene versterking der krijgsmagt bestond en dat men alzoo de ingezetenen niet noodeloos met meerdere kosten moest bezwaren. Dit oordeel der Raden werd aan Directeuren bekend gemaakt; doch deze heeren verleenden hieraan weinig aandacht of wachtten het zelfs niet af, want reeds den 26sten Junij 1760 berigtte Crommelin dat het vroeger genoemde plan ten uitvoer zou worden gelegd en dat men reeds de approbatie van H.H.M. hierop had verkregen.
De Raden waren over deze handelwijze der Sociëteit verontwaardigd, niet slechts om reeds genoemde redenen, maar ook om de minachting, waarmede de Sociëteit hen, »die toch met den Gouverneur de wettige regering van Suriname uitmaakten”, behandelde. Zij rekenden zich verpligt om tegen alle infractie van het octrooi te waken en hier beging de Sociëteit eene nieuwe en alle vorige te boven gaande infractie. Artikel 27 sprak duidelijk: de onkosten der verdediging moesten door de Sociëteit gedragen worden.—Bij vroegere conventien waren hierin, doch echter immer na voorafgaand overleg, eenige wijzigingen gekomen, maar nu matigde zich de Sociëteit eene magt aan, die ter naauwernood bij een Despoot denkbaar was. In dit buitengewone geval verlangden de Raden, dat de ingezetenen werden opgeroepen om hun gevoelen er over te vernemen319.
Crommelin verklaarde zich ten sterkste tegen eene oproeping der ingezetenen. Hij schetste met levendige kleuren de onrust en verwarring waartoe deze leiden kon; hij trachtte de Raden te doen inzien, dat het Hof niet geroepen was om te delibereren in hoeverre men zich aan de bevelen van den Souverein (H.H.M.) zou gedragen, maar slechts hoe die bevelen het best konden worden ten uitvoer gelegd; hij waarschuwde tegen de nadeelige gevolgen die uit dergelijke verschillen met den landsheer (de Sociëteit) konden ontstaan, en haalde tot bewijs daarvoor de vorige gebeurtenissen onder Mauricius aan. Hij wees ten slotte op den moeijelijken toestand waarin de kolonie kon geraken, indien eens onverhoopt de vrede met de boschnegers niet mogt tot stand komen. De Raden, op hunne beurt, antwoordden, dat zij in de door hen voorgestelde demonstratie geene oneerbiedigheid jegens den Souverein (H.H.M.) zagen, te meer daar zij vertrouwden, dat indien H.H.M. goed omtrent de zaken waren ingelicht, zij zich haasten zouden om dit onregtvaardig besluit in te trekken; de Raden wenschten mede gaarne met den landsheer (de Sociëteit) buiten verschil te blijven, maar waar deze het octrooi schond, konden zij, volgens eed en pligt, hierin niet stilzwijgend berusten; zij vonden geen vrijheid de ingezetenen met meerdere lasten te bezwaren,—en indien het der Sociëteit te zwaar viel, om, volgens het octrooi, zelve voor de verdediging der kolonie te zorgen, dan immers stond het haar vrij om het regt van eigendom derzelve aan den souverein (H.H.M.) over te dragen. Dit éénstemmig oordeel der Raden (slechts de Commandeur de Bauverser koos in dit verschil de zijde van den Gouverneur) werd in schrift gebragt en aan H.H.M. opgezonden320.
In December 1760 bragt de Gouverneur deze zaak op nieuw ter sprake. Hij verdedigde de Sociëteit tegen den blaam, dat zij als in den blinde rondtastte en verklaarde, dat zij integendeel volgens bepaalde beginselen en met kennis van zaken handelde. Zij had, vervolgde Crommelin, tot grondslag genomen, de opbrengst van de kas tegen de wegloopers in 1757, wanneer deze ƒ 205,974,18 bedroeg, en hieruit kon het onderhoud worden bekostigd; mogten die kosten onverhoopt meer beloopen, dan zou de Sociëteit misschien wel weder ¼ daarvan willen dragen; daarbij was de versterking der krijgsmagt in meer dan een opzigt nuttig.—Men zou toch daardoor in staat worden gesteld om hier en daar militaire posten op te rigten; de zekerheid en veiligheid der Kolonie zou toenemen, dan ook kon, zonder gevaar, de kolonisatie aan het Oranjepad, waartegen de Raden steeds zoo veel bezwaar hadden gehad en die ook zoo weinig aan het oogmerk voldeed,321 geheel worden opgeheven; en daar de kosten voor die kolonisatie de eenige waren, die nog uit de Extra-ordinaire kas moesten worden betaald, zou die kas kunnen vervallen en het batig saldo er van in de kas tegen de wegloopers worden gestort.322
De Raden antwoordden, dat zij bij hunne ontevredenheid jegens de Sociëteit bleven volharden. Niettegenstaande hun herhaald protest, had zij toch de troepen gezonden en nog daarenboven bij de werving er van slecht toegezien, daar er verscheidene kinderen, Joden en oude lieden, tot de dienst onbekwaam onder waren. De opheffing der kolonisatie was geene gratie: de 10 jaren, waartoe men tot hulp en ondersteuning verbonden was, waren verstreken, men was verder tot niets verpligt; de opheffing der extra-ordinaire belasting was reeds lang begeerd en toegezegd. De Raden hoopten nog op gunstige beschikking van H.H.M. Hunne aangevoerde bezwaren toch waren, naar hunne meening, zóó gegrond, dat, »hoe habile en subtiele pennen ook van de kant van Haar Edele Groot Achtbaare, als naar gewoonte, sullen geëmployeerd worden, de kragt der eenvoudige waarheid en gezonde reden, altoos zal door de nevelen van kunstige raisonnementen doorstralen.”323 De heeren Raden werden echter in deze verwachting bedrogen. Den 14den Junij 1762 deelde Crommelin mede, dat H.H.M. bij hunne resolutie van 21 December 1759, betreffende de overeenkomst tusschen de Sociëteit en eenige voorname geïnteresseerden, bleven persisteren. Daar de Raden voorzagen dat verdere tegenstand nutteloos zou zijn, verklaarden zij na eenig beraad, den 14den Julij 1762, dat zij aan de orders van H.H.M. zouden gehoorzamen.324
Nog onder den indruk dier onaangename stemming door het hier boven verhaalde veroorzaakt, rezen er nieuwe geschillen tusschen de Sociëteit en de Raden, en zulks nu over het tractement der predikanten. Daar het, gelijk wij vroeger reeds aanmerkten, moeijelijk was, om »geschikte sujetten” voor dat ambt in de Kolonie te verkrijgen, was er besloten, dat de predikant, die door Directeuren der Sociëteit geëngageerd werd om naar Suriname te gaan, voor reiskosten enz. een don gratuit van ƒ 600 zou ontvangen en in de Kolonie, behalve zijn tractement, vrije woning en twee slaven te zijner dienste.
De Raden die bezuiniging wenschten, rekenden zich over deze kosten bezwaard, en verzochten Directeuren bij missive het don gratuit in te trekken325. Het antwoord dat zij daarop ontvingen was scherp en bevatte o. a. de volgende zinsnede: »dat bij haar minder ijver en genegenheyt tot opbouwing van Gods kerke en verbreidinge van de leere der zaligheyt werd bespeurt dan bij haar voorzaaten die van tijd tot tijd de predicanten tractement zoo hebben vermeerderd326.” Vooral deze zinsnede gaf aanstoot. Toen Crommelin later (9 Feb. 1764) de belangen der predikanten wilde voorstaan, en daartoe sprak hoe dezen, indien men het hun vroeger toegestane thans bleef weigeren, moeijelijk op fatsoenlijke wijze in Suriname leven konden enz. gaf de verontwaardiging der raden zich lucht in de hevigste bewoordingen. »Godt de Heere”; zoo spraken zij: »geeft toch in zijn goedertierenheyt mannen nae zijn hart, die geen Mercenaires zijn, Herders, die haare schaapen hoeden, als van outs den apostel Paulus, die het werk zyner handen voegte by den heyligen dienst, dat andere mede dede, schoon dat hier niet wert gerequireert; van hetgeen een predikant hier krijgt als hij niet brassen wil, en veel wijn gebruyken, kan hij zeer wel leven, met de kinderen die Godt hem geeft, die haar zegen meede brengen. De Raaden zijn ’t niet eens met Sijn WelEd. Gestrenge dat alles veel kostbaarder is geworden, als voorheen, en de gulhartigheyt zoo niet meer bij de gemeente zou zijn, als voor deesen; het is wel waar, dat lekkernyen, fyne wynen, en al was het maar gemeene rooyen, dat het gebruyk daervan kostbaar is, maar dat zyn zaaken die predikanten in profusie niet behoeven te gebruiken.”—»Zoo de Dominees het hier dan zoo slegt hebben, wat zal men seggen van officieren, jaa Lieut. Colonels, die noch alles en alles gerekent, het inkoomen van een leeraar niet hebben, en evens met veel éclat moeten leven?—Is ’t dan maar om het hebben te doen, en zyn de predikanten dan alleen nooijt te vergenoegen?” Omtrent den aandrang der Sociëteit hiertoe merkten de Raden aan: »De milddadigheden zijn faciel wanneer men er niets toe contribueert, Haar Edel Groot Achtbaare hebben het maar voor ’t zeggen, maar uyt de cassa van de ingeseetenen moeten de betalingen koomen.”
Dat deze weigering van het don gratuit en de heftige taal daarover door de Raden gevoerd, eigenlijk meer voortsproot uit wrevel jegens de Sociëteit dan uit onwil jegens de predikanten, blijkt o. a. daaruit, dat kort hierna meermalen, bij resolutie, een douceur aan predikanten werd toegekend door het Hof zelf of wel door de ingezetenen op voorgang van Gouverneur en Raden, zooals wij in het Journaal van Crommelin lezen: »Vermits de Fransche Dominé Sügnens het op bededag zoo wel ingericht hadde, heeft de heer Gouverneur en Raden van Policie hem een present van ƒ 500 geschonken327”.
»5 November 1766. De heeren Raaden en de meeste ingezetenen zeer voldaan zijnde geweest over de predikatiën door Ds. Rogère, Sügnens en den Luyterse Ds. Zegerquist op gepasseerde Beededag, den 29sten October, hebben dezelve Raaden en vele andere voorname ingezetenen een beurs van ƒ 2100:– bij malkanderen verzamelt, en aan ieder der drie predikanten Ds. Rogère, Sügnens en Zegerquist een present van ƒ 700—gedaan328.”
»4 Februarij 1767. In de vergadering van het Hof werd besloten om daar er eene vacature te Paramaribo bestond en de predikdienst aldaar van tijd tot tijd door Ds. Johanson, wiens standplaats aan de Commewijne was, werd waargenomen dezen voor elke predikdienst ƒ 40,— toe te leggen329.”
»9 December 1767. Bij het voortduren der vacature zoo geschiedt de dienst alleen door den eenigen Nederduitschen en den Franschen predikant waarom het Hof hun als douceur of nieuwjaarsgift ieder ƒ 600,— toekent330.”
»Ds. Sügnens werd 11den 1768 door het Hof voor de getrouwe waarneming der predikdienst ƒ 600,— toegelegd.”
En daar er toch moeijelijk predikanten voor Suriname waren te vinden, werd in 1767 hun tractement verhoogd (voor de stad) op ƒ 2200,— zonder vrije woning, en voor de distrikten ƒ 1700,— met vrije woning. Het weduwen pensioen bedroeg ƒ 500,—331.
De heerschzucht van sommige, en het losbandig gedrag van enkele predikanten gaven meermalen ergernis. Gedurig ontstonden er geschillen. Crommelin klaagt in zijn dagboek hierover verscheidene keeren en de notulen en de acta Conventum maken er dikwijls melding van. De Hervormde predikanten beklaagden zich ook nog al eens over de Lutherschen, die zij van aanmatiging en zucht om de predominante kerk te overvleugelen beschuldigden. Deze laatsten beweerden daarentegen immer dat zij niet buiten en boven hun privilegiën gingen. Het doopen van kinderen van »nonconformisten”, het oprigten eener Luthersche school, het doen van collecte tot onderhoud van kerk en armen, waren de voornaamste zaken waarover de verschillen liepen. Crommelin trachtte zoo veel mogelijk vrede en eendragt onder hen te herstellen en vond in deze bij de Raden ondersteuning332.
Het schoolbezoek werd door predikanten en anderen daartoe door den kerkeraad gecommitteerden vrij getrouw waargenomen. Zelden leest men in de verslagen daaromtrent gunstige getuigenis over de Hollandsche school, daarentegen was men doorgaans over den Franschen en ook over den der Mulatten-onderwijzer wel te vreden. De kerkeraad stelde in Augustus 1767 voor om tot aanmoediging der schooljeugd eene prijsuitdeeling te houden. In 1768 had deze voor het eerst plaats en werd sedert meermalen herhaald.333
Met medewerking der classis van Amsterdam werd op verzoek van het Conventus Deputatorum eene overeenkomst aangegaan met het Aalmoezeniershuis te Amsterdam om, tegen eene tegemoetkoming van ƒ 100 ’s jaars, jongens uit het Diakonie-huis van Paramaribo op te nemen en aan deze jongens in genoemd Aalmoezeniershuis eene goede christelijke opvoeding te doen geven, een ambacht te laten leeren en hen later, zoo zij daartoe genegen waren, naar Suriname terug te zenden. Jongens boven de zeven jaren konden worden opgenomen334. Van dezen waarlijk goeden maatregel werd veel gebruik gemaakt.
De stad Paramaribo werd van tijd tot tijd verfraaid en uitgelegd, en niettegenstaande de vermeerdering der woningen stegen de huishuren, daar de aanzienlijke inwoners hoe langer zoo meer de stad tot hunne vaste woonplaats verkozen en ook andere oorzaken bragten daartoe het hunne bij. De Portugesche Joden, wier bezittingen in plantaadjes verminderden, vestigden zich ook meer in Paramaribo, terwijl de Savane minder gezocht werd. Door de aankomst van vele Hoogduitsche Joden werd het kroost van Israël in Suriname zeer vermenigvuldigd. Deze beide gemeenten leefden echter van elkander gescheiden en wij vinden zelfs melding gemaakt, dat men kerkelijke straf uitoefende jegens hen, die eene andere Synagoge dan die van hunne eigene gemeente bezochten. Door sommige leden van het Hof werd een plan ontworpen en hetzelve ter goedkeuring naar de Sociëteit verzonden, om de Joden een afzonderlijk kwartier aan te wijzen—een zoogenaamde Joden wijk; directeuren verklaarden zich hier niet bepaald tegen, maar verlangden echter, dat men de aan de Joden verleende privilegiën eerbiedigde—en er hadden verder wel discussiën over plaats, doch het plan kwam niet tot uitvoering335.
Bruggen, aanlegplaatsen voor de schepen, afzonderlijke plaatsen voor het houden van markten werden verbeterd en hun aantal vermeerderd.
De toren van het raadhuis, tevens de Hervormde kerk, werd in 1768 van een klok voorzien, die met het stellen ƒ 2000 kostte en te gelijker tijd werd een klokkenist tegen eene jaarwedde van ƒ 500 aangesteld336.
In 1758–60 werd een zeer doelmatig, ruim, luchtig militair hospitaal gebouwd, dat in eene groote behoefte voorzag.
Een geschikt gebouw waarin besmettelijke zieken, als door Jaas, Boassie enz. aangetastten, afgescheiden van anderen, konden worden verpleegd, ontbrak echter. Wel werden van tijd tot tijd voorstellen daaromtrent gedaan, doch de schraalheid der kas hield de uitvoering daarvan tegen337.
In 1764 heerschte de kinderpokken in eene hevige mate onder de slaven, vele stierven en de lijken werden zoo slecht begraven, dat het Hof zich, ter voorkoming van verdere uitbreiding dier vreesselijke ziekte, genoodzaakt zag een besluit uit te vaardigen waarbij deze zorgelooze handelwijze streng verboden werd. Het besloot toen ook een houten gebouw ter verpleging der besmettelijke zieken op de Savane buiten Paramaribo te laten maken, en de chirurgijns op poene van ƒ 100 te verbieden dergelijke lijders bij hunne meesters of in hunne huizen te helpen338. Het blijkt echter uit verscheiden feiten, dat deze heilzame verordeningen slecht of in het geheel niet opgevolgd werden.
In den nacht tusschen den 18den en 19den April 1763 barstte er in Paramaribo een hevige brand uit en dreigde de grootendeels uit houten huizen bestaande stad met eene geduchte verwoesting. Het gevaar werd gelukkig nog afgewend. Het elders mede wel meer aangewende middel om eenige digt bij de hand staande huizen te laten omverhalen, werd ook hier met goed gevolg aangewend. De eigenaars dier woningen stelden een eisch tot schadevergoeding in en hieraan werd in zooverre voldaan, dat zij een renteloos voorschot van ƒ 19,500 tot herstelling en opbouw derzelve ontvingen339.
Op nieuw ondervond men het gemis van brandspuiten340 en ofschoon bij een nieuw brand-reglement bepaald werd, dat in cas van brand ieder ingezeten eene gewone glazen spuit en eene tobbe met water ter beschikking moest stellen,341 begreep men toch, dat dit weinig baten zou en ontbood vier brandspuiten uit Nederland. In Augustus 1764 werden de twee eerste brandspuiten in Paramaribo aangebragt342, zij voldeden vrij goed en werden sedert meermalen gebruikt343.
Om aan het gebrek aan drinkbaar water, dat zich, bij groote droogte, sterk deed gevoelen, te gemoet te komen en ter voorzorg bij het mogelijk ontstaan van brand, werden te Paramaribo in 1764 en eenige volgende jaren, openbare putten gemaakt344. Bij het delven van eene dier putten op de hoek van de Heeren- en Kerkhofstraten, werd op eene diepte van circa 12 voet, eene ader ontdekt, die zeer veel »stofgoud” scheen uit te leveren. Crommelin liet dit nader door docter Moesner onderzoeken, doch daar men er verder geen gewag van gemaakt vindt, veronderstellen wij, dat de resultaten van het onderzoek weinig bevredigende uitkomsten hebben opgeleverd345.
Door de groote droogte ontstonden somwijlen boschbranden, voornamelijk in October en November 1767, welke in hevigheid die van 1746 evenaarden346.
Een, voor Suriname zeer ongewoon, natuurverschijnsel verschrikte de inwoners van Paramaribo in den vroegen morgen van den 21sten October 1766, namelijk eene aardbeving, die wij in het dagboek van Crommelin aldus beschreven vinden: »Heden morgen, circa 5 uuren, begon men hier swaar onderaarts gedruys te hooren, dat eenige minuten lang vermeerderde en toen met eene groote aardbeeving eyndigde. Alles met elkanderen duurden 15 à 16 minuten, ingevolge nauwkeurige observatie van den premier luitenant Dirks, die juyst bij desselfs sieke kind op sat, de gebouwen door geheel Paramaribo kraakten, en men meende telken oogenblikken, dat deselve instorten souden, want deuren en vensters oopenden en slooten sig weederom, het water in de putten, vaaten en tobbens kabbelde als baaren in de zee; aan ’t Gouvernement heeft het geevel-eynde aan de oostkant, synde een steene muur, een groote scheur gekreegen en ook het Commandement 5 à 6 scheuren; de sieken in ’t Hospitaal syn alle daaruyt gevlugt; alle de slingerhorologies hebben stil gestaan 20 minuten over 5 uuren, dog aan de scheepen en op ’t waater is de schudding niet soo sterk als aan de wal geweest, hebbende alleenig eenige beweegingen aan de hangmatten kunnen bespeuren; zijn Excellentie is meede blootsvoets uyt ’t Gouvernement gevlugt, met groot gevaar dat telken oogenblikke vreesden hetselve instorten soude, want alle de gebouwen en selfs de aarde beweegde zig als golven in de zee: dog God dank het is tot nog toe by die schrik gebleeven en met geen verdere ongelukken verseld, ten minste zooveel men kennisse daarvan heeft, except dat den persoon van Daniel Forques, geweezene adsist. van ’t comptoir van de modique lasten, door schrik van de verdieping van een huys door ’t venster op de grond is gesprongen en sig deerlyk beseert, soodat daardoor dan ’t bloedspuyen is geraakt; beneevens nog op eenige andere plaatsen eenig porcelyn en glaasen gebrooken. Geen mensch weet sig te herinneren, dat ooyt of ooyt soo lange hier Europeërs syn geweest zulk eene swaare aardbeevinge als deese hier is gevoeld geworden.”
In de vergadering van het Hof op dien zelfden dag, werd op voorstel van Crommelin tegen den 29sten October een dank- en bededag uitgeschreven, om den Heere God voor de genadige bewaring te danken.
Eenige dagen later herhaalden zich die schuddingen, gelijk in het dagboek gemeld wordt, als:
“25 October, 1766. Gepasseerde nagt, circa een uuren, heeft men al weederom eenige schuddingen gevoeld, synde egter niet zoo sterk als de voorgaande geweest.
27 October, 1766. Gepasseerde nagt ter twaalf en heeden morgen circa half seeven uuren, bij stil en helder weeder, onderaarts gedruys gehoord, vergezelt met eenige schuddingen, die egter iets sterker zijn geweest als de laatste, synde de schockingen ook op ’t waater bespeurt geworden.”
In Januarij van het volgende jaar, had weder eene aardbeving plaats, waarvan is aangeteekend:
“18 Januarij 1767. Gepasseerde nagt, circa half twee uuren, heeft men weederom een onderaarts gedruys gehoort, ’t welk tot ruym vier uuren heeft geduurd, zynde ook eenige ingeseetenen deezer colonie in de verbeelding geweest een weinig beweging te hebben gevoelt.
Ook heeft sijn Excellentie tijding ontfangen, als dat de scheepen, welke laatst in zee gestooken hebben, na een verblijf van 24 uuren weederom syn binnen geloopen weegens swaar onweer en contrarie winden.”
Strijd tegen Buitenlandsche vijanden was er, tijdens het bestuur van Crommelin, niet te voeren. Bij den oorlog, die in 1760 tusschen Frankrijk en Engeland uitbrak, bleef Nederland onzijdig347. Evenwel had de kolonie zeer veel overlast van de Fransche kapers, die aan den mond der Suriname kruisten en jagt op de Engelsche schepen maakten, wier lading als paarden, muilezels, hoornvee en proviand voor Suriname bestemd was. Hierdoor ontstond schaarschte aan proviand, doch voornamelijk aan paarden en deze waren tot het in beweging brengen der suikermolens onontbeerlijk348.