286 Journaal van der Meer, 11 Dec. 1754. ↑
287 Notulen, 6 en 26 Maart 1755 bijlage Notulen van 6 Maart No. 15 Mei 1755 enz. ↑
288 Notulen Gouverneur en Raden en bijlagen van 15 Mei, 3, 4, 12, 13 Junij 12 en 18 Aug. 17 Sept., 7, 24 October 1755, 24 Januarij 1756 enz. enz. enz. ↑
289 Journaal van van der Meer, Januarij 1755. ↑
290 Notulen Gouverneur en Raden, 27 Febr., 13 Junij en 9 Oct. 1755, 8 Oct., 5 Julij en 23 Julij 1756, bij deze laatstgenoemde notulen vindt men de Concept-Instructie der nieuwe weeskamer 24 Sept. 1756. ↑
291 Journaal van van der Meer, 18 Dec. 1755. ↑
292 Acta van het Conventus Deputatorum 26 Mei 1757. ↑
293 Bij de behandeling der zendingszaak vermelden wij een en ander uitvoeriger. ↑
294 Notulen G. en R., 31 Aug. 1756. ↑
295 Notulen G. en R., 17 Dec. 1756. ↑
296 Not. G. en R., 23 Dec. 1756. ↑
297 Not. G. en R., 7 Sept. en 24 Dec. 1756. ↑
298 Notulen G. en R., 27 en 28 Dec. 1756, 7 Februarij 1757. Journaal v. Crommelin, 18, 21 en 23 Jan. ↑
299 Not. G. en R., 8 Februarij 1757. ↑
300 Notulen G. en R., 7, 10, 20 Maart April en Mei 1757. ↑
301 Bijlage der Notulen, 26 Mei 1757. ↑
302 Notulen G. en R., 15 Sept. 1757. ↑
303 In 1761 werden zij door de heeren J. L. van Son en D. F. Dandiran vervangen. (Not. G. en R., 20 Aug. 1761). ↑
304 Journaal Crommelin, 12 en 17 Jan. 1758. Bijlage van Not. G. en R., 25 Julij 1758. ↑
305 In 1765 en 66 vermenigvuldigden zich de verkoopingen en het onder sequestratie brengen van plantaadjes van wege het kantoor Marselis. ↑
306 Notulen, 8 Febr. 1764.—Volgens besluit van het Hof, 19 Febr. 1767, mogten o. a. de voordeeligste katoenboomen bij waardeering niet hooger dan 12 stuivers gepriseerd worden—de minderen in kwaliteit, naar evenredigheid. ↑
307 Zekere Johannes Bock, die 32 jaren in Suriname had gewoond en daarna, zoo voor eigene zaken als in het belang dezer zaak, naar Nederland was gegaan, had zich hiervoor veel moeite gegeven. ↑
308 Notulen van G. en R. van 13 Febr. 1764 en van 4 Febr. 1765. ↑
309 Notulen van Gouverneur en Raden van 25 Januarij 1736. ↑
310 Notulen van Gouverneur en Raden van 27 Maart 1761. ↑
311 Notulen van 19 Mei 1761.
Hartsinck, 2de deel, bladz. 857 en 858. Bij dezen schrijver vindt men ook eene afbeelding van dit kaartengeld, doch over de uitgifte is hij niet in alle opzigten naauwkeurig geweest en op zijn voorbeeld hebben ook andere schrijvers gedwaald. ↑
312 Zie notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums. ↑
313 Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1765. ↑
314 Notulen Gouverneur en Raden, 3 Dec. 1765. ↑
315 Notulen, 8 Mei 1764. Wegens gebrek aan muntspeciën werden Directeuren verzocht ƒ 6000 aan stuivers, ƒ 2000 aan duiten te zenden en tevens aan ieder schipper een zak met ƒ 600 mede te geven. ↑
316 Not. G. en R., 23 Aug. 1765. ↑
317 Notulen G. en R. 23 Maart 1767. ↑
319 Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Junij 1760. ↑
320 Notulen van Gouverneur en Raden van 27 en 28 Junij 1760. ↑
321 Een voorstel van Crommelin, om op het pad weder een schout te plaatsen, werd door de Raden afgewezen. Notulen, 17 Febr. 1762. Doch des niettegenstaande werd op 20 Mei 1763 een schout aangesteld. Aan de aanvraag om een eigen predikant werd nimmer voldaan: de predikanten van Paramaribo zouden er preken. In 1760 werd er eene predikatie gedaan en in 1764 weder eene. Notulen van 9 Mei 1764. ↑
322 Reeds vroeger had Crommelin voorgesteld, om die gehate extra-ordinaire belasting te verminderen; (zie Notulen, 17 Nov. 1758) terwijl uit de Notulen van 16 Dec. 1762 blijkt, dat er alstoen in genoemde kas een saldo van ƒ 227,345,1 voorhanden was en de vermoedelijke uitgaven op slechts 50 à 60 duizend geraamd werden. ↑
323 Notulen van G. en R. van 4 en 8 Dec. 1760 en 3 Febr. 1761. ↑
324 Notulen van G. en R. van 14 Junij en 14 Julij 1762. ↑
325 Notulen Gouverneur en Raden, 19 Feb. 1763. ↑
326 Notulen G. en R., 20 Dec. 1763. ↑
327 Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1765. ↑
328 Journaal van Crommelin, 29 Oct. 1766. ↑
329 Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767. ↑
330 Journaal van Crommelin, 9 Dec. 1767. ↑
331 Journaal van Crommelin, 11 Aug. 1768. ↑
332 Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.—
Bij de blijvende moeijelijkheid om predikanten te verkrijgen, werd in December 1768 besloten, het tractement weder te verhoogen en hetzelve te brengen; voor de stad op ƒ 2500, voor de districten op ƒ 2000,—terwijl toen ook bepaald werd dat de weduwen haar pensioen buiten de kolonie mogten verteren.
Notulen G. en R., 3 Oct. 1751, 12 Aug. en 18 Dec. 1766. Journaal van Crommelin, 16 Dec. 1751, 23 Febr., 28 Maart, 16 April, 22 April, 2 Julij 1767, 29 Dec. 1767, 11 Aug. 1768 enz., enz., enz. ↑
333 Notulen G. en R., 2 Junij 1758, 28 Oct. 1759, 12 Aug. 1765, 10 Mei 1768, 4 Mei 1769, 11 1769 tot 14 Mei 1770 enz., enz. ↑
334 Notulen van Gouverneur en Raden van 28 Februarij 1759 en 8 Februarij 1762. ↑
335 Notulen van Gouverneur en Raden van 20 Augustus 1761 en 9 Februarij 1762. ↑
336 Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Mei 1768. ↑
337 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Mei en 13 Augustus 1760 enz. ↑
338 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Februarij 1764. ↑
339 Journaal van Crommelin van 19 April 1763. Notulen van Gouverneur en Raden van 2 Mei 1763. ↑
340 Zie hierover bladz. 170–80. ↑
341 Notulen van Gouverneur en Raden van 23 Mei 1763. ↑
342 Notulen van Gouverneur en Raden van 7 Augustus 1764. ↑
343 Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Augustus 1766 enz. ↑
344 Notulen van Gouverneur en Raden van 6 December 1764, 22 Augustus en 5 October 1766. ↑
345 Journaal van Crommelin van 10 September 1767. ↑
347 In 1767 kwamen in Suriname wel verontrustende tijdingen uit Nederland over geheime voornemens, welke men vermoedde dat Engeland koesterde, om een aanval op de kolonie te doen. Men besloot toen ook wel om op zijne hoede te zijn en zich ongemerkt in staat van tegenweer te stellen, doch het opgevatte vermoeden omtrent kwade bedoelingen van Engeland bleek ongegrond te zijn geweest.
Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Mei 1767, enz. ↑
348 De Engelsche schippers waren dan ook immer verpligt om paarden aan te voeren; de Engelsche schipper die geene paarden aanbragt moest, zonder verder zijne lading te mogen verkoopen de kolonie verlaten. Aan deze bepaling volgens placaat van 1704 werd streng de hand gehouden. ↑
349 Notulen van Gouverneur en Raden van 2 April 1760. ↑
350 Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Junij 1764. ↑
351 Notulen van Gouverneur en Raden van 10 December 1764. ↑
352 De Deserteurs werden naar Holland gezonden. Wederzijdsche uitlevering van gevlugte slaven had wel van tijd tot tijd plaats doch deze zaak was toch nog niet bepaald geregeld. Eerst in 1770 werd er tusschen Frankrijk en H.H.M. een cartel gesloten over de wederzijdsche uitlevering van Deserteurs en gevlugte slaven. ↑
353 Eene gansch niet onbelangrijke mededeeling omtrent die mislukte kolonisatie vindt men in het Tijdschrift “Onze Tijd” Jaargang 1859. Afl. Januarij in een artikel getiteld “Cayenne.” ↑
354 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1766. ↑
355 Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1763 en 5 Julij 1763, enz. ↑
356 Als eene bijzonderheid deelen wij het tarief mede, volgens hetwelk de soldaten die naar de Berbices gingen, bij verlies van een of meerdere ledematen een zoogenaamd soulagement zou worden toegelegd:
| Voor het verlies van | beide oogen | ƒ | 1500. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | een oog | ƒ,, | 300. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | beide armen | ƒ,, | 1500. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | regter arm | ƒ,, | 450. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | linker arm | ƒ,, | 350. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | beide handen | ƒ,, | 1200. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | regter hand | ƒ,, | 350. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | linker hand | ƒ,, | 300. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | beide beenen | ƒ,, | 700. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | een been | ƒ,, | 350. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | beide voeten | ƒ,, | 450. |
| Voor,,het,,verlies,,van,, | een voet | ƒ,, | 200. |
Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Julij 1763. ↑
357 Journaal van Crommelin 20 en 26 December 1757, 22 Augustus 1760, enz. ↑
358 Over de woekerwinsten der vettewariers kwamen meermalen klagten. Zij kochten zooveel mogelijk alles op en dwongen daardoor de markt. Het Hof besloot hun reeds tot 14 gestegen getal te verminderen tot 10 (zie Notulen Gouverneur en Raden, 5 Februarij 1766) doch daar hierdoor het kwaad, in plaats van te verminderen, verergerd werd moest men spoedig op dit besluit terug komen. ↑
359 Journaal van Crommelin 28 November 1757 en 2 Januarij 1758. ↑
360 Journaal van Crommelin 23 December 1758 en 3 September 1760. ↑
361 Journaal van de Meer, 9 Maart 1756.
Journaal,,van,, Crommelin, 13 November 1767.
Zie verder over dezen hatelijken handel, bladz. 218. ↑
363 Notulen, Gouverneur en Raden, 12 Februarij 1762. ↑
364 Notulen Gouverneur en Raden, 5 Aug. 1767. Omtrent die zending vindt men aldaar vermeld: dat er weder drie Moravische broeders waren aangekomen, die verlof verzochten om als zendelingen onder de Saramaccaner boschnegers te gaan. De brief van den president van het zendelings-departement Hernhutt, aan Gouverneur en Raden, ademde een regt liefelijken Christelijken geest, en maakte ook een goeden indruk op het Hof. Men noemde het plan nuttig en gaf de gevraagde toestemming. ↑
365 Hartinck, 2e deel, bladz. 812.
Notulen Gouverneur en Raden, 2 November, 6 November 1766, 29 Januarij, 22 Junij 1767, enz. ↑
366 Meermalen verhuurden de boschnegers zich tot veldarbeid op de plantaadjes. Verscheidene meesters echter weigerden later het door hen bedongen loon uit te betalen, hierom werd eene resolutie tot rigtige nakoming der wederzijdsche verpligtingen uitgevaardigd (zie Notulen Gouverneur en Raden, 20 December 1764). De boschnegers, de gedurige twisten daarover moede, trokken zich terug. ↑
367 Notulen van Gouverneur en Raden, 3 December 1764.
Nog dikwijls wordt in de notulen van deze jongelingen melding gemaakt. Een derzelve Jeboach, schijnt een korzelig humeur te hebben gehad en werd naar Holland gezonden. Na ontvangen onderwijs in het Aalmoezeniershuis, wordt hij tot het ambacht van schilderen opgeleid en werd na zijne terugkomst in Suriname meermalen in belangrijke zendingen gebruikt en oefende een grooten invloed op zijne stamgenooten uit; twee andere werden timmerlieden. ↑
368 Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1762. ↑
369 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij en 12 September 1757. ↑
370 Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Julij 1757. ↑
371 In December 1757 had zij op haar ingediend verzoek scheiding van tafel, bed en bijwoning van haren man verkregen.
Notulen van Gouverneur en Raden, 13 December 1757. ↑
372 Notulen van Gouverneur en Raden van 11 Sept. 1759. ↑
373 Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761. ↑
374 Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761. ↑
375 Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Augustus 1761. ↑
376 Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Augustus 1761. ↑
377 Notulen van Gouverneur en Raden van 15 Julij 1762. ↑
378 Notulen van Gouverneur en Raden van 1 September 1762. ↑
379 Deze manier word eertijds meêr in Suriname gevolgd, zie o. a. “Beschrijvinge van de Volkplantingen in Zuriname” door J. D. H. L. te Leeuwarden bij Meindert Injewa 1718, bladz. 112.” Straffen der Slaven. Als wanneer zij eenig kwaad, buiten de straffe des doods verdiend hebben (bedrijven), zoo werd dezelve door order van de meester, of ook wel door hem zelfs gestraft: werdende de misdadige de handen met touw te zamen gebonden, na boven aan een boom opgetrokken (of over een balk van ’t huis op zekere hoogte van de grond) en daar vastgemaakt zijnde, zoo wordt hem 50 ponds op de grond staande aan de voeten vastgemaakt en die aan een gebonden, om daardoor het slingeren, schoppen met de voeten te beletten; gehouden zijnde deze strengen straf nog geduldig te lijden, of ten minste met wringen en schreeuwen haar groote ellende te beklagen ….. wordt hem eerst door de meester of eenige blanke dienaren en gevolgelijk door de swarte broedergezellen, zoodanig met een zweep (gevlogten van water pinas, een soort van zeer taai riet, met scherpe doornen) geslagen en gegeeseld, dat hij eerder een gevilde of gestroopten hond gelijkende is, als een mensch. En wanneer men bevind, dat zij soms door aangedrongen pijnen so kwaadaardig zijn, dat zij somtijds haar zoeken te stikken, wijl zij de kop in de borst zetten en de adem weten in te houden, daarbij de tong nog dubbeld leggen, om door stikken haar leven te benemen, neemt men een stuk brandhout en stoot haar dat voor de tanden, so dat haar de lippen digter schroeijen als die doch anders zijn, so dat zij adem halen; en als wanneer men oordeeld haar genoeg gekastijd te hebben, losgelaten zijnde, dat de lapperige stukkende huid met een scherp zuur van lamoenzap, met pulver vermengt zijnde, dat de vorige ellendige pijnen moeten vermeerderen voor een korte wijl, strekkende verder tot ettering en de geheele genezing der wonden ….. ↑
380 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 en 18 Dec. 1762. ↑
381 Notulen van Gouverneur en Raden van 31 Augustus 1762. ↑
382 Notulen van Gouverneur en Raden van 29 September 1762. ↑
383 Notulen van Gouverneur en Raden van 11 September 1760. ↑
384 Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1767. ↑
385 Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Mei 1763. ↑
386 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1758, 20 October 1760 en 28 December 1765 enz. ↑
387 Notulen van Gouverneur en Raden van 5 September 1765. Om eenigzins een denkbeeld te kunnen maken van de groote kosten dier commando’s, zie men wat voor een commando berekend werd, dat drie weken zouden duren en bestaan uit: 3 officieren, 6 onder-officieren, 3 chirurgijns, 65 soldaten en 183 lastdragers; namelijk: 1080 pond vleesch, 540 brooden, 270 stoop gort, 18 pullen dram, 6 kisten patronen, 3 dito medicijnen, 18 kratsers, 150 vuursteenen, 75 ijzeren houwers, en voor de lastdragers 2448 pond bakkeljaauw, 1254 brooden, 336 stoop gort. ↑
388 Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. ↑
389 Notulen van Gouverneur en Raden van 16 December 1762. Uit aanmerking van de hooge prijzen, die in Nederland voor de suiker, cacao en katoen betaald werd, besloot men in evenredigheid daarvan, de calcula voor de belasting te verhoogen, en werd de suiker gebragt op ƒ 75 het oxhoofd, de cacao op 10 stuivers het pond en de katoen op 15 stuivers het pond. De koffij werd toen eerst verlaagd tot 4 stuivers het pond, doch ook deze steeg spoedig weder in prijs, en werd in 1770 tot 6 stuivers het pond gekocht, Journaal van Nepveu, 21 Sept. 1770. ↑
390 Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. ↑
391 Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Nov. 1768. Crommelin beklaagde zich in zijne afscheidsrede met bitterheid over deze omstandigheid, en de Raden bleven een scherp antwoord niet schuldig. ↑
392 Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769 enz. ↑
393 Journaal van Nepveu, 25 November 1768 enz. ↑
394 Journaal van Nepveu, 23 November 1768. ↑
395 Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769. ↑
396 Journaal van Nepveu, 11 Mei 1770. Crommelin scheepte zich met zijne vrouw en twee dochters den 11 Mei 1770 in, en verliet eenige dagen later voor goed de kolonie. ↑
397 Journaal van Nepveu, 8 Maart 1770. ↑
398 Journaal van Nepveu, 9 Maart 1770. ↑
399 Journaal van Nepveu, 16 Maart 1770. ↑
400 Journaal van Nepveu, 12–15 October 1770. ↑
401 Journaal van Nepveu, 15 November 1772. Een groot feest had o. a. plaats toen de tijding in de kolonie kwam dat Prins Willem V een zoon, onze latere Koning Willem I was geboren. ↑
402 Journaal van Nepveu, 13 December 1769 en vervolgens, zie ook bladz. 275. ↑
403 Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1771. ↑
404 Journaal van Nepveu, 9 Februarij 1769. De Fransche Gouverneur van Martinique, d’Ennery, bezocht met een gevolg van 24 officieren in 1769 Suriname. Nepveu liet hem het merkwaardigste der kolonie zien. De heer d’Ennery was als opgetogen over vele dingen, maar voornamelijk “over de extra groote reê met kostelijke schepen,” en “over de heerlijke gebouwen, o. a. op de plantaadje Tout lui fait en over het zindelijk onderhoud en de properheid die overal doorstraalde.” Hij kon echter niet nalaten de opmerking te maken, “dat het folien waren, wyl dergelijke kapitalen geen evenredige interessen voor eene plantaadje konden geven, waarbij hun altijd het oog opgehouden werd.” ↑
405 Beide zijn gezegden van Nepveu, zie Journaal van Nepveu, 28 Sept. 1770 en Notulen van Gouverneur en Raden van 7 April 1774. ↑
406 Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. Aan dit werk ontleenen wij verscheidene, elders niet geboekte bijzonderheden, van dien ontstanen finantiëelen crisis. ↑
407 Historische proeve, 1e deel, bladz. 156. ↑
408 Historische proeve, 1e deel, bladz. 157. ↑
409 Notulen van Gouverneur en Raden van 19 Augustus 1771. Zekere A. Geselschap pleegde falsiteit in het verbinden en verhypothekeren zijner eigene plantaadje en in zijn ambt als priseur. Hij werd dien ten gevolge veroordeeld tot eene boete van ƒ 1000 Surinaamsch, ontslag uit zijne functien en de kosten van het proces. Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Augustus 1771. Door het te hoog taxeeren der plantaadjes werd het crediet der kolonie zeer geschokt, waarop “de instructie der priseurs verscherpt werd.” Verscheidene fraudes, zoo omtrent te hooge taxatiën als van het, als vrij en onbelast verkoopen van slaven, die reeds onder hypothecair verband stonden, werden ontdekt en gestraft met geldboete van ƒ 2000 enz. enz. Journaal van Nepveu, 21 Augustus 1773 enz. enz. ↑
410 In 1765 werden gekeurd 21506 oxhoofden suiker, in 1773 slechts 16486. ↑
411 Journaal van Nepveu, 27 Julij 1769. De slaven, laatst aangebragt door kapitein J. Boeque op den 18 gemeld, zijn meest verkocht tot ƒ 650; zoo dat het telkens opslaat.
Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1770.
De gezagvoerders der slavenschepen verkochten meermalen hunne lading “menschelijke wezens” uit de hand, en in massa aan groote planters. Vele ingezetenen kwamen hiertegen op, want de slaven stegen zoo hoog in prijs, dat men ƒ 600 à ƒ 700 per hoofd moest betalen. Het Hof hernieuwde daarom het placaat, waarbij bepaald was, dat de verkoop van slaven niet uit de hand, maar op vendue moest geschieden.
Journaal van Nepveu, 21 Junij 1770.
“De slaven worden verkocht voor 700 à 800 gulden, het gebrek aan slaven blijft echter groot” enz. enz. ↑
412 Journaal van Nepveu, 26 April 1771. ↑
413 Journaal van Nepveu, 24 April 1770. ↑
414 Journaal van Nepveu, 29 April 1771. ↑
415 Historische proeve, 1e deel, bladz. 157. ↑
416 Notulen van Gouverneur en Raden van 10 Augustus 1769. ↑
417 Journaal van Nepveu, 6 December 1769. ↑
418 Notulen van Gouverneur en Raden van 12 Augustus 1771. ↑
419 De kosten der regtspleging enz. waren inderdaad ongehoord; als een klein bewijs diene o. a. het volgende: voor het doen van één exploit, over eene som beneden de ƒ 100, was ƒ 26 onkosten gevallen. Notulen Gouverneur en Raden, 14 Februarij 1775.—“Heeren Raaden van Civiele Justitie nemen voor het simpel teekenen van een authorisatie op den Exploiteur, tot het in bewaarenderhand nemen van een effect, ƒ 20 hetwelk HH. rekenmeesters voorkomt in de calamiteuse omstandigheeden tot vermeerdering van lasten voor de ongelukkigen te zijn.” Notulen Gouverneur en Raden, 2 Sept. 1776. “In consideratie de zware kosten, ten laste der ongelukkige ingeseetenen, wier effecten in bewaarenderhand worden genomen of anderzints gedeposeert, achten HH. rekenmeesters het onbillijk, dat de HH. Raaden van Civiele Justitie die kosten zoozeer vermeerderen door haare hooggestelde vacatiën, voor provisiën en mondbehoeften bij gedaane assistentie in de rivieren, zelfs voor het teekenen van authorisatie, terwijl de bediening der Raden, volgens art. 26 van het octrooi, moet zijn: alleen uyt liefde en ten beste van ’t gemeen, sonder vergelding te genieten.” Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Augustus 1778.—Wij konden de voorbeelden zeer vermenigvuldigen. ↑
420 Dat besluit was genomen tijdens het bestuur van den Gouverneur Gerard van der Schepper, wanneer men om finantiële moeijelijkheden, reeds onder den Gouverneur Joan Raye ontstaan, voorloopig eene generale surcheance had toegestaan, die door HH. M. gewraakt werd. ↑