GELOOF TE WAPEN GEROEPEN.
Kapitein Ondervinding wilde men in de stad laten, omdat hij nog altijd niet genezen was van de wonden,[56] die Diábolus hem in den laatsten slag had toegebracht. Maar toen hij bemerkte, dat al de kapiteins aan den strijd deelnamen, eischte hij zijne krukken en strompelde daarmede zoo goed het ging ook de stad uit. — „Neen”, zeide hij, „ik kan hier niet zoo gemakkelijk blijven liggen, waar mijne broeders in de hitte van den strijd trekken en vorst Immanuel zich aan hen in het veld zal vertoonen.” Toen de vijanden dezen man met zijne krukken zagen waren zij te meer verslagen. Welke geest, dachten zij, is nu in die mannen van Menschziel gevaren, dat zij zelfs op krukken tegen ons willen vechten! Intusschen waren de kapiteins er op aangevallen en maakten een flink gebruik van hunne wapenen, terwijl zij luide juichten: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.”
Diábolus bemerkte hoe stoutmoedig hij omsingeld werd en vreezende,[57] dat hun tweesnijdend zwaard er dapper op inhakken zou, viel hij ’s Prinsen leger aan met doodelijke woede, en zoo begon de slag. Die Diábolus het eerst aanvielen, waren kapitein Geloof en de heer Vastewil, de een benauwde hem aan de éene zijde en de ander aan den anderen kant. De slagen van den heer Vastewil waren als die van een reus; want die man had een sterken arm en hij viel op de Twijfelaars aan de Verkiezing aan, want dit was Diábolus lijfwacht. Inderdaad, hij hield hen een wijle duchtig bezig, hakkende er geweldig op in. Kapitein Geloof benauwde diezelfde compagnie van den anderen kant en aldus geraakten zij in groote wanorde. Kapitein Goede Hoop had de Twijfelaars aan de Roeping voor zijne rekening genomen en dat volk was waarlijk sterk genoeg, maar de kapitein was ook zeer dapper en werd nog bovendien door kapitein Ondervinding en zijne troepen bijgestaan. Zoo werden dan ook de Twijfelaars aan de Roeping tot wijken gedrongen. De rest van het leger was zeer verwoed; ’t scheen, dat zij allen in het besef verkeerden, dat het er nu op aan kwam, er op of er onder voor altijd; daarom werd aan alle zijden wanhopig gevochten. Toen commandeerde de Oppergeheimschrijver, dat de slingers van het kasteel daaronder spelen zouden. De slingeraars konden mikken op een haar en brachten ook veel bij tot de overwinning. Eenigen tijd was Diábolus’ volk zeer verward en begonnen de meesten er al over te denken de vlucht te kiezen voor ’s Prinsen kapiteins. Maar neen, zij verzamelden zich weer en vielen stoutmoedig op de achterhoede aan. Zij brachten dáar zulk eene geweldige botsing teweeg, dat ’s vorsten leger verflauwde. Eensklaps herinnerden dezen zich echter, dat zij het aangezicht van hunnen Prins zouden zien, en dat deed hen weder moed grijpen, zoodat de strijd opnieuw hevig werd. Daarop juichten de kapiteins en riepen: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!” Dit deed Diábolus terugdeinzen in de meening, dat er versterking was aangekomen. Maar Immanuel verscheen nog niet. De overwinning was nu eenigen tijd twijfelachtig en van weerszijden trok men een weinig terug. In deze oogenblikken van twijfelmoedigheid riep kapitein Geloof zijn volk toe en moedigde hen aan om toch vol te houden.
[56] Kapitein Ondervinding krank aan zijne wonden. De bevinding van den Christen is aan allerlei afwisseling onderworpen en heeft haar ebbe en vloed. Er hebben worstelingen des geloofs plaats, waarin zij duchtig wordt gekwetst en het hard te verantwoorden heeft. Naar de maat van iemands geloof is ook zijne ondervinding. Wanneer het geloof taant, is ook de ondervinding zeer zwak; toch kan het herdenken van ’s Heeren daden den moed des geloofs weer aanwakkeren. Dit is eigenaardig door Bunyan voorgesteld in de allegorie, dat deze kreupele kapitein naar zijne krukken vraagt en mede naar buiten strompelt.
[57] Diábolus wordt verschrikt door de stoutmoedigheid van ’s Prinsen kapiteins. De duivel is bang voor het geloof en als hij zelfs gewonden met moed ziet vervuld, speurt hij in hen de kracht Gods, die in hunne zwakheid wordt volbracht.
HET ZWAARD VAN VASTEWIL
EN HET SCHILD VAN KAPITEIN GELOOF.
DE VLUCHT.
„Mijne vrienden, dappere soldaten”, riep hij, „mijne broeders, allen bezield met hetzelfde oogmerk, dat ook het mijne is. Het verblijdt mij zeer u allen thans voor onzen Prins in het veld te zien, als een groote heirmacht, die doordrongen is van liefde jegens Menschziel. Gij hebt u tot dusverre mannen van moed en trouw betoond, zoodat Diábolus nog geen voordeel op ons behaald heeft. Grijpt nu allen weder den ouden moed en toont u mannen als tevoren, en weinige oogenblikken na dezen aanval zult gij zien, dat uw Prins zich te velde vertoont. Nog dezen aanval op Diábolus, — en dan komt Immanuel!”[58]
[58] Immanuel komt. De belofte is stellig en vast: „Ziet uw koning komt tot u” maar hij komt eerst op het uiterste oogenblik, als er ten bloede toe gestreden is en de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft gehad. Dan zijn echter alle smarten en wonden vergeten en wordt door zijne nabijheid in de ziel niet alleen iedere vijand verslagen maar ook alle wonden genezen. „Sta op, Heere, tot uwe rust, Gij en de ark uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en uwe gunstgenooten juichen. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij heeft het begeerd tot zijne woonplaats. Ik zal mijne vijanden met schaamte bekleeden; maar op haar zal zijne kroon bloeien. Ps. 132.
NNauwelijks had kapitein Geloof deze redevoering tot zijne soldaten gesproken of een zeker man genaamd Spoed[59] kwam te post aan het leger van den Prins met de boodschap, dat Immanuel in het gezicht was. Zoodra Kapitein Geloof dit blijde nieuws vernam, deelde hij het onmiddellijk aan de anderen mede en deze weder aan hunne manschappen, waardoor het gansche leger, als waren het mannen uit den dood opgestaan, zich opmaakte om den vijand aan te vallen, roepende als tevoren: „Het zwaard van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!”
Die van den reus spanden ook alle krachten in, maar in dezen laatsten strijd verloren zij den moed, en velen der Twijfelaars vielen gedood ter aarde. Nadat zij nu nog ruim een uur in het heetst van het gevecht hadden doorgebracht, hief kapitein Geloof zijne oogen op, en ziet, daar kwam Immanuel aan met vliegende vaandels en klinkende trompetten, terwijl de voeten dergenen, die hem volgden, nauwelijks de aarde aanraakten. Met zulk eene snelheid spoedden zij zich voort om bij de kapiteins te komen, die maar voortdurend bleven strijden. Kapitein Geloof wendde zich nu met de zijnen stadwaarts en liet voor Diábolus het veld ruim. Daarop trok Immanuel voorwaarts en zoo was de vijand tusschen hen ingesloten. Toen viel kapitein Geloof met de zijnen wederom op hen, en ziet, zoo langzamerhand ontmoetten Immanuel en kapitein Geloof elkander over de verslagenen heen, die zij onder hunne voeten vertraden.
Toen ook de andere kapiteins zagen, dat de Prins gekomen was en dat het Diábolus-leger tusschen Zijner Majesteits en kapitein Geloofs troepen werd ingesloten en in de pan gehakt, zoo juichten zij met een groot gejuich, zoodat er de aarde van spleet, roepende: „Het zwaard van Immanuel en het schild van Geloof!” Diábolus zich zoo geheel ingesloten ziende zocht met de andere vorsten van den afgrond eene opening om te ontvluchten, latende al zijn volk in de steek. Al dit volk viel voor het aangezicht van den prins en zijne heirkracht; er bleef nauwelijks een Twijfelaar in het leven; de dooden lagen verspreid over de vlakte als mest op het land.
Toen de slag geëindigd was kwam alles weder in orde, en alle kapiteins en oudsten van Menschziel kwamen samen om Immanuel te begroeten. Hij lachte hen vriendelijk toe, en zeide: „Vrede zij ulieden!” Daarna stelden allen zich in het gelid om naar Menschziel op te trekken, ook de Prins met zijne versche legermacht, die hij nu had medegebracht. Alle poorten werden opengezet om hem waardig te ontvangen. Ook de poorten van het kasteel werden wijd geopend en de oudsten en overheden stelden zich daar om hem bij het intrekken te verwelkomen. Toen hij nu de poorten naderde riepen zij: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” En anderen zeiden: „Wie is die koning der eere?” Waarop het antwoord weder klonk: „De Heere, sterk en geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten, ja verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” Ps. 24.
Verder was verordend door de oversten van Menschziel, dat langs den geheelen weg van de stadspoort tot die van het kasteel voortdurend liederen zouden worden gezongen door diegenen, welke het meeste verstand van muziek hadden. Alzoo werd er een beurtzang aangeheven toen Immanuel zijn intocht deed,[60] nu en dan afgewisseld door trompetgeschal. En toen hij aan de poorten van het kasteel kwam klonk het: „Zij hebben Ps. 68 : 25, 26. uwe gangen gezien, o God! de gangen mijns Gods, mijns konings, in het heiligdom!” De zangers gingen vóor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
[59] Zekere heer Spoed. Menschziel strijdt nu den goeden strijd des geloofs. De twijfel is op de vlucht gedreven: de twijfelaars zijn de stad uit. Beter is de openlijke strijd met vijanden van buiten dan met inwendig bederf en ongeloof. Nu kan de heer Spoed van ’s Prinsen leger komen. Nu is er weer gemeenschap tusschen de ziel en Immanuel.
[60] Het binnentreden van Immanuel. Hier keert Jezus in de ziel terug na vele droevige dagen van afwezigheid. De groote waarheid, dat Jezus nooit met de zonde kan samenwonen, wordt hier duidelijk gemaakt. Hoe weinig er noodig is om die innige gemeenschap te verstoren en hoeveel er moet geschieden eer al de gevolgen van onze onbedachte handelwijze zijn uitgewischt. John Bunyan neemt het niet licht op met de zonde. Door schade en schande geleerd is de blijdschap der opnieuw verloste ziel onuitsprekelijk groot. Men gevoelt in de beschrijving, dat Bunyan tevergeefs tracht den indruk weer te geven. Welkom aan de poorten, godgewijde liederen, bloemen en eerebogen, saluutschoten, muziek, enz.
DE BEENDEREN DER TWIJFELAARS BEGRAVEN.
Ook wachtten de kapiteins elk op zijn post hunnen Prins op toen hij de poorten van Menschziel binnenreed. Kapitein Geloof was de eerste, dan volgde Goede-Hope; daarna kapitein Liefde, met anderen van zijn gezelschap. Het laatst kwam kapitein Geduld met de overige hoofdlieden, sommige ter rechter-, anderen ter linkerzijde. Zoolang de intocht duurde wapperden alle vlaggen, klonken de trompetten en was er groot gejuich onder de soldaten. De Prins zelf was weder gekleed in zijne wapenrusting van geslagen goud; de pilaren van zijn koets waren van zilver, de vloer van goud, het verhemelte van purper en het binnenste was bespreid met liefdeblijken voor de dochters Hoogl. 3 : 10. van Menschziel.
De Prins vond de straten bestrooid met leliën en bloemen en van boven kunstig overdekt met triomfbogen van de groene takken der boomen, die rondom de stad stonden, terwijl ieder voor zijn huis eene versiering had aangebracht; dat alles diende om den Prins te vereeren; en overal waar hij voorbijkwam klonk het gejuich: „Gezegend is hij, die daar komt in de naam Ps. 118 : 26. zijns Vaders El-Schaddaï.”
Voor de poort van het kasteel werd Zijne Majesteit weder begroet door de oudsten van Menschziel, n. l. de Burgemeester, de heer Vastewil, de Onderprediker, de heer Kennis en de heer Gemoed met anderen uit den adel dezer plaats. Zij bogen voor hem neder, kusten het stof van zijne voeten, dankten, zegenden en prezen Zijne Majesteit omdat hij hun niet tegen was wegens hunne zonden, maar medelijden had gehad met hunne ellende en nu in barmhartigheid tot hen wederkeerde om voor eeuwig hun Menschziel op te bouwen. Zoo trok hij dan regelrecht het kasteel binnen; want dat was het koninklijk paleis en de plaats, waar zijne eere woonde. Alles was daar reeds door den Oppergeheimschrijver en den kapitein Geloof gereed gemaakt.
Maar nu naderde hem al het volk van Menschziel binnen het kasteel om te weenen en te kermen en hunne goddeloosheid te bejammeren. Zij bogen zich bij het binnenkomen zeven maal voor hem ter aarde en weenden, terwijl zij den Prins vergeving vraagden, hem smeekende, dat hij als van ouds onder hen wilde wonen. Waarop de Prins antwoordde: „Weent niet, maar gaat uws weegs, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen aan uwe broeders: want de blijdschap des Heeren is uwe sterkte. Ik ben tot Menschziel wedergekeerd Neh. 8 : 11. met ontferming en mijn naam zal daardoor verhoogd en verheerlijkt worden.” Ook omhelsde hij de burgers, kuste hen en drukte hen aan zijn hart.
Bovendien gaf hij aan de oudsten van
Menschziel en aan iederen machthebber der
stad een gouden keten en een ring. Ook
zond hij aan hunne vrouwen oorsieraden,
juweelen, armbanden en dergelijken, en aan
de echte kinderen van Menschziel deelde hij
kostelijkheden uit. Toen Immanuel al deze
dingen voor het beroemde Menschziel gedaan
had, zeide hij eerst tot hen: „Wascht
uwe kleederen, en doet uwe versierselen
aan, en komt daarna in mijn kasteel terug.”
Zoo gingen zij dan heen om Pred. 9 : 8.
zich te wasschen naar de fontein, die geopend
was voor Juda en Zachar. 13 : 1.
Openb. 7 : 14, 15.
Jeruzalem. Daar maakten
zij hunne kleederen wit en stonden daarna
rein en versierd voor Immanuel.
Nu was er muziek en dans door de gansche stad, omdat hun Vorst hen weder vereerde met zijne tegenwoordigheid en met het licht van zijn aangezicht; de klokken werden geluid en de zon scheen vriendelijk op hen voor een langen tijd.
Ook deed de stad thans meer voortdurend en ernstig onderzoek om de nog overgebleven Diábolus-mannen in de wallen uit te vinden en te vernielen; want er waren er toch nog van dat gespuis, die de handen hunner onderdrukkers hadden weten te ontkomen. De heer Vastewil was thans een veel grooter verschrikker voor hen dan hij ooit tevoren geweest was, daar zijn hart nu ten volle was overgebogen om hen op te zoeken en te dooden. Hij vervolgde hen dag en nacht en bracht hen in zware verdrukking zooals nog later blijken zal.
Toen nu alles zoover weder in orde was werd door den Prins order gegeven, dat de burgers der stad zonder verder uitstel er sommigen zouden uitzenden om naar de vlakte te gaan ten einde de beenderen der Twijfelaars te begraven,[61] opdat de stank en uitwaseming daarvan de lucht niet besmetten zouden in de beroemde stad. Dit moest ook gebeuren, omdat zoolang Menschziel bestond de nagedachtenis van deze hare groote vijanden zou worden weggedaan.
[61] De lijken der Twijfelaars worden begraven. Het leger der Twijfelaars is verslagen; een volkomen nederlaag overdekt hen met schande en smaad en ondergang. Maar de Christen krijgsman heeft nog niet alles gedaan zoolang de onbegraven lijken nog in het gezicht zijn. Ook de nagedachtenis der zonde moet uit den weg geruimd. De herinnering aan vroegere schuld kan schaden en in verzoeking brengen; daarom al wat er aan herinnert weg.
KAPITEIN PAUS.
Zoo werd dan bevel gegeven door den Burgemeester, dat verstandige en vertrouwde vrienden tot dit noodige werk zouden worden gebruikt, en de heer Vreeze Gods en zekere edelman Oprecht werden tot opzieners hierover aangesteld. Verscheidene menschen waren daar druk mede. Sommigen groeven de kuilen, anderen begroeven de lijken, en nog anderen liepen maar rond om naarstig te zoeken of zij nog botten en beenderen vonden, die van een Twijfelaar afkomstig waren. Zij moesten daarbij dan een kenteeken plaatsen opdat de doodgravers ze vinden zouden. Alle naam en nagedachtenis der Diábolus-mannen moest op die wijze worden weggeruimd en uitgedelgd van onder den hemel en dat de kinderen, in Menschziel later geboren, niet weten zouden wat een doodsbeen van een Twijfelaar was. Deze lieden deden dan ook zooals hun geboden was. Zij begroeven de Twijfelaars en alle beenderen en stukken daarvan waar zij ze vonden, en zoo werd de vlakte gereinigd. Ook nam de heere Vrede Gods weder zijn post waar als in vroeger dagen. Er was nu van al de Twijfelaars aan de Verkiezing, noch aan de Roeping, noch aan de Volharding, noch aan de Genade, noch aan de Opstanding of de Zaligheid, of de Heerlijkheid niets meer te bespeuren. Al de kapiteins, n.l. Woede, Wreed, Verdoemenis, Onverzadelijk, Zwavel, Torment, Zonder-Rust, Graf en Wanhoop waren met den ouden veldmaarschalk Ongeloof op de vlucht gegaan of gewond. Zoo ook de zeven legerhoofden Beëlzebul, Lucifer, Legio, Apollyon, Belial, Python en Cerberus, die als generaals dienst hadden gedaan. Daardoor waren dan ook hunne manschappen verslagen en door Immanuels macht op de vlucht gejaagd. Zelfs hunne wapenen, die akelig en verschrikkelijk waren, met hunne banieren en vaandels werden met hen begraven, zoodat er niets meer viel te zien of te ruiken, dat aan een Diábolistischen Twijfelaar herinnerde.
TToen nu de tiran weder aan Hellepoortsheuvel was gekomen, vergezeld van zijn ouden vriend Ongeloof, daalde hij onmiddellijk in den put neer en daar voor eene poos met hunne gezellen hun treurig lot beklaagd hebbende en tevens het groot verlies, dat zij leden, overdacht, zoo werden zij eindelijk woedend en zwoeren, dat zij zich wreeken zouden over het verlies der beroemde stad Menschziel. Daarom beraadslaagden zij al dadelijk weer over hetgeen gedaan kon worden; want hunne holle buiken en verslindende keelen lieten hun dag noch nacht met rust. Iedere dag scheen hun een halve eeuw. Zij besloten daarom andermaal de stad Menschziel aan te tasten met een gemengd leger van Twijfelaars en Bloeddorstigen. Laat ons dit volk nader beschrijven.
De Twijfelaars dragen hunnen naam naar hunne natuur zoowel als van het koninkrijk, waar ze geboren zijn. Het komt met hunnen aard overeen iedere uitspraak en ieder woord van Immanuel in twijfel te trekken, en hun land heet het land der Twijfeling, liggende naar het noorden tusschen het gewest der Duisternis en de Vallei der schaduwen des doods. Van het land der duisternis en de Vallei der schaduwen des doods wordt somtijds gesproken als van hetzelfde gewest; maar dat is onjuist. Ze liggen dicht bij elkaêr, maar het land der Twijfeling ligt daar tusschen. ’t Was dus al soortgelijk volk als dat van de laatste maal.
De Bloeddorstigen zijn een volk, dat zijn naam heeft naar de boosheid hunner natuur en de woede, die in hen is tegen de stad Menschziel. Hun land ligt onder de Hondster en door haar worden zij ook geregeerd. De naam van die streek is de provincie Walg-van-het-Goede; zij ligt verre van het land der Twijfelaars, maar grenst er aan éene zijde toch aan, aangezien beide landen uitkomen aan Hellepoortsheuvel. Toch kunnen zij zich best met de Twijfelaars vereenigen omdat zij gelijken haat koesteren tegen Immanuel.
Uit deze twee landen riep Diábolus eene lichting op van 25000 man, n.l. 10000 Twijfelaars en 15000 Bloeddorstigen. Verschillende generaals werden over hen aangesteld, maar de oude Ongeloof was weder veldmaarschalk. Vijf van de zeven kapiteins, die den vorigen tocht mede gemaakt hadden, werden nu ook aangesteld; de anderen werden verlaagd tot vaandeldragers. De Twijfelaars stonden nu onder de vorsten Beëlzebul, Lucifer, Apollyon, Legioen en Cerberus.
Maar Diábolus rekende deze Twijfelaars volstrekt niet voor de voornaamsten; want hij had hunne dapperheid wel beproefd maar die te licht bevonden; daarom diende hun aantal alleen om zijn leger te vergrooten; maar zijn grootste vertrouwen stelde hij op de Bloeddorstigen. Dat waren zeer ruwe gasten en hij wist wat al schelmstukken zij vroeger gepleegd hadden. Deze nu stonden onder de bevelhebbers Kaïn, Nimrod, Ismaël, Ezau, Saul, Absalom, Judas en Paus.
Kapitein Kaïn was over twee Gen. 4 : 8. benden, nl. de Vurige en de Nijdige Bloeddorstigen. Zijn vaandel had een roode kleur en zijn wapen was een moordknods.
Kapitein Nimrod was ook Gen. 10 : 8, 9. over twee benden, te weten de Wreedaardige en de Sluipende Bloeddorstigen. Zijn vaandel was ook rood en zijn wapen de groote Bloedhond.
[62] De mannen des bloeds. Dit is eene nieuwe uitvinding van Satan. Hij beproeft door vervolging de ziel te kwellen en afvallig te maken. Eerst deed hij het met den twijfel in iederen vorm, en geheel geeft hij dit wapen nooit op; maar nu moet een ander beproefd, waarvan hij beter gevolg verwacht — uitwendige folteringen, vuur en zwaard, brandstapel en moordschavot. Maar dit is dan ook de laatste toevlucht van eene slechte zaak. Als alle argumenten vruchteloos blijken, dan blijft woest geweld over. De geschiedenis des Bijbels en der kerk beide leeren dit. Daarop wordt hier in den vorm van de kapiteins der bloedmannen gewezen, waarvan Kaïn de eerste en de Paus de laatste is.
KAPITEIN GELOOF EN KAPITEIN GEDULD
VERSTERKEN DE STAD.
Kapitein Ismael was ook over twee benden, n.l. de Spottende en de Lasterende Bloeddorstigen. Ook zijn vaandel Gen. 21 : 9, 10. was rood en zijn wapen: iemand, die Abrahams Isaäk bespotte.
Gen. 27 : 41-45. Kapitein Ezau had ook twee benden, n.l. de Murmureerende Bloeddorstigen en de Wraakgierige Bloeddorstigen. Eveneens was zijn vlag rood, maar zijn wapen was: iemand, die heimelijk loerde op Jakobs ondergang.
1 Sam. 18 : 10;
en 19 : 10;
en 20 : 33. Kapitein Saul
voerde het bevel over de Bloeddorstigen,
die zonder reden gebelgd waren, en diegenen,
welke helsche woede openbaarden. Zijn rood
vaandel was versierd met drie bloedige pijlen
op David geworpen.
2 Sam. 15. Kapitein Absalon bestuurde de Bloeddorstigen, die om wereldsch voordeel wel een vader wilden vermoorden, en de mannen des bloeds, die vriendelijk met iemand omgaan tot zij hem het zwaard in het hart steken. Zijn rood vaandel voerde ten wapen een vadermoorder.
Matth. 26 : 14-16, 49. Kapitein Judas was gesteld over de voor geld verradende Bloeddorstigen en hen, die dit verraad plegen met een kus. Zijn rood vaandel droeg ten wapen dertig zilverlingen en een strop.
Openb. 13 : 7, 8. Kapitein Paus had maar éene bende, want hij weet alle geesten tot een éen te brengen als zij onder hem dienst nemen. Ook zijne vlag was rood en zijn wapen vertoonde een brandstapel met een martelaar daarop.
De reden nu waarom Diábolus zoo spoedig met deze nieuwe legermacht kwam opdagen was, dat hij zulk een groot vertrouwen stelde in deze mannen des bloeds; want hoewel zijne Twijfelaars hem tevoren veel dienst bewezen hadden zoo waren zij minder betrouwbaar gebleken; maar dit volk kon, naar hij dacht, de proef doorstaan. Hij wist dat deze mannen als bloedhonden zich vastklemden aan alles wat onder hun bereik kwam, al ware het vader of moeder, zuster of broeder, ja al ware het de vorst der vorsten in eigen persoon. Zelfs was het hun eenmaal gelukt Immanuel uit het koninkrijk Aardbodem te verdringen, waarom zouden zij nu niet hetzelfde doen met de stad Menschziel?
Toen nu dit groote leger door generaal Ongeloof aangevoerd optrok, was juist de heer Toezicht uit Menschziel op kondschap uitgegaan, en bracht hij dan ook onmiddellijk tijding van hunne komst. Dadelijk werden de poorten gesloten en alles op voet van oorlog ingericht.
Diábolus legerde zijne nieuwe Twijfelaars
bij de Voelpoort en de Bloeddorstigen voor
de Oog- en Oorpoorten. De heer Ongeloof
zond nu in naam van Diábolus, van zichzelven,
van de Bloedmannen en alle anderen
eene opeisching aan Menschziel zoo heet als
gloeiend ijzer, dreigende bij weigering aanstonds
geheel Menschziel te verbranden. Het
was er nu niet zoozeer om te doen de stad
te veroveren dan wel om haar uit te roeien van
onder de levenden. Al wilden zij zich overgeven,
dat was nog niet genoeg; zij wilden
het bloed der lieden van Menschziel uitzuigen;
wanneer zij geen bloed slurpten,
konden zij niet leven. Daarom Jes. 59 : 7.
Jer. 22 : 17.
had Diábolus ook die Bloedhonden
tot het allerlaatste bewaard, om als
alles vruchteloos bleek door hen de stad te
verdelgen.
Toen nu de burgers deze gloeiende opeisching ontvangen hadden, veroorzaakte zij onder hen groote ontsteltenis, en liepen hunne gedachten zeer door elkander. Maar in minder dan een half uur tijds waren zij overeengekomen die opeisching tot den Prins te brengen, en schreven daaronder: „Heere, verlos ons van de mannen des Ps. 59 : 3. bloeds!”
Hij nam het geschrift aan, bezag en overwoog het; ook aanschouwde hij in gunst wat Menschziel daar zoo kort en bondig onder geschreven had. Toen riep hij den edelen kapitein Geduld en beval hem zijne macht met zich te nemen en goed op te letten naar dien kant, waar Menschziel nu belegerd was. Daarna belastte de Prins, dat kapitein Goede Hope, kapitein Liefde en de heer Vastewil de andere zijde der stad zouden bewaren. „En Ik”, zeide de Vorst, „zal mijn standaard planten op de wallen van het kasteel; waakt gijlieden tegen de Twijfelaars.” Ook beval hij nog, dat kapitein Ondervinding zijn volk op de markt zou laten exerceeren, en dat wel dag aan dag voor de oogen des volks.
Deze belegering was langdurig en de vijand deed menigen verwoeden aanval, vooral de Bloeddorstigen, door welken zij menigmaal zeer onzacht behandeld werden. Maar aan Oor- on Oogpoort, waar kapitein Zelfverloochening de zorg was opgedragen, hadden zij de handen vol. Deze kapitein Zelfverloochening was nog jong,[63] maar zeer dapper en een burger van Menschziel evenals kapitein Ondervinding. Ook hij was over duizend manschappen aangesteld. Deze kapitein deed nu en dan een uitval op hen, en richtte dan veel schade onder den vijand aan; maar het liep voor hem niet geheel zonder kleerscheuren af; want hij droeg verscheidene litteekens.
[63] Kapitein Zelfverloochening bewijst nu goede diensten. Inderdaad onder alle Christelijke deugden, die in het lijden geoefend worden, is zelfverloochening wel die, welke het meest geoefend wordt, en het eigen ik heeft daar eene leerschool om te worden verkleind en ten onder gebracht. Zelfverloochening is de tucht des Christens.
DE AANRAKING DER LIPPEN.
Nadat er eenigen tijd was doorgebracht waarin het geloof, de hoop en de liefde van de stad Menschziel beproefd waren, riep Prins Immanuel op zekeren dag zijne kapiteins en oorlogsvolk samen en verdeelde hen in twee compagniën. Daarna beval hij hen op een bepaalden tijd zeer vroeg in den morgen op den vijand een uitval te doen, zeggende: „Laat de eene helft van u op de Twijfelaars aanvallen en de andere helft op de Bloeddorstigen. Die ge van de Twijfelaars in handen krijgt moet ge keelen zoodra het u mogelijk is; maar de Bloeddorstigen zult gij niet dooden, maar levend grijpen.”
Zeer vroeg in den morgen had de uitval plaats. De kapiteins Goede Hoop en Liefde, Oprecht en Ondervinding trokken op de Twijfelaars aan, en de kapiteins Geloof, Geduld en Zelfverloochening op de Bloeddorstigen. De eerste helft marcheerde in slagorde voorwaarts; maar de Twijfelaars wachtten hen niet eenmaal af en gingen, gedachtig aan de laatste nederlaag voor ’s Prinsen volk, op de vlucht. Deze zaten hen na en doodden er velen, maar allen konden zij thans niet meester worden. Van degenen, die ontkwamen, gingen sommigen naar huis en anderen doolden als zwervelingen bij troepjes om. Intusschen deden zij heel wat kwaad bij de Barbaren, die zich evenwel niet tegen hen verzetten, maar zich gewillig tot slaven lieten maken. Daarna wilden zij zich nog wel eens vertoonen voor de muren der stad, maar dat duurde gewoonlijk niet lang, want als de kapiteins Geloof, Goede Hoop en Ondervinding zich maar even lieten zien, dan liepen ze haastig weg.
Zij, die tegen de Bloeddorstigen uitgetrokken waren sloegen niemand dood, maar zij zochten hen slechts te omringen. Deze bloedmannen, ziende dat Immanuel niet in het veld was, meenden, dat hij ook niet in Menschziel was, en daarom zagen zij deze vreemde handelwijze aan als eene onhandigheid van de kapiteins. Zij verachtten hen daarom meer dan zij hen vreesden. Maar de kapiteins wisten wel wat ze deden en eindelijk, bijgestaan door de overigen, die de Twijfelaars hadden weggejaagd, kregen zij ze geheel in het net en namen ze allen gevangen. Ze zouden nu gaarne op de vlucht gegaan zijn, want hoe wreed en hardvochtig dat bloeddorstige volk ook zij wanneer ze regeeren, zijn ze lafhartig als ze eens gevoelen met hun meerdere kennis te maken. Zoo werden ze dan voor den Vorst gebracht.[64]
Toen deze dit volk vóor zich had, bemerkte
hij dat, ofschoon zij uit één land kwamen,
zij toch in drie Graafschappen waren verdeeld.
1 Tim. 1 : 13-15;
Matth. 5 : 44;
Luk. 6 : 22;
Joh. 16 : 1, 2;
Handel. 9 : 5, 6;
Openb. 9 : 20, 21;
Joh. 8 : 40-43.
De eerste die voorkwamen waren uit
het land der Blinden; deze hadden alles wat
ze ooit misdeden in hunne onwetendheid
gedaan. De tweede soort kwam uit het
graafschap der Blinde IJveraars, en zij deden
alles uit bijgeloof. De derde soort kwam
uit het land der Boosheid uit de stad Nijd.
uit wraakzucht
en onverzoenlijkheid.
De eersten van dezen, n. l. die uit het land der Blinden kwamen, toen zij zagen waar zij zich bevonden en tegen wien zij gestreden hadden, beefden als een riet en stonden daar weenende voor den Prins. Zoovelen van hen als hem om genade smeekten, die raakte hij met zijn gouden schepter de lippen aan.
Zij, die uit het land der Blinde IJveraars kwamen, verschilden hierin van de voorgaanden, dat zij voor hun recht pleitten, daar Menschziel eene stad was, wier zeden en gewoonten wijd verschillend waren van alle andere plaatsen. Zeer weinigen van deze soort konden er toe gebracht worden hun kwaad in te zien; maar die het deden en om genade smeekten, verkregen ook gunst van den Prins.
En nu zij, die uit de stad Nijd in het landschap Boosheid kwamen, die weenden niet en die verdedigden zich ook niet, die hadden geen berouw, maar stonden daar hunne tong kauwende van angst en smart, omdat zij hun wraak op Menschziel niet konden ten uitvoer brengen. Deze laatsten nu met al de anderen, die geen pardon vraagden voor hun misdaden, liet hij stevig in banden slaan om zich weldra op den algemeenen gerechtsdag te verantwoorden over alles wat zij tegen Menschziel en haren koning bedacht en gedaan hadden. Die groote dag des oordeels zou voor het geheele rijk des Heelals worden gehouden en ieder zich afzonderlijk moeten vertoonen.
En hiermede hebben wij genoeg gezegd van dit tweede leger, dat tegen Menschziel opgetrokken was.
[64] De mannen des bloeds worden gevonnisd. Zeer fijn is hier de blik van den allegorist. De inwendige zonde moet zonder genade sterven; maar de uitwendige oorzaken tot zonde, afval of vervolging niet alzoo; zij worden nog gespaard sommigen om tot bekeering te komen, anderen om beter te worden ingelicht en anderen voor het oordeel Gods. Wij zien hier drie bronnen onwetendheid, ijver zonder verstand en nijd. „Ontfermt u wel sommiger”, zegt apostel Judas. Maar let nu eens op Saulus van Tarsen, die meende Gode een dienst te doen met de vervolging der broeders, die hij later lief kreeg. En Jezus bad, Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
NNu waren er nog een stuk of drie personen, die uit het land der Twijfelaars afkomstig waren, en na den nederlaag hier en daar rondgedoold hebbende, het eindelijk weer waagden de stad binnen te komen. Zij wisten, dat er nog oude Diábolus-mannen in Menschziel verborgen zaten. Ze durfden nergens anders aankloppen dan bij deze, daar de burgers hen niet geduld zouden hebben. Weldra ontmoetten zij in een achterhoek zekeren ouden schelm, die den naam droeg Twijfelaar-aan-het-kwaad. Bij hem moesten ze wezen, want hij was een echte Diábolus-man.[65] Deze schurk verwelkomde hen, beklaagde hun rampspoed en gaf hun ververschingen. Nadat dit geschied was vraagde hij hun, of zij allen uit éene stad waren, en zij antwoordden: „Neen, zelfs niet uit dezelfde provincie.” „Ik,” zeide de een, „ben nog een overgeblevene van de Twijfelaars aan de Verkiezing en deze mijn maat behoort onder de Twijfelaars aan de Roeping.” — „En ik,” zeide de derde, „ben een Twijfelaar aan de Zaligheid, terwijl wij nog een gezel hebben uit de Twijfelaars aan de Genade.” Zij waren allen den ouden gast even welkom en hij ondervroeg hen verder naar het leger en den strijd, waarvan zij hem volledig bescheid gaven. „’t Was toch een flink leger van tienduizend Twijfelaars”, zeide de oude weer, „hoe kwam het dat gij zoo dra op de vlucht gingt?” — „Onze generaal,” antwoordden zij, „was de eerste, die het op een loopen zette.” — „Die lafaard! Wie was hij?” — „Wel, hij is vroeger Burgemeester van Menschziel geweest. Maar noem geen lafaard; want niemand heeft ooit Menschziel meer kwaad gedaan dan hij. Hij heet Ongeloof. Hadden ze hem gekregen dan zou hij stellig opgehangen zijn!” — „Ik zou wel willen,” antwoordde de oude schurk weder, „dat deze 10000 Twijfelaars hier binnen de stad lagen en dat ik hun aanvoerder ware!” — „O, mocht dat eens waar zijn!” riepen zij, en wel zóo luid, dat Twijfelaar-aan-het-kwaad hen vermaande toch zachtjes te spreken. — „Waarom?” vraagden de Twijfelaars van buiten. „Wel, omdat de Prins zelf, de Oppergeheimschrijver en al hunne kapiteins en soldaten zich tegenwoordig binnen de stad ophouden. En bovendien is er een zekere heer Vastewil, een gezworen vijand van ons; deze is bewaarder der poorten, en zoekt allerlei slag van Diábolus-vrienden op om ze te dooden. Als hij u in den neus krijgt dan zijt gij weg al was ook uw hoofd van goud.”
[65] Het complot wordt ontdekt. Die oude Twijfelaar aan het kwade huisvest toch nog verborgen in de ziel en houdt bij zich in huis de vreemde Twijfelaars op on onthaalt hen. De twijfel in den vorm van ketterij komt nu nog voor den dag. ’t Is een overblijfsel van ’s vijands leger, maar ’t schijnt onschuldiger. Er is zelfs eene gedaante der godzaligheid, een omloop of bedekking van waarheden, maar een kern van leugen, die door Gods Woord openbaar wordt gemaakt en naar eisch bestraft.
DE SAMENZWEERDERS GEVANGEN GENOMEN.
Maar ziet, terwijl zij spraken stond een getrouw soldaat van den heer Vastewil, die Naarstigheid heette, al luisterend onder den luifel van dit oude huis en hoorde alles wat er verhandeld werd. Die soldaat was een man, op wien de heer Vastewil staat maken kon en die hem innig liefhad. Hij ging onmiddellijk naar zijn overste, en vertelde hem alles. De heer Vastewil kende Twijfelaar-aan-het-kwade best; in den tijd van den afval waren ze goede vrienden, maar nu wist hij hem niet te wonen; daarom was hij zeer verheugd, dat Naarstigheid zijne woonplaats had ontdekt. Zoo gingen zij beiden dan naar de aangewezen plaats en toen vernam de heer Vastewil met eigen ooren wat er verhandeld werd. Hij aarzelde nu niet langer, maar trapte de deur open en legde de hand op het gespuis, waarna Getrouwe, de cipier, geroepen werd om hen naar de gevangenis te brengen. Nadat dit geschied was kreeg de Burgemeester er ’s morgens bericht van en hij verheugde zich zeer over deze zaak, niet alleen omdat dit drietal was gevat, maar ook omdat die oude schavuit nu in den kerker zat, want hij was een groote onruststoker in Menschziel geweest en voor den Burgemeester persoonlijk een groote kwelling.
Nu moesten die vijf lieden ook onderzocht worden, en op den bestemden dag vergaderde het hof en werden zij voor de balie gebracht. De heer Vastewil had macht genoeg om hen zonder vorm van proces stillekens van kant te helpen; maar het dacht hem meer tot eer van den Prins te wezen, tot troost van Menschziel en tot ontmoediging van den vijand, wanneer hij hen in het openbaar richtte. Toen de rechters dan gezeten en de getuigen bezworen waren, werden de gevangenen onderzocht. De rechters waren dezelfde, die Onwaarheid en Onbarmhartig met al de hunnen onderzocht en gevonnisd hadden.
NAARSTIGHEID STAAT OP DE WACHT.
Eerst was de beurt aan den Ouden Twijfelaar-aan-het-kwaad; hij had de andere Twijfelaars geherbergd en verzorgd; men beval hem zijne beschuldiging te hooren, terwijl hij de vrijheid kreeg zich ook te verantwoorden. Zijne beschuldiging luidde:
„Gij, Twijfelaar-aan-het-kwaad, wordt beschuldigd een inkruiper in Menschziel te wezen, dewijl gij van nature een Diábolus-man zijt, iemand die medegewerkt hebt tot het verderf der stad. Gij wordt hier ook beschuldigd, dat gij ’s konings vijanden hebt begunstigd en opgehouden, ja ze in uw huis hebt geherbergd en vriendelijk verzorgd, hun eten en drinken verleenende, in strijd met onze goede wetten. Gij hebt gewenscht aan het hoofd van een leger Twijfelaars te staan binnen de stad Menschziel om Diábolus macht hier weder groot te maken en de stad in zijne handen te spelen. Wat is uw antwoord?”
„Mijnheer,” zeide hij, „ik begrijp de beteekenis van deze beschuldiging niet. Want de man, die door u beschuldigd wordt, heet Twijfelaar-aan-het-kwaad; ik heet daarentegen Nauwkeurig-Onderzoek. Er moet dus een groot misverstand wezen, daar ik, vredelievend mensch, die bang ben van iemand kwaad te denken, hier voor de rechters ben geroepen. Ik vertrouw, dat de heeren dat onderscheid zullen inzien; ik geloof toch, dat men wel ter dege nauwkeurig onderzoek mag instellen zelfs onder de slechtste menschen zonder daarom strafschuldig te zijn.”
Toen sprak de heer Vastewil, want hij was een der getuigen: „Mijne Heeren, Eerwaardige rechters, Magistraten van de stad Menschziel! gij hebt allen gehoord met uwe ooren, dat deze gevangene zijn naam ontkent en daarmede zijne beschuldiging meent te ontloopen; maar ik weet wie hij is en hoe hij heet. Ik heb hem meer dan dertig jaar gekend; want hij en ik waren tot mijne schaamte vroeger gemeenzame vrienden, toen Diábolus heerschappij voerde over onze stad.
Ik getuig, dat hij een Diábolus-man is van natuur, een groote vijand van onzen Prins Immanuel en de stad Menschziel. Hij heeft in den tijd van den opstand zeker twintig nachten in mijn huis gelogeerd. Ik heb hem nu in langen tijd niet gezien en geloof ook, dat hij bij de komst van Immanuel zijne vroegere woning heeft verlaten. Maar hij is de man en niemand anders!”
Het hof sprak toen tot den gevangene: „Hebt gij niets meer te zeggen?” — „Ja, Mijneheeren,” zei hij, „want al wat daar tegen mij is ingebracht komt slechts uit éen mond; het is niet wettig iemand ter dood te brengen op eene getuigenis van minder dan twee.”
Toen stond Naarstigheid op en zeide: „Mijneheeren, toen ik op zekeren nacht op wacht stond hoorde ik om den hoek der Kwade straat in het huis van dezen grijsaard praten; ook bemerkte ik dat daar buitenlanders bij waren, die niet veel goeds in den zin hadden.” Ik dacht: wat hoor ik daar toch? en zachtjes nadertredende, dicht bij het venster van zijn huis om goed te luisteren of ik het niet wèl had, dat daar eene samenrotting plaats had van Diábolus-mannen. Ik hoorde nu eene uitlandsche taal, maar daar ik veel gereisd heb, verstond ik die wel. Zulk eene taal hoorende in zulk een armoedig kot als waar deze mensch woont, zoo legde ik mijn oor aan een kier van het luik en vernam toen het volgende. Deze oude heer Twijfelaar-aan-het-kwaad vraagde aan de andere Twijfelaars wat zij voor volk waren, waar zij vandaan kwamen en wat zij hier deden? En zij antwoordden op al die vragen. Hij vraagde mede hoe sterk zij geweest waren, en zij zeiden: tienduizend man. Hij vraagde hun ook waarom zij geene meerdere mannelijke aanvallen op Menschziel beproefd hadden? Zij zeiden, omdat hun kapitein zoo bloohartig was, dewijl hij op de vlucht was gegaan in plaats van voor zijn vorst te strijden. Toen wenschte die oude schelm daar, (ik heb het nauwkeurig gehoord) dat al die tienduizend Twijfelaars in de stad mochten wezen, en dat hij aan hun hoofd mocht zijn gesteld om met hen overwinningen te behalen. Hij gebood hun ook zeer stil te spreken en zich zeer verborgen te houden; want zeide hij, „als ze u vinden en krijgen, dan moet gij er aan als was ook uw hoofd van enkel goud.”
Hierop zeide het hof: „Wel Twijfelaar-aan-het-kwaad, hier is nu de tweede getuige tegen u en zijne getuigenis is volkomen in orde. Hij zweert, dat die mannen bij u waren, dat gij ze vriendelijk ontvingt en met hen beraadslaagdet in stilte opdat het niet gehoord werd.”
Hij antwoordde: „Dat die mannen in mijn huis kwamen is waar; maar is het dan eene misdaad vreemdelingen te herbergen? Wat dien wensch aangaat, dat een leger Twijfelaars in de stad mocht komen daarvan is niets tegen getuige gezegd. Wel wenschte ik dat volk daar, om gevat te worden ten goede van Menschziel, en den raad, dien ik hun gaf, komt alleen omdat ik zoo ongaarne zie dat menschen gestraft worden; ik gun niemand iets kwaads, zelfs niet aan de vijanden.”
Maar de Burgemeester antwoordde, dat het wel eene deugd was vreemdelingen te herbergen, maar geen vijanden van den koning, dat was verraad; maar dat het in ieder geval voldoende is een Diábolus-man te wezen om des doods schuldig te zijn.
„Ik zie wel,” sprak hij, „hoe deze zaak zal afloopen; ik moet sterven wegens mijn naam en mijne herbergzaamheid!”
Toen werden de buitenlandsche Twijfelaars voor het gerecht geroepen. Eerst kwam Twijfelaar aan de Verkiezing voor. Zijne beschuldiging werd gelezen, en daar hij een buitenlander was, bracht een tolk die in zijne taal over; te weten, dat hij een vijand van Immanuel was, een hater van de stad Menschziel en hare wetten.[66]
De rechter vraagde hem of hij wilde pleiten: maar hij antwoordde, dat hij bekende een Twijfelaar aan de Verkiezing te zijn. Dat was zijn godsdienst, waarin hij opgebracht was, en moest hij nu om zijn godsdienst sterven, zoo stierf hij als martelaar.
Daarop werd hem gezegd, dat het in twijfel trekken der Verkiezing gelijk stond met het loochenen van een groot en voornaam leerstuk van het Evangelie. Het was een verwerpen van de alwetendheid, macht en souvereiniteit van God, die met zijne schepselen handelde naar zijn welbehagen. Daardoor zou men de stad Menschziel doen struikelen in haar geloof en maken, dat zij hare zaligheid zocht in de werken en niet in de genade. Daarom moest hij naar de landswet sterven.
[66] Twijfelaar aan verkiezing, Roeping enz. Bunyan heeft hier het oog op Rom. 8 : 29. De trap, die hier voorgesteld wordt en door de ziel langzamerhand verstaan, geeft de daden Gods aan beginnende bij de eeuwigheid, de verkiezing of voorverordineering, en eindigend evenzeer in de eeuwigheid — de verheerlijking! Men lette evenwel op het onderscheid, tusschen aan eene zaak te twijfelen, omdat zij ons nog niet recht duidelijk is, en haar geheel te betwijfelen.