frame bottom

DE EERSTE AANVAL OP OORPOORT.

„O, Menschziel, geduld en verdraagzaamheid duren niet eeuwig: ze mogen een jaar twee, drie kracht doen, maar als men drie jaren lang in opstand leeft (en het is bij u al veel langer) dan volgt niets dan: „Houw hem af:” of, „Gij zult hem namaals Luk. 13 : 7, 9. uithouwen!” En durft gij waarlijk denken, dat dit maar bedreigingen zijn, of dat onze koning zijn woord niet volbrengt? O Menschziel, gij zult bevinden dat in de woorden van onzen koning, wanneer zij door zondaars licht geacht worden niet alleen bedreigingen, maar gloeiende kolen opgesloten liggen. Gij zijt tot hiertoe een dorre boom geweest, wilt gij voortgaan dat te blijven? Uwe zonden hebben dit leger voor uwe wallen gebracht, en dat zal het oordeel der verwoesting in uwe stad brengen Gij hebt gehoord wat de kapiteins gezegd hebben, maar tot op dit oogenblik sluit gij uwe poorten. Spreek op, Menschziel, wilt gij zoo voortgaan — of wilt gij de vredesvoorwaarden aannemen?”

Maar de stad Menschziel weigerde deze uitnemende toespraken van die vier dappere generaals te hooren; ofschoon wel eenige klank daarvan tegen de Oorpoort sloeg, zoo kon de kracht daarvan die toch niet openbreken. Eindelijk begeerde de stad nog eenigen tijd om op deze opeisching te antwoorden. De kapiteins zeiden, dat indien die van de stad Kwaderust tot hen wilden uitwerpen, opdat zij hem loon naar werk mochten geven, haar dan nog eenigen tijd tot overleg zou gegeven worden. Maar zoo zij dien niet over den muur wierpen, dan zou haar ook geen tijd meer gegund zijn. „Want”, zeiden zij, „wij weten, dat zoolang deze Kwaderust in Menschziel ademt, alle goede overleggingen zullen worden afgebroken en niets dan schade en ellende volgen.”

frame bottom
frame top

Toen besloot Diábolus, die daar eveneens tegenwoordig was, en nu in vrees verkeerde dat hij Kwaderust zijn redenaar verliezen zou, zelf aan de kapiteins des konings antwoord te geven. Maar eensklaps van gedachte veranderend beval hij aan den burgemeester, den heer Ongeloof, dit te doen, zeggende: „Mijnheer, geef gij aan dit boevengespuis eens antwoord en spreek zoo luid, dat heel Menschziel u kan hooren en verstaan.”

Zoo begon dan Ongeloof op Diábolus bevel en sprak:

„Mijne heeren, gij hebt, zooals wij gewaar worden, u hier tegen ons gelegerd om onzen vorst te verontrusten en onze stad te beleedigen: maar vanwaar gij komt willen wij niet weten en wat gij zegt willen wij niet gelooven. Inderdaad gij vertelt ons in uwe verschrikkelijke redevoeringen, dat gij dit gezag ontleent aan El-Schaddaï, maar met welk recht gij dit doet, willen wij niet weten. Gij hebt alzoo op dat voornoemde gezag deze stad gesommeerd om haren heer vaarwel te zeggen en zich onder de hoede van den grooten El-Schaddaï, uwen koning, over te geven. Gij vertelt haar leugenachtige dingen, namelijk, dat hij haar, als zij zich overgeeft, alle gedane beleedigingen wil vergeven. Verder hebt gij, om de stad Menschziel bang te maken, gedreigd met groote en jammerlijke verwoestingen, waarmede zij dan zou gestraft worden als zij naar uwe woorden niet luistert. Welnu, kapiteins, vanwaar gij dan ook komt, en al zijn uwe bedoelingen dan ook nog zoo recht en goed, toch moet gij weten, dat noch koning Diábolus, noch ik, zijn dienaar Ongeloof, noch iemand uit ons dapper Menschziel eenigszins acht slaat op uwe personen, uwe boodschap, of den koning, dien gij zegt dat u gezonden heeft. Wij vreezen zijne macht, zijne grootheid en zijne wraak niet en willen ons op uwe sommatie niet overgeven. Wat den oorlog aangaat, dien gij ons wilt aandoen, daarin zullen wij ons verdedigen zoo goed wij kunnen. Weet, dat wij niet stil zullen zitten bij die verdediging. En nu om kort te gaan, want ik wil niet lang tot u spreken, ik verklaar u dat wij u aanzien voor een partij landloopers en vagebonden, die, alle gehoorzaamheid aan uwen koning uitgeschud hebbende, u samen hebt vereenigd om het land af te loopen en van plaats tot plaats te trekken ten einde u best te doen, eenerzijds door pluimstrijkende woorden (want daarin zijt gij zeer geoefend), anderzijds door bedreigingen, de eene of andere onnoozele stad of vesting of dorpsbuurt te verschalken, zoodat zij zich aan u overgeven. Maar daaronder behoort Menschziel waarlijk niet. Ten slotte dus: wij vreezen u niet, wij gelooven u niet en wij willen aan uwe oproeping geen gevolg geven. Wij sluiten onze poorten voor u toe en zullen u buiten onze stad houden. Ook willen wij niet langer dulden, dat gij daar voor ons u nederslaat; want ons volk moet rustig Luk. 11 : 21, 22. leven en uwe verschijning mag het niet verontrusten. Gaat daarom maar heen, scheert u weg met pak en zak of anders schieten wij eens eenige kogels op u af, die u dat wel leeren zullen!”

Deze rede van den ouden Ongeloof, werd ondersteund door den diepbedorven Vastewil in woorden als deze: „Heeren, wij hebben gehoord wat gij vraagt en al de drukte uwer bedreigingen en het geklank van uwe sommatie; maar wij vreezen uwe sterkte niet, wij letten niet op uwe bedreigingen, maar blijven stil en rustig wat wij waren. Wij gelasten u bovendien, dat gij binnen drie dagen ophoudt u in ons gebied te vertoonen, anders zult gij weten wat het is den leeuw Diábolus wakker te maken, wanneer hij in zijne stad Menschziel slaapt!”

frame bottom

DE TWEE KANONNEN.

De griffier Goedvergeter voegde er nog het volgende bij: „Mijne heeren, zooals gij bemerkt, hebben wij met beleefde en vriendelijke woorden uw lompe en nijdige toespraken beantwoord. Dat is uw geluk; maar ik hoorde ook dat mijne Meesters u bevel gaven spoedig en stil te vertrekken; maakt van die gunst gebruik en pakt u weg. Anders mochten wij eens naar buiten komen en op u aanvallen ten einde u de scherpte onzer zwaarden te doen gevoelen. Maar dat ligt niet in onzen aard, want evenals wij zelf van een stil en gerust leven houden, zoo hinderen wij ook anderen niet.”

Toen juichte de gansche stad Menschziel van vreugde alsof door Diábolus en zijn gevolg al een groot voordeel op deze kapiteins was behaald. Zij luidden de klokken en liepen zingend en dansend langs de wallen.

Diábolus keerde ook naar zijn kasteel terug, en de burgemeester en de griffier naar hunne woningen, maar de heer Vastewil droeg eerst nog bijzondere zorg, dat de poorten door dubbele wachten zouden bewaard worden en met dubbele grendels en bouten verzegeld. Vooral zorgde hij, dat de Oorpoort het zekerst gesloten bleef en nog veel versterkt werd, want daar zochten ’s konings heirlegers het eerst en het meest binnen te dringen. De heer Vastewil maakte zekeren ouden snaak Vooroordeel genaamd, een boosaardig en laatdunkend persoon, kapitein der wacht bij die poort en gaf hem zestig onderhoorige manschappen, die allen doof waren en daarom zeer geschikt voor dezen dienst, aangezien zij geen woord van de kapiteins en hunne soldaten verstonden.

Daar nu de kapiteins het antwoord der groote heeren hadden vernomen en bemerkten, dat zij bij de oude inwoners der stad geen gehoor konden krijgen, dat bovendien Menschziel besloten was aan ’s konings leger slag te leveren, maakten zij zich gereed tot dien slag, om alzoo door een machtigen arm te trachten hun oogmerk te bereiken. Eerstens versterkten zij hunne legermacht tegen de Oorpoort, want zij wisten, dat zoo zij daar niet konden binnendringen er geen invloed op de stad viel uit te oefenen. Dit gedaan stelden zij de overige manschappen in hunne plaatsen; waarna zij als wachtwoord noemden: „Gij moet wedergeboren worden.” Toen bliezen zij op de trompetten en die van de stad beantwoordden dat geklank met schot op schot. Zoo ving dan de strijd aan. Nu hadden die van de stad op de Oorpoort twee groote kanonnen geplaatst; het eene heette Hooggevoelend en het andere Hardnekkig. Op deze twee stukken waren zij dan al zeer trotsch, ze waren in Diábolus kasteel door zijn eigen geschutgieter Opgeblazen gegoten, en ’t was waarlijk een kwaadaardig tuig. Maar de kapiteins waren zóo voorzichtig en waakzaam, dat ofschoon sommige kogels vlak langs hunne ooren vlogen, ze toch niemand raakten. De inwoners twijfelden niet of zij brachten door deze twee kanonnen El-Schaddaï’s leger heel wat schade toe en beveiligden hunne poort zeer; maar zij hadden geen reden op de uitwerking daarvan te roemen, gelijk uit het vervolg zal blijken. Behalve deze had de stad Menschziel nog enkele kleine stukjes geschut, die eveneens tegen het leger van El-Schaddaï werden gericht.

frame border
frame top

Die van het leger evenwel vochten dapper, bezield met een vuur, dat eerst werkelijk dapperheid genoemd kon worden, en stormden op de stad en de Oorpoort los.[19] Zij wisten, dat ingeval zij deze niet openbraken het tevergeefs zou zijn, den muur te bestormen. Nu hadden ’s Konings kapiteins verscheidene slingers en twee of drie stormrammen medegebracht. Met deze groote slingers wierpen zij op de huizen en het volk der stad en met hunne stormrammen rammeiden zij de Oorpoort.

Het leger en de stad hadden verscheidene schermutselingen en korte ontmoetingen met elkaêr, terwijl de kapiteins hunne krijgslisten te werk stelden om den toren, die tegenover de Oorpoort gebouwd was, open te breken of neder te werpen, en daardoor den ingang door de poort te bespoedigen. Maar Menschziel stond dit alles door; de woede van Diábolus, de dapperheid van den gouverneur Vastewil, het bestuur van den ouden burgemeester Ongeloof, en den griffier Goedvergeter hadden ten gevolge, dat het waarlijk wel scheen of al de kosten aan deze zomerexpeditie besteed verloren waren, en al het voordeel aan de zijde van Menschziel bleef. Maar toen de kapiteins zagen hoe de zaken stonden, trokken zij zich in goede orde terug en sloegen hunne winterkwartieren op. Nu moet gij ook weten, dat aan weerzszijden groote verliezen geleden werden, waarvan hier eene opnoeming volgt.

Toen ’s konings kapiteins het hof verlieten en optrokken om tegen Menschziel te krijgen, ontmoetten hen drie jonge mannen, die er zeer krijgshaftig uitzagen. Het waren inderdaad ook zeer nette mannen vol moed en verstand. Zij wilden in het leger dienst nemen. Hunne namen waren Overlevering, Menschenwijsheid, Menschelijke uitvinding. Zoo stelden zij zich dan voor de kapiteins en boden hunne diensten aan El-Schaddaï aan. De kapiteins deelden hun voornemen mede en vermaanden hen toch niet al te ras met hunne dienstaanbieding te zijn; maar de jonge mannen antwoordden, dat zij alle zaken van tevoren hadden overgelegd, en dat zij, vernomen hebbende welk een tocht ’s konings kapiteins ondernamen, hen juist tegemoet waren gegaan om onder hen dienst te nemen.

Daarom nam kapitein Boanerges, aangezien zij moedige mannen waren, hen aan in zijn gevolg en deelde hen in zijne compagnie in, zoodat zij mede in den oorlog trokken.

Toen nu de oorlog begonnen was, deed een compagnie van den heer Vastewil uit een achterlaag der stad een uitval op de achterhoede van kapitein Boanerges, in welke korte maar scherpe schermutseling deze drie jonge lieden werden verrast en als gevangenen naar de stad gevoerd. De tijding daarvan werd aan Diábolus overgebracht en verheugde de lieden van zijn kasteel niet weinig.

Toen liet Diábolus den heer Vastewil roepen om van hemzelven de zekerheid dezer zaak te kennen. Deze verhaalde hem alles. Daarna liet de reus de gevangenen komen en als zij gekomen waren vraagde hij hun vanwaar zij kwamen, wie zij waren en wat zij in het leger van El-Schaddaï te maken hadden; en dat vertelden zij hem. Toen zond hij hen naar de hoofdwacht terug. Niet vele dagen daarna liet hij hen weder roepen en vraagde hun of zij genegen zouden zijn hem te dienen en tegen hunne vroegere kapiteins te strijden. Zij verhaalden hem toen, dat zij niet zoozeer uit godsdienstige beweegredenen handelden dan wel naar de grillen van het noodlot en, daar zijn heerschap gewillig was hen te onderhouden, zij ook gewillig waren hem te dienen. Nu was er in Menschziel een zekere kapitein Iets of Neutraal, die veel te doen had in de stad; tot dezen kapitein zond Diábolus die jonge mannen met een eigenhandig schrijven, hetwelk aldus luidde:


[19] Op de oorpoort los. — Het geloof is uit het gehoor.

DE DERDE OPEISCHING DER STAD.

frame top

„Veelgeliefde Neutraal! Deze drie mannen, houders van den onderhavigen brief, hebben begeerte mij in den oorlog te dienen; daarom weet ik niets beters te doen dan hen onder uwe bevelen te plaatsen. Ontvang hen daarom in mijnen naam, en als gij hen noodig hebt, gebruik hen dan tegen El-Schaddaï en zijne mannen. Vaarwel!”

Zoo kwamen zij dan en hij ontving hen, makende twee hunner onderofficier; maar Menschelijke uitvinding maakte hij zijn vaandrig. Maar laat ons naar het leger terugkeeren.

Die van het leger behaalden ook eenige voordeelen op de stad. Zoo wierpen zij het dak in van het paleis des burgemeesters Ongeloof, waardoor hij veel meer bloot lag dan tevoren. Bijna hadden zij den heer Vastewil met een slinger ter aarde geworpen, maar hij stond weder op en bleef gespaard. De leden van den raad evenwel kwamen er minder goed af; de heeren Vloeker, Hoereerder, Boosheid, Leugenaar, Dronkenschap en Bedrieger werden met een enkel schot zwaar gewond. Zij maakten ook die twee kanonnen, welke op den toren van de Oorpoort stonden, onbruikbaar, en deden ze diep in den modder nederstorten.

Het leger van El-Schaddaï had, zooals gezegd is, de winterkwartieren betrokken, en zich aldaar zoodanig verschanst, als dat voor hun koning het voordeeligst en voor den vijand het nadeeligst was, terwijl zij telkens groote beweging brachten in de stad Menschziel. En dit gelukte hun zoo uitnemend, dat zij den belegerden heel wat overlast aandeden. Want nu kon Menschziel in het geheel niet meer zoo gerust slapen als tevoren, ook konden zij niet meer in stille gerustheid als eertijds hunne drinkgelagen houden; want van uit het legerkamp van El-Schaddaï kwamen zoo menigvuldige, luide en verschrikkelijke alarmkreten, nu eens aan de eene poort en dan aan eene andere, ook soms wel aan alle poorten tegelijk, dat al hun vroegere vrede verbroken was. Ja, deze beroeringen waren zóo menigvuldig, en wel in den tijd dat de nachten het langst en de koude het strengst waren, dat die winter de lieden van Menschziel heugen zou. Nu eens klonken alleen de trompetten en dan weder waren deze vergezeld van geweldige slingersteenen, die in de stad geworpen werden. Somtijds marcheerden tienduizend van ’s konings soldaten rondom de stadsmuren, en dat wel te middernacht, terwijl zij onophoudelijk schoten en krijgsgeschreeuw aanhieven. Dan weer werden enkelen in de stad gewond en hun geroep en klagelijk schreeuwen werd in de stad vernomen tot haar groote ongerustheid. Ja, zij werden zóo benard door hen, die hen ingesloten hielden, dat ik gerust durf beweren, dat zelfs de rust van Diábolus in die dagen menigmaal werd verstoord.

In deze dagen begonnen, naar mij bericht werd, verscheidene gemoederen binnen Menschziel verontrust te worden door allerlei gedachten, overleggingen en denkbeelden. Sommigen zeiden: „Dat is op die manier geen leven.” Anderen antwoordden: „O, ’t zal wel spoedig weer overgaan.” Dan stond een derde op en sprak: „Laat ons tot Koning El-Schaddaï terugkeeren en daardoor een eind maken aan al deze ellende”, terwijl weer een vierde met de vrees voor den dag kwam: „Zou hij ons wel willen vergeven!” Daarbij kwam, dat die oude heer griffier, die griffier was eer Diábolus de stad nam, ook hoe langer hoe harder begon te praten, en zijne woorden klonken nu het volk van Menschziel als sterke donderslagen in de ooren. Geen geluid was nu zoo ontzettend voor Menschziel als zijne stem vereenigd met het schieten en de alarmkreten der kapiteins.

Nu begon er ook gebrek in Menschziel te komen, daar de dingen, die hare ziel zich eertijds gelusten liet van haar waren weggenomen. Al hare begeerlijke Luk. 15 : 14, 15. dingen waren omfloersd en daar was verbranding in plaats van schoonheid. Rimpels en schaduwen des doods waren op de inwoners. O, hoe verheugd zou nu Menschziel geweest zijn als zij maar rust en vrede had gehad, al had zij in armoede moeten leven!

De kapiteins lieten nu midden in den winter door den mond van Boanerges trompetter nog eene opeisching tot Menschziel komen, om zich toch aan den koning, den grooten koning El-Schaddaï, over te geven. Zij deden dit eenmaal en andermaal en ten derden male, nog altijd hopende, dat Menschziel gewillig mocht worden bevonden om zich over te geven op eene vriendelijke uitnoodiging. Ja, mij is zelfs verteld, dut de stad gewillig zou geweest zijn om zich over te geven op dit oogenblik, als niet de oude heer Ongeloof zich daartegen had verzet en de heer Vastewil niet zoo wankelend in zijn besluiten ware geweest. Ook Diábolus begon te razen. Op die manier waren zij volstrekt niet eensgezind omtrent de overgave der stad; daarom bleven zij in hunne droefheid en in hunne vreeze liggen.

frame bottom

ONGELOOF BRENGT VERSLAG UIT.

Ik zeide dat de kapiteins tot driemaal over een trompetter zonden. De eerste maal kwam deze met woorden van vrede, hun zeggende, dat de edele kapiteins van El-Schaddaï medelijden hadden met de ellende der arme stad Menschziel, die haar eigen geluk en welvaren in den weg stond. Hij zeide bovendien, dat de kapiteins hem hadden gelast mede te deelen, dat als de arme stad zich wilde overgeven en zich vernederen, al hare afdwalingen en haar opstand zouden worden vergeven en vergeten, en haar nog op het gemoed gedrukt hebbende, dat zij toch zichzelve niet langer zou in den weg staan of zelf de oorzaak wezen, dat zij jammerlijk omkwamen, zoo keerde hij terug naar het kamp.

De tweede maal dat de trompetter kwam, behandelde hij haar een weinig harder, want na geblazen te hebben deelde hij haar mede, dat haar voortgezette halsstarrigheid den geest der kapiteins verbitterde, en dat zij besloten waren de stad Menschziel in te nemen of voor hare muren te sterven.

De derde keer sprak hij nog harder woorden on verhaalde, dat waar zij zoo ontzettend goddeloos bleef, hij nu niet zeker meer wist of de kapiteins tot barmhartigheid of tot oordeel gestemd waren. Zij hadden hem alleen de boodschap meegegeven: „Beveel de stad, dat zij de poorten opent!” Daarna keerde hij zich om en ging weder naar het leger terug.

Deze drie opeischingen, en voornamelijk de laatste twee, verschrikten de stad zoozeer, dat er dadelijk eene raadsvergadering belegd werd, waarvan de uitslag was, dat de heer Vastewil zich naar de Oorpoort zou begeven om daar bij trompetgeschal de kapiteins tot een mondgesprek uit te noodigen. Dit gebeurde; de heer Vastewil blies de trompet en de kapiteins kwamen in hunne harnassen met al hunne tienduizenden, die hunne voetstappen volgden. Toen vertelden de lieden der stad aan de kapiteins, dat zij hunne opeischingen hadden gehoord en dat zij met hen en hunnen koning El-Schaddaï wilden onderhandelen op de artikelen en voorwaarden, die zij op last van hun vorst thans wilden vaststellen, en die hierop moesten uitloopen, dat zij éen volk met hen worden zouden.

frame bottom
frame top

Die voorwaarden luidden:

1e. Dat de tegenwoordige burgemeester Ongeloof met den heer Goedvergeter en den dapperen Vastewil onder koning El-Schaddaï de bestuurders der stad zouden blijven en in hunne tegenwoordige ambten bevestigd worden.

2e. Dat niemand, die tegenwoordig onder den reus diende, door El-Schaddaï zou worden weggejaagd of uit huis en haard verdreven, noch eenigszins in de vrijheid gekrenkt, die hij tot dusverre onder Diábolus had genoten.

3e. Dat aan al de burgers der stad zou worden vergund de privilegiën en rechten te behouden, die hun eertijds vergund waren en waaronder zij nu onder Diábolus zoo lang geleefd hadden, die hun eenige heer en beschermer al dien tijd geweest was.

4e. Dat geen nieuwe wetten zouden worden ingesteld, noch gerechtsdienaren of andere beambten onder hen aangesteld, zonder hun eigen keus en goedvinden.

„Dit zijn nu onze vredesvoorwaarden, en alleen op die voorwaarden willen wij ons aan uwen koning onderwerpen.”

Maar toen de kapiteins deze geringe toegeefelijkheid en deze hooge en trotsche eischen hadden gehoord, waren zij volstrekt niet tevreden en hielden bij monde van kapitein Boanerges de volgende toespraak:

„O, gij inwoners van Menschziel, toen ik uwe trompet hoorde klinken om met ons een mondgesprek te houden, was ik inderdaad zeer blijde. Toen gij daarop zeidet, dat gij gewillig waart u aan onzen koning te onderwerpen was ik nog meer verheugd. Maar toen gij door uw zot geklap en onzinnige voorwaarden het struikelblok uwer ongerechtigheden opnieuw voor uw aangezicht legdet, veranderde mijne vreugde in droefenis en de hoop op uwe onderwerping in smart en vrees.

„Ik denk dat de oude Kwaderust, de geboren vijand van Menschziel, deze artikelen heeft opgesteld, die gij ons nu als vredesvoorwaarden voorhoudt; maar waarlijk zij mogen niet in de ooren klinken van eenigen mensch, die in dienst van koning El-Schaddaï staat of eenige betrekking op hem heeft. Daarom weigeren en 2 Tim. 2 : 19. verwerpen wij gezamenlijk, en dat wel met de hoogste verachting de ons voorgestelde artikelen als zijnde die de grootste der ongerechtigheden.

„Maar o Menschziel, wanneer gij uzelve in onze handen wilt overgeven, of beter gezegd in de handen van onzen koning, en het aan hem wilt overlaten zulke bepalingen voor u te maken als goed zullen wezen in zijne oogen, (en ik durf u verzekeren, dat ze door u als de beste en voordeeligste bevonden zullen worden) dan willen wij u aannemen, en met u in vrede leven; maar als gij uzelve niet in de handen van El-Schaddaï onzen koning wilt toevertrouwen, dan blijft alles zooals het is en zullen wij weten wat wij te doen hebben.”

Toen riep de oude Ongeloof, de burgemeester der stad, luide van den muur, en zeide: „Wie zou er zoo dwaas zijn, die, zooals wij nu, uit de handen van zijne vijanden verlost is, om dan het heft uit eigen hand te geven en zich in den blinde aan een onbekende te onderwerpen? Ik voor mij zal nooit in zulk een onbepaald voorstel toestemmen. Kennen wij het karakter en de handelwijze van dien koning? Door sommigen wordt gezegd, dat hij boos tegen zijne onderdanen is, wanneer zij maar een haarbreed van den weg afwijken, dien hij hun voorschrijft; en anderen beweren, dat hij veel meer van hen eischt dan zij volbrengen kunnen. Daarom komt het mij voor, o Menschziel, dat gij goed moet overleggen wat u in dezen te doen staat, want als gij u aan een anderen hebt overgegeven zijt gij uw eigen heer en meester niet meer. Uzelven over te geven aan een bepaald gezag is de grootste dwaasheid der wereld, want gij zoudt er u stellig over berouwen, maar nooit recht hebben u er over te beklagen. Weet gij nu wel, wanneer gij de zijne zijt geworden, wie van u hij zal dooden en wie hij in het leven zal behouden, en of hij wellicht niet ons allen om het leven zal brengen en uit zijn land een nieuw volk zenden om deze stad te bewonen?”

frame bottom

OUDE ONGELOOF AANGEVALLEN DOOR VERSTAND.

frame top

Deze toespraak van den burgemeester ontstelde hen allen en wierp al hun grond der hope op een accoord omver. Daarom keerden de kapiteins terug naar hunne tenten en de burgemeester naar het kasteel van zijn Koning.

Diábolus wachtte daar reeds zijne terugkomst af, want hij had gehoord, dat er eene ontmoeting had plaatsgevonden. Zoodra hij de kamer binnenkwam groette Diábolus hem met een: „Welkom, edele heer! Wat heeft er heden plaatsgevonden?” Daarop vertelde de heer Ongeloof hem met gedempte stem de geheele zaak, zeggende: „Zóo en zóo spraken de kapiteins, en zóo en zóo heb ik gesproken.” Diábolus was zeer blijde dit te hooren en zeide: „Mijn waarde burgemeester, mijn getrouwe heer Ongeloof; ik heb altijd op uwe trouw gerekend en die nog nooit valsch bevonden. Ik beloof u, dat als wij dezen berg overkomen, een veel heerlijker betrekking dan die van Menschziels burgemeester u zal ten deel vallen. Ik zal u mijn algemeenen afgezant maken, ambassadeur aan alle hoven, ja wat meer zegt, gij zult de eerste na mij zijn en alle natiën regeeren. Gij zult hun banden aanleggen naar uwen lust, en niemand mijner vasallen zal meer vrijheid genieten dan die in uwe ketenen wil wandelen.”

Nu trad de burgemeester uit het paleis van Diábolus alsof hij een groote gunst ontvangen had, waarom hij met groote deftigheid daarheen ging en zichzelven reeds vleide met de schitterende verwachtingen, die hij nu koesterde.

Doch terwijl de burgemeester en Diábolus het aldus best samen eens waren, bracht dit afwijzen der dappere kapiteins Menschziel tot muiterij. Want terwijl de oude Ongeloof het kasteel binnenging om met zijn meester te raadplegen, kwamen de oud-burgemeester, die vóor Diábolus in Menschziel kwam aan het hoofd stond, namelijk de heer Verstand, en de oude griffier Geweten in de stad om kennis te nemen van hetgeen aan de Oorpoort had plaats gegrepen. Gij moet weten, dat zij niet hadden mogen tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen, die gehouden waren, anders zouden zij voorzeker ten gunste der kapiteins gesproken hebben; maar nu kwamen zij om te vernemen wat er gebeurd was. Daarna verzamelden zich enkelen uit de stad rondom hen en die brachten hun aan het verstand hoe verstandig en zedelijk de eisch der kapiteins was en welke slechte gevolgen voortspruiten zouden uit de verwaande woorden van den ouden Ongeloof, den burgemeester, die zoo weinig eerbied had getoond voor de kapiteins en hun koning, en hoe hij hen allen onnoozel weg van ontrouw en verraad beschuldigde. „Want wat minder dan dat”, zeiden zij, „kon uit zijne woorden worden afgeleid toen hij beweerde hun eisch niet te kunnen vervullen, en voegde daar nog bij dat de koning ons wilde vernielen waar hij ons tevoren betuigd had op zijn woord van eer, dat hij ons wilde genadig zijn?” De menigte werd daardoor overtuigd van het kwaad, dat de oude Ongeloof had aangericht, en begon saam te scholen op alle pleinen en op de hoeken van alle straten van Menschziel. Eerst begonnen zij te morren, daarna er openlijk over te spreken en daarna liepen zij uit alle macht rond al schreeuwende: „O, die dappere kapiteins van El-Schaddaï! Waren wij maar onder hun bestuur en onder dat van hunnen koning El-Schaddaï!” Toen de burgemeester er nu erg in kreeg dat Menschziel in opstand was, kwam hij neder om het volk te stillen, en vermeende hen met zijne fiere houding en zijn forsch voorkomen op eenmaal te bedaren; maar toen zij hem zagen, vielen zij op hem aan en zouden hem stellig een ongeluk hebben toegebracht, had hij zich niet in zijne woning teruggetrokken. Desniettemin belegerden zij met alle macht het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten; maar het was een te sterk kasteel en daarom gelukte hun dit niet. Zoo greep hij dan weder moed, opende een venster en sprak van daar het volk op de volgende wijze aan:

„Mijne heeren, wat is toch de reden, dat hier zulk een oproer is uitgebarsten?”

Toen antwoordde de heer Verstand: „De reden is, dat gij en uw meester niet recht hebt gehandeld, en niet naar behooren tot de kapiteins van El-Schaddaï hebt gesproken. In drie dingen hebt gij verkeerd gedaan. Het eerste is, dat gij den heer Geweten en mijzelven niet hebt opgeroepen om naar uw gesprek te hooren. Het tweede, dat gij zulke vredesvoorwaarden aan de kapiteins hebt voorgesteld, die zij onmogelijk konden aannemen of hun El-Schaddaï moest maar vorst in naam wezen, en Menschziel zou de macht behouden om in alle wetteloosheid en ijdelheid te leven, en dus zou daar uit volgen, dat Diábolus hier toch koning bleef; Diábolus koning in werkelijkheid en de andere alleen koning in naam. En het derde is, dat gij nadat de kapiteins ons getoond hadden op welke voorwaarden zij ons wilden aannemen, gij met uwe zoutelooze, goddelooze en ongepaste redeneering alles weer hebt omvergeworpen.”

frame bottom

VERSTAND EN GEWETEN GEVANGEN GENOMEN.

frame top

Toen de oude Ongeloof deze toespraak gehoord had riep hij: „Verraad! Verraad! Te wapen! Te wapen! o gij alle getrouwe vrienden van Diábolus binnen Menschziel!”

Verstand sprak toen: „Mijnheer, gij kunt aan mijne woorden de beteekenis hechten, die u behaagt, maar ik ben zeker dat de kapiteins van zulk een voornaam heer eene betere behandeling van u verdiend hadden.”

Daarop antwoordde de oude Ongeloof: „Dit is maar weinig beter. Maar heerschap, wat ik sprak, dat sprak ik voor mijn vorst, voor zijne regeering en tot rust van het volk, dat gij door uwe onwettige handelingen dezen dag tegen ons hebt opgezet.”

Toen antwoordde de oude Griffier, wiens naam Geweten was, en zeide: „Heerschap, gij mocht wel niet zooveel afdingen op hetgeen de heer Verstand gesproken heeft, want het is zeer duidelijk, dat hij de waarheid heeft gesproken en dat gij een vijand van Menschziel zijt. Wees dan overtuigd van de boosheid en verkeerdheid uwer stoute en vermetele taal, en van de droefheid, die gij den kapiteins hebt aangedaan, en niet het minst van de schade, die gij daardoor aan Menschziel hebt berokkend. Hadt gij de voorwaarden aangenomen, het geklank der trompetten en het krijgsrumoer zou reeds van rondom deze stad zijn verdwenen; maar dat droevige geluid klinkt voort en uw gebrek aan wijsheid is daarvan de oorzaak.”

Toen zeide oude Ongeloof: „Mijnheer, zoo ik het beleef, zal ik uwe boodschap aan Diábolus overbrengen, en daar zult gij een antwoord op uwe woorden ontvangen. Intusschen zullen wij het goede voor de stad zoeken en u niet om raad vragen.”

Verstand sprak daarop: „Heerschap, uw vorst en gij zijt beiden vreemdelingen in Menschziel en geene ingeborenen aldaar: en wat kan er nu anders gebeuren dan dat gijlieden, als gij ons in nog grooter ellende hebt gebracht, en gij geen anderen uitweg ziet om uzelven te redden, ons in de steek laat, onze stad in brand steekt en temidden van den rook u wegpakt? Wij blijven in de ellende achter.”

Ongeloof antwoordde: „Mijnheer, gij vergeet dat gij onder een gouverneur leeft en dat gij u als een onderdaan hebt te gedragen; weet dat als mijnheer de koning hooren zal wat heden door u geschied is, hij u daar kleinen dank voor weten zal.”

Terwijl nu deze edellieden op zulk eene wijze met elkander in twist waren, kwamen van de wallen en poorten der stad de heeren Vastewil, Vooroordeel, Kwaderust en verscheidene anderen van den nieuwbakken adel en eereburgerij, en zij vraagden naar de reden van dezen oploop. Daarop begon een ieder op eigen gelegenheid te vertellen wat er gaande was, zoodat zij niets duidelijk konden verstaan of begrijpen. Toen werd er stilte geboden en de vos Ongeloof begon te spreken. „Mijnheer”, zeide hij, „hier staan een paar bedorven edellieden, die als gevolg van hun slecht begrip of vrees, ook op raad van een zekeren heer Misnoegen, deze gansche bende oproerig tegen mij in het harnas gejaagd, en aldus getracht hebben onze stad aan het muiten te doen slaan tegen onzen vorst.”

Toen stonden al de Diábolus-mannen daar tegenwoordig op, en bevestigden, dat deze dingen aldus waren.

Toen nu zij, die het met de heeren Verstand en Geweten hielden, bemerkten, dat het hun slecht bekomen kon omdat kracht en macht aan de andere zijde waren, kwamen zij toeloopen om hen te helpen, zoodat er aan beide zijden een groote menigte stond. Nu hadden zij, die aan Ongeloofs kant stonden, wel gewild, dat die twee oude edellieden maar dadelijk naar de gevangenis werden gebracht; maar die aan den anderen kant stonden, wilden dit niet toelaten. Daarna begonnen de twee partijen weder tegen elkander aan te gaan. De Diábolusvrienden riepen om den ouden Ongeloof, Goedvergeter, de nieuwe edellieden en hunnen grooten Diábolus. De andere partij riep om El-Schaddaï, de kapiteins, hunne wetten, hunne barmhartigheid en prezen hunne voorwaarden en manieren. Deze twist duurde eenigen tijd voort en toen kwamen zij van woorden tot daden, zoodat er van beide zijden slagen vielen. De goede oude edelman Geweten werd tweemaal door een Diábolus-man ter neder geworpen; de persoon, die dit deed, heette Verdooving. Ook de heer Verstand was bijna afgemaakt en dat wel met een handboog, maar de persoon, die er meê schoot, kon niet te best mikken. Toch kwamen die van de andere zijde er ook niet allen heelhuids af. Daar was een zekere Overijling, een Diábolus-man, dien de hersens ingeslagen werden door den heer Gemoed, een dienaar van den heer Vastewil. Ook deed het mij lachen toen ik zag hoe den ouden Meester Vooroordeel een beentje werd gelicht en hij in den modder tuimelde, want nog niet lang geleden was hij tot kapitein aangesteld van eene compagnie Diábolus-mannen tot nadeel van de stad. Nu was hij onder de voet geraakt, en ik kan u verzekeren, dat eenigen van de Verstandspartij hem den schedel intrapten. Zoo ook de heer Iets. Deze was temidden van de troebelen een groot man geworden; maar toch waren beide zijden tegen hem omdat hij aan niemand getrouw was. Ze hadden hem om zijne trotschheid een been gebroken, en het speet hun dat het zijn nek niet was geweest. Nog veel meer ongelukken hadden aan beide zijden plaatsgevonden; maar het was een wonder te zien hoe onverschillig Vastewil dit alles aanzag: hij scheen geen meerdere notitie te nemen van het een dan van het ander; alleen heeft men opgemerkt, dat hij glimlachte toen de oude Vooroordeel in den modder viel. Zoo ook toen kapitein Iets (Neutraal) daar aan kwam strompelen, gaf hij er weinig acht op.

Toen nu het oproer gestild was, zond Diábolus om de heeren Verstand en Geweten, en sloot hen beiden in de gevangenis als de aanstokers van deze muiterij in Menschziel. Daardoor begon de stad nu weer rustig te worden en de gevangenen werden zeer hard behandeld. Zelfs had Diábolus hen gaarne van kant geholpen; maar de tegenwoordige tijd paste niet voor een rechtsgeding, waar de oorlog aan alle poorten woedde.

Maar laat ons naar onze geschiedenis wederkeeren. De kapiteins, toen zij van de poort waren teruggekeerd, en in het kamp teruggekomen, riepen een krijgsraad op om te beraadslagen wat verder gebeuren zou. Sommigen zeiden: „Laat ons nu heengaan en op de stad aanvallen!” Maar het meerendeel vond toch geraden hen nog eerst eene nieuwe opeisching te doen toekomen, en de reden daarvoor was, dat naar uit alles scheen te blijken, de stad meer tot overgave geneigd scheen dan vroeger. „En als”, zeiden zij, „sommigen in een weg van toenadering verkeeren, zouden wij door ruwheid en hardheid hen afstooten; wij moeten hun door onze oproeping opnieuw toonen, dat wij gewillig zijn hen aan te nemen.”

Nadat nu diensvolgens besloten was, werd weder een trompetter geroepen en de woorden in zijn mond gelegd, terwijl hem geboden werd zich te haasten en voorspoed toegewenscht. Het duurde dan ook maar kort of de trompetter trok af. Bij den muur gekomen zijnde liep hij regelrecht op de Oorpoort aan en blies daar uit alle macht zooals hem geboden was. Die van binnen kwamen nu dan ook uit om te zien wat er gaande was en de trompetter hield de volgende toespraak:

„O, gij beklagenswaardige stad Menschziel, met uw verharde hart! hoe lang zult gij nog volharden in uwe zondige slechtigheden, en uw vermaak vinden in uwe schande? Tot dusverre versmaadt gij alle aanbiedingen van vrede en verlossing. Hoe kunt gij de heerlijke aanbiedingen van El-Schaddaï in den wind slaan en de leugens en valschheden van Diábolus vertrouwen? Meent gij, dat als El-Schaddaï u zal hebben overwonnen de herinnering aan dit uw verkeerd gedrag u eenigen vrede of troost zal brengen? Of dat gij Hem met uwe snorkende woorden verward zult maken als een sprinkhaan? Spaart hij u ook uit vrees voor u? Denkt gij sterker te wezen dan hij? Ziet eens op naar den hemel en aanschouwt de sterren hoe hoog ze zijn? Kunt gij de zon tegenhouden in haren loop? Kunt gij de maan beletten licht te geven? Kunt gij het heir der starren tellen of de flesschen des hemels ontsluiten? Kunt gij de wateren der zee oproepen en laten die over de aarde stroomen? Kunt gij alle hoogmoedigen vernederen en hen met het aangezicht in het stof doen liggen? Dit zijn nu nog maar enkele van ’s konings werken, in wiens naam wij heden tot u komen, opdat gij u onder zijn gezag zoudt schikken. Daarom roep ik u nogmaals op in zijnen naam, dat gij uzelven aan zijne kapiteins zoudt overgeven.”

Bij deze oproepingen schenen de bewoners van Menschziel stil te staan, niet wetende wat daarop te antwoorden. Om die reden kwam Diábolus schielijk voor den dag en wilde zelf een antwoord geven; hij begon dan ook, maar richtte zijne toespraak tot de lieden van Menschziel.

„Mijne heeren en getrouwe onderdanen,” aldus ving hij aan, „als het waar is wat deze opeischer gezegd heeft aangaande de grootheid van hunnen koning, zoo zult gij door zijne schrik voortdurend in slavernij worden gehouden en als een slak versmelten. Hoe kunt gij, zelfs waar hij op een afstand is, de gedachte aan zulk een machtig vorst verdragen? En waar gij hem u zelfs op een afstand niet voorstellen kunt, hoe zult gij dan zijne tegenwoordigheid verdragen? Ik, uw vorst, ga gemeenzaam met u om en gij moogt met mij spelen als met een graskriek of huismusch. Bedenk daarom wel wat uw voordeel wezen zal en welke voorrechten ik u altijd heb bewezen.

„En als nu verder alles eens waar is wat deze man heeft gezegd, vanwaar komt het dan dat de onderdanen van El-Schaddaï overal zoo in slavernij zuchten? Niemand in het Heelal is zoo ongelukkig als zij, niemand zoo vertrapt en vernederd.

„O, mijn arm Menschziel! waart gij toch zoo traag om mij te verlaten als ik traag ben om u aan uw lot over te geven. Maar nu zeg ik u: de ure der beslissing is gekomen; de kogel moet door de kerk, vrijheid zult gij bezitten als gij haar weet te gebruiken, ja een koning bezit gij altijd als gij hem maar weet lief te hebben en te gehoorzamen.”

Na deze toespraak verhardde de stad Menschziel wederom haar hart tegen de kapiteins van El-Schaddaï. De gedachte aan zijne grootheid deed de inwoners sidderen, en de gedachte aan zijne heiligheid deed hen in wanhoop wegzinken. Daarom na een korte beraadslaging met de partij van Diábolus, zonden zij den trompetter met dit woord terug, dat zij van hunne zijde besloten waren hunnen koning aan te kleven en zich nimmer aan El-Schaddaï over te geven; en dat het daarom ook nutteloos was hun nog verdere opeischingen te zenden, aangezien zij liever wilden sterven dan zich over te geven. En nu schenen de zaken dan al zeer slecht te gaan, hoe langer hoe meer achteruit, namelijk, zoo dat Menschziel weldra buiten het bereik van iedere roepstem wezen zou. Maar de kapiteins, die wisten wat hun koning vermocht, verloren daarom nog den moed niet. Zij zonden nog een nieuwe oproeping, veel scherper en gestrenger dan de voorgaande. Maar hoe meer zij zonden des te afkeeriger werd de stad. „Gelijk zij hen Hos. 11 : 2, 7.riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg — zij riepen wel van den Allerhoogste, maar niet een verhoogde Hem.


HOOFDSTUK IV.
IMMANUELS LEGER. DE AANVAL.

ZZoo hielden zij dan op langs dezen weg met de stad te handelen en sloegen een anderen in. Tot dit doel vergaderden zich de kapiteins tot eene gedachtenwisseling over hetgeen nu te doen ware, ten einde de stad uit de heerschappij van Diábolus te verlossen. Toen stond de edele kapitein Overtuiging op, en sprak:

„Broeders, ziet hier mijne meening.

„Eerstens moeten wij onophoudelijk onze slingersteenen in de stad werpen, en haar dag en nacht aldus belegerend, voortdurend de onrust aldaar gaande houden. Daardoor zullen wij ook haar onstuimigen geest in bedwang houden; want zelfs een leeuw kan men temmen door hem voortdurend lastig te vallen.

„Ten tweede geef ik den raad, dat wij een verzoekschrift opstellen aan onzen Koning en heer El-Schaddaï, waarin wij hem den toestand van Menschziel mededeelen en zijne vergiffenis vragen, dat wij niet beter geslaagd zijn, en ernstig de hulp van Zijne Majesteit inroepen om ons meer krachten te zenden en een welbespraakten aanvoerder daarbij, opdat het voordeel, dat wij reeds behaald hebben, niet weder verloren ga, maar door een algeheele verovering van Menschziel gevolgd worde.”

In deze denkbeelden van den edelen kapitein Overtuiging stemden allen als een eenig man mede, en een verzoekschrift werd onmiddellijk opgesteld, en door een vertrouwd man aan den koning gezonden. De inhoud was daarvan als volgt:

„Allergenadigste en overheerlijke Koning, heer der hoogere wereld en bouwmeester der stad Menschziel! Wij hebben, geduchte souverein, op uw bevel ons leven in de waagschaal gesteld, en een oorlog begonnen tegen de vermaarde stad Menschziel. Toen wij tegen haar optrokken, deden wij volgens onzen lastbrief eerst vredesvoorwaarden hooren. Maar, groote Koning, zij namen onzen raad lichtvaardig op en wilden naar onze bestraffing niet luisteren. Matth. 22 : 5.
Spreuk. 1 : 25.
Zach. 7 : 11-13.
Zij hebben hunne poorten toegesloten en ons buiten hunne stad gehouden. Ook haalden zij hunne kanonnen voor den dag en schoten op ons en deden ons zooveel nadeel als hun mogelijk was. Maar wij hebben de stad met alarm op alarm verontrust, haar telkens gepast geantwoord en daardoor ook wel eenig voordeel op haar behaald.

frame bottom

HET VERZOEKSCHRIFT AAN EL-SCHADDAÏ GERICHT.

„Diábolus, Ongeloof en Vastewil zijn onze groote tegenstanders; nu hebben wij onze winterkwartieren betrokken, maar toch zóo, dat wij voortdurend met een vaste hand de stad benauwen.

„Hadden wij maar een enkelen flinken vriend in de stad, dan zou zulk een ons geholpen hebben en aan onze oproeping eenige kracht bijgezet om hen over te halen zich over te geven; maar daarbinnen waren niet anders dan vijanden, niet éen, die ten gunste van onzen koning sprak. Daarom, ofschoon wij gedaan hebben wat wij vermochten, volhardt Menschziel in haren opstand tegen u.

„Nu, Koning der koningen, moge het u behagen dit niet welgelukken van uwer dienaren pogen te vergeven. Zend gij, Heere, naar onze begeerte, meer krachten naar Menschziel, opdat zij worde onderworpen, en een man aan het hoofd daarvan, die de stad beide beminnen en vreezen mocht.

„Wij spreken niet aldus omdat wij onwillig zijn den oorlog te voeren (want wij zijn besloten te sterven of te overwinnen); maar opdat de stad Menschziel voor Uwe majesteit moge gewonnen worden. Wij bidden bovendien Uwe Majesteit, dat wij na het eindigen van dezen oorlog en de overwinning dezer stad weder gebruikt mogen worden tot uitvoering van uwe genadige en heerlijke plannen en oogmerken. Amen.”

Dit verzoekschrift aldus opgesteld, werd met allen spoed naar den koning gezonden door de hand van een zeer goed man, genaamd Liefde tot Menschziel.

frame bottom
frame top

Toen dit rekwest in het paleis van den koning kwam, aan wien kon het toen beter overhandigd worden dan aan ’s konings zoon? Hij nam het aan en las het omdat de inhoud hem best beviel; ook voegde hij er met eigen hand nog eenige dingen bij, die hij noodig achtte en droeg het toen eigenhandig naar den koning. Het daar gehoorzaam overgeleverd hebbende, maakte hij insgelijks van zijne eigen macht gebruik en beval het mondeling aan.

Nu werd de koning verheugd op het zien van het verzoekschrift, maar nog meer verblijdde hij zich omdat zijn zoon het ondersteunde! Het behaagde hem zeer te vernemen hoe zijne kapiteins zich rondom Menschziel gelegerd hadden en daar zoo van ganscher harte met de verovering bezig waren, zoo standvastig in hun besluit, en reeds in het bezit van sommige voordeelen op de vermaarde stad Menschziel.

Daarom riep de koning zijn zoon Immanuel tot zich, en deze antwoordde: „Ziet, hier ben ik, Vader.” Toen zeide de koning: „Gij kent even goed als ik zelf den toestand der stad Menschziel, en wat wij hebben voorgenomen en wat gij gedaan hebt om haar te verlossen. Kom nu, mijn zoon, en bereid u tot den oorlog, want gij zult naar mijn leger te Menschziel vertrekken. Gij zult aldaar voorspoedig zijn en de stad veroveren.”

Toen zeide ’s konings zoon: „Uwe wet is in het midden mijns ingewands; ik heb lust om uwen wil te doen. Dit is de dag, waarnaar ik verlangd heb, en het werk, Hebr. 10 : 7. waarop ik gewacht heb. Geef mij daarom die versterking mede, welke gij in uwe wijsheid noodig keurt, en ik zal heengaan en de ellendige stad Menschziel van Diábolus verlossen, en uit zijne hand redden. Dikwijls heeft mijn hart in mijn binnenste gebloed over die ellendige stad; maar nu ben ik verheugd en blijde.” En dat zeggende ging hij springende over de bergen, uitroepende: „Niets is mij te dierbaar voor Menschziel; de dag der wrake is voor u gekomen, en hoe verheug ik mij, dat mijn Vader mij gemaakt heeft tot den oversten leidsman harer redding en zaligheid. Hebr. 2 : 10. Ik zal beginnen met al diegenen te plagen, die eene plaag geweest zijn voor de stad en zal haar uit hunne hand verlossen!”

Toen des konings zoon aldus had gesproken, scheen er een licht door het geheele hof; allen verheugden zich en alle gesprekken liepen over hetgeen Immanuel voor die vermaarde stad Menschziel ging doen. Gij kunt u niet half begrijpen hoe de hovelingen waren ingenomen met dit voornemen van den prins; ja, zoo waren zij in deze zaak belangstellende, dat de hoogste edelen en eerste stafofficieren van het koninkrijk onder Immanuel wilden dienen om mede te helpen ten einde de stad Menschziel voor El-Schaddaï te herwinnen.

Toen werd besloten, dat er enkelen vooruit zouden gaan om aan het leger bericht te brengen, dat Immanuel op de komst was om Menschziel te herwinnen, en dat hij zulk een machtig en onverwinnelijk leger zou medebrengen, dat het niet te weerstaan was. Hoe gereed waren die hooggeplaatsten aan het hof om als boodschappers en couriers dienst te doen, ten einde deze tijdingen aan het kamp vóor de stad Menschziel te brengen. Toen nu de kapiteins bemerkten, dat de koning zijn zoon Immanuel zenden wilde, en dat deze evenzeer begeerig was om dien tocht te ondernemen, gaven zij allen een vreugdekreet als bewijs hunner blijdschap, zoodat de aarde er van beefde. Ja, de bergen gaven er antwoord op met hunne echo’s en Diábolus zelf sidderde als een aal.

Want gij moet weten, dat ofschoon de stad Menschziel zelve met het plan in het geheel niet was bekend geworden (want helaas, daarvoor waren zij al te zeer verbijsterd, zijnde hun vermaak en hunne lusten het voornaamste wat zij zochten), Diábolus, hun beheerscher wist het wel; want hij had zijne spionnen, die voortdurend rondzwierven en hem bericht brachten van alle dingen. Deze verhaalden hem wat aan het hof tegen hem besloten was, en dat Immanuel binnen kort zou komen om hem te overweldigen. Nu was er geen mensch aan het hof, noch groote in het rijk, dien Diábolus zoo vreesde als dezen prins; want, als gij u herinnert wat ik u gezegd heb, dan weet gij dat Diábolus het gewicht van zijne hand reeds gevoeld had, zoodat zijne komst hem het meest in angst joeg.

Daar nu, zooals ik u verhaald heb, alles was in orde gebracht en ’s konings zoon het hoofd der legermacht, maakte deze zich op den bestemden tijd tot zijn tocht gereed, nemende met zich een groote macht en vijf kapiteins.