KAPITEIN GEDULD EN ZIJN VAANDRIG LIJDZAAMHEID.
De eerste was de beroemde kapitein Geloof.
Hij voerde de roode kleur
Joh. 1 : 29.
Efez. 6 : 16. en de heer Belofte droeg die;
tot wapen had hij het heilige lam op een
gouden schild; en tienduizend manschappen
volgden hem.
De tweede was de beroemde kapitein Hoop. Hij voerde de blauwe kleur; zijn vaandeldrager was de heer Verwachting, Hebr. 6 : 19. en tot een wapen bezat hij drie gouden ankers. Ook hem volgden tienduizend manschappen.
De derde was de moedige kapitein Liefde. Zijn vaandeldrager was de heer Ontferming; hij voerde de groene kleuren 1 Cor. 13. en had tot wapen eene vrouw, die drie naakte weezen omhelsde. Ook hem volgden er tienduizend.
De vierde heette kapitein Onschuld, een dapper gezagvoerder. Zijn vaandeldrager was de heer Oprecht. De witte Matth. 10 : 16. kleur was de zijne en drie gouden duiven zijn wapen.
De vijfde was de flinke, trouwe en zeer beminde kapitein Geduld. Zijn vaandeldrager heette Lijdzaamheid. Hij voerde de zwarte kleur met drie pijlen door een gouden hart tot wapen.
Dit waren nu de kapiteins van Immanuel, hunne vaandrigs, hunne kleuren en hunne wapens, en de manschappen, die hunne voetstappen volgden. Zoo ging dan de dappere vorst naar Menschziel op weg. Kapitein Geloof voerde de voorhoede aan, en kapitein Geduld de achterhoede; de andere drie vormden den middentocht, de prins zelf reed op zijn wagen aan haar hoofd.
Hoe klonken de trompetten, hoe glinsterden de wapenrustingen, hoe wapperden de vaandels in den wind! Des prinsen wapenrusting was van goud en schitterde als de zon aan het firmament, de wapenrusting des kapiteins was van staal en had het voorkomen van blinkende sterren. Bovendien waren er enkelen van het hof, die vrijwillig dienst hadden genomen uit liefde tot den koning en belangstelling in de stad Menschziel.
Immanuel had toen hij zich opmaakte om de stad Menschziel te herwinnen, op het bevel van zijn vader vier en vijftig stormrammen medegenomen en twaalf slingers om daarmede steenen te werpen. Ieder daarvan was van zuiver goud, en deze namen zij mede in het hart van het leger, terwijl zij naar Menschziel trokken.
Zoo legerden zij zich tot binnen een mijl afstands van de stad, daar hielden zij halt om de vier eerste kapiteins af te wachten, die hun kennis van zaken moesten geven. Daarna marcheerden zij weer op, rondom Menschziel, maar toen de oude gedienden, welke daar reeds lagen, zagen welke nieuwe krachten aangekomen waren om zich met hen te vereenigen, hieven zij zulk een vreugdegeroep aan, dat de muren van Menschziel daverden en Diábolus hevig sidderde. Zoo zetten zij zich voor de stad neder, niet slechts gelijk de andere kapiteins gedaan hadden voor de poorten, maar zij omringden haar geheel, aan alle zijden, van voren en van achteren, zoodat nu Menschziel kon uitzien waar zij wilde, maar altijd zag zij een vijandige macht zich tegen haar stellende. Ook werden nog verschansingen tegen haar opgeworpen. De berg Genadig was aan de eene zijde; de berg Rechtvaardig aan de andere; verder maakten zij nog verscheidene lagere hoogten, die als kleinere batterijen moesten dienst doen; als Zuivere Waarheidsheuvel, en Zonder-Zonde, waarop vele slingers geplaatst en tegen de stad gericht werden. Op den berg Genade stonden er vier en op Gerechtigheid even zooveel, en de overigen waren op verschillende punten verdeeld. Vijf van de beste stormrammen, dat is van de zwaarste, waren op den berg Opmerken, eene batterij vlak bij de Oorpoort opgeworpen, teneinde die open te rammeien.
Toen nu de lieden der stad die menigte soldaten zagen, die tegen hen waren opgetrokken, en de stormrammen en slingers, mitsgaders batterijen, die waren opgeworpen, tegelijk met de glinsterende wapenrustingen en de wuivende vaandels, werden zij wel gedwongen te overleggen wat zij doen zouden. Die overleggingen konden nu echter bezwaarlijk van stoutmoedigen aard wezen, integendeel ze werden telkens meer vreesachtig; want ofschoon zij vroeger wel eens gemeend hadden dat zij genoegzaam verzekerd waren, zoo begonnen zij nu toch te twijfelen of het wel goed met hen zou afloopen.
Toen de goede prins Immanuel Menschziel aldus had belegerd, begon hij eerst de witte vlag uit te steken, die men gewoonlijk op de gouden slingers plaatste, welke op den berg Genade stonden. Dit deed hij om twee redenen: 1e om aan Menschziel te verstaan te geven, dat hij haar wilde genadig zijn wanneer zij tot hem terugkeerde, en 2e opdat zij des te minder te verontschuldigen zouden zijn wanneer hij hen moest vernielen omdat zij in hun oproer volhardden.
Zoo werd dan de witte vlag met de drie gouden duiven uitgehangen, en dat wel twee dagen achter elkaêr om hun tijd te geven zich te bedenken. Doch zij sloegen geen acht en gaven geen antwoord op dit gunstig zinnebeeld.
Toen gaf de prins opnieuw bevel en zij zetten de roode vlag op den berg genaamd Gerechtigheid. Het was de roode vlag van kapitein Oordeel, wiens wapen was de brandende oven; en deze stond toen ook verscheidene dagen achtereen in den wind te wapperen. Maar evenals zij dat met de witte vlag gedaan hadden, toen die uithing, zoo handelden zij nu ook met de roode; zij deden er hun voordeel niet mede.
Daarna beval hij dat zijne mannen de zwarte vlag der verwoesting tegen hen zouden uithangen, welks zinnebeeld was de drie brandende donderkogels. Menschziel bleef daarbij evenwel onaandoenlijk als tevoren. Maar toen de prins zag, dat noch genade, noch gerechtigheid, noch oordeel het hart van Menschziel konden bereiken, werd hij door diep medelijden bewogen en sprak: „Voorzeker, dit vreemdsoortige gedrag van de stad Menschziel moet veeleer voortspruiten uit onwetendheid aangaande de oorlogsmanieren, dan wel uit een geheime en stille verachting van ons en een veronachtzamen van hun eigen welzijn; of als zij de oorlogsmanieren kent dan toch niet die, welke ik gebruik met mijn vijand Diábolus.”
Daarom zond hij naar de stad Menschziel om haar te laten weten wat hij met deze teekens en vlaggen bedoelde, — hij deed dit om te weten te komen of zij wilden kiezen, en wat zij kozen, ’t zij genade en barmhartigheid, of rechtvaardigheid en oordeel. Zij sloten intusschen hunne poorten met dubbele grendels toe, versterkten ze met bouten en maakten ze zoo stevig vast als zij slechts vermochten. Ook werden al weder hunne wachten verdubbeld en versterkt. Diábolus was daarbij druk in de weer om de stad tot tegenweer aan te moedigen.
DE OORPOORT WORDT GEBARRIKADEERD.
Zoo gaven dan ook de lieden der stad een antwoord aan ’s prinsen afgezanten in hoofdzaak hierop neer komende:
„Groote Heerscher, wat aangaat hetgeen gij door uwen afgezant aan ons hebt laten voorstellen, namelijk of wij uwe barmhartigheid willen aannemen dan wel vallen door uwe gerechtigheid, zoo zijn wij door de wet gebonden u geen positief antwoord te geven; want het is tegen de wetten, ordonnantiën en koninklijke besluiten van onzen koning, dat wij vrede of oorlog maken zonder hem. Maar dit willen wij wel doen — wij zullen onzen koning verzoeken op den muur te komen en u daar zulk een bescheid te doen als hij zal denken oorbaar en voor ons voordeelig te zijn.”
Toen de goede prins Immanuel dit antwoord hoorde en de slavernij en afhankelijkheid van het volk zag en hoe gaarne zij in de ketens van den tiran Diábolus bleven, smartte het hem aan zijn hart; en inderdaad als hij te eeniger tijd bemerkte, dat iemand zich tevreden gevoelde in de slavernij van den reus, zoo deed hem dit altijd leed.
Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Nadat de lieden der stad dit nieuws aan Diábolus hadden medegedeeld, bovendien, dat de prins zich daar gelegerd had en hem bij den muur verwachtte om een antwoord, weigerde hij te komen; hij pochte luid, maar in zijn hart was hij bevreesd.
Daarna echter zeide hij: „Ik zal toch zelf naar de poort gaan en geven hun zulk een antwoord als ik zal goedvinden.” Zoo ging hij dan naar de Mondpoort en richtte zich tot Immanuel, (maar in eene taal, die de stad niet verstond) op deze wijze:
„O, gij groote Immanuel, heer der geheele wereld, ik ken u, dat gij de zoon zijt van den grooten El-Schaddaï. Waarom zijt gij hier gekomen om mij te kwellen en mij uit mijne bezitting te verjagen? Deze stad Menschziel is de mijne, zooals gij zeer wel weet en dat wel met een dubbel recht. 1e Is zij mijn uit recht van verovering. Ik won haar in het open veld, en zal men den machtige zijn roof ontnemen of den wettig gevangene bevrijden? 2e Is zij mijn wegens hare onderwerping. Zij heeft de poorten harer stad vrijwillig voor mij geopend; zij heeft mij trouw gezworen en mij openlijk tot haren koning verkozen; zij heeft ook haar kasteel in mijne handen gesteld, ja, zij heeft al hare krachten mij vrijwillig onderworpen.
„Bovendien heeft deze stad u afgezworen, ja zij heeft uwe wetten verworpen, uwen naam en uw beeld en al wat het uwe is achter haren rug geworpen; zij heeft mijne wetten aangenomen en mijn naam, mijn beeld en al wat van mij is daarvoor in de plaats gesteld. Vraag dit maar aan uwe kapiteins en zij zullen u wel mededeelen, dat Menschziel in antwoord op hunne oproepingen, liefde en gehechtheid aan mij heeft getoond, maar verachting en wrevel voor u en het uwe. Nu zijt gij toch de Rechtvaardige en de Heilige, en gij kunt geene ongerechtigheid doen. Vertrek dan, bid ik u, laat van mij af en gun mij het bezit van mijne wettige erfenis.”
Deze redevoering werd gehouden in de taal van Diábolus zelf; want ofschoon hij tot iedereen in zijne eigen taal kan spreken (anders kon hij ook niet allen in verzoeking brengen zooals hij doet) toch heeft hij eene eigen taal, en dat is de spraak uit den helschen afgrond of de zwarte put.
Daarom verstond de stad Menschziel (arme stumpert!) hem niet, en kon zij ook niet zien hoe hij zich in allerlei bochten kronkelde, terwijl hij daar stond voor Immanuel den vorst.
Ja, zij hielden hem bij dit alles voor iemand van groote macht, dien men onmogelijk kon wederstaan. Zoodat, terwijl hij aldus stond te smeeken, dat hij toch zijne woning in Menschziel mocht houden en dat Immanuel hem niet met geweld mocht verjagen, de inwoners op zijne dapperheid pochten, zeggende: „Wie is in staat hem den oorlog aan te doen?”
Toen deze voorgewende koning nu een eind gemaakt had met hetgeen hij wilde zeggen, stond Immanuel, de gouden prins, op en sprak:
„Gij, groote bedrieger, ik heb in mijns Vaders naam en ook in mijn eigen naam, en in het belang van deze ellendige stad Menschziel iets tot u te zeggen. Gij geeft voor een recht, een wettig recht te hebben op deze arme stad, terwijl het zeer duidelijk is voor het gansche hof mijns Vaders, dat de toegang, die gij tot de poorten van Menschziel hebt verkregen, slechts door leugen en valschheid heeft kunnen plaats hebben. Gij beloogt mijn Vader, gij beloogt zijne wet en alzoo bedroogt gij het volk van Menschziel. Gij geeft voor, dat het volk u aangenomen heeft voor zijn koning, hoofdman en wettigen heer; maar dat gebeurde ook door gebruik te maken van bedrog en leugentaal. Welnu, indien leugen, eigenwilligheid, zondige kracht en alle vormen van afschuwelijke huichelarij, in mijns Vaders hof (waaruit gij moest verbannen worden) kunnen doorgaan voor billijkheid en recht, dan zal ik voor u bekennen, dat gij een wettige verovering hebt gedaan. Maar, helaas, welke roover, welke tiran, welke duivel is er niet, die op die manier geene veroveringen zou kunnen maken? Maar ik kan het u duidelijk voor oogen stellen, o Diábolus, dat gij in al uw voorgeven van eene verovering der stad niet een enkel woord waarheid hebt gesproken. Meent gij dit recht te zijn dat gij mijn Vader een leugen in den mond legdet en hem aan Menschziel voorsteldet als den grootsten bedrieger ter wereld? En hoe noemt gij uwe uitlegging, waar gij de rechte bedoeling der wet uitmuntend verstondt? Was het ook goed, dat gij alzoo een prooi maaktet van de onnoozelheid en eenvoudigheid van de thans zoo ellendige stad Menschziel? Gij haaldet Menschziel over door haar allerlei geluk te beloven in hare overtreding van mijns Vaders wet, die gij kendet, en kennen kondt, als gij alleen maar uwe eigen ondervinding hadt geraadpleegd, wel wetende, dat dit de weg was tot ondergang. Zoo hebt gij dan, o meester in de vijandschap, mijns Vaders beeld in Menschziel smadelijk verbroken en het uwe daarvoor in de plaats gesteld, tot groote verachting van mijn Vader en verergering van uw misdrijf, gelijk ook tot onnoemelijke schade van de verloren stad Menschziel.
DIÁBOLUS BEROEP OP IMMANUEL.
„Gij hebt boven dit alles, alsof dit maar weinig ware, niet alleen deze plaats bedrogen en bedorven, maar door uwe leugens en bedriegelijk gedrag hebt gij haar nog van hare verlossing afkeerig gemaakt. Hoe hebt gij haar opgehitst, tegen mijns Vaders kapiteins, en gemaakt, dat zij strijdt tegen degenen, die haar uit uwe slavernij willen verlossen! Al deze dingen en nog veel meer hebt gij gedaan, tegen licht en beter weten aan en ten spijt van mijn Vader en zijne wet, en dat met het voornemen om de ellendige stad Menschziel voor eeuwig onder zijn ongenoegen te doen vervallen. Ik ben nu gekomen om den smaad, dien gij mijn Vader aangedaan hebt, te wreeken, en met u in het gericht te treden wegens de lasteringen, waarmede gij het arme Menschziel geleerd hebt zijnen naam te lasteren. Ja, op uw kop, gij vorst van den helschen afgrond, zal ik het verhalen.
„Wat mij zelf betreft, o Diábolus, ik ben tot u gekomen met een wettige macht, en met het doel om door eene machtige hand, deze stad Menschziel uit uwe brandende vingeren te verlossen. Deze stad Menschziel is de mijne, o Diábolus, en dat door een onbetwistbaar recht, zooals allen zullen inzien, die naarstig de oudste en autentieke bescheiden willen onderzoeken; en ik zal mijn recht daarop verdedigen tot beschaming van uw aangezicht.
„Eerstens is de stad Menschziel door mijn Vader gebouwd en door zijne hand gefatsoeneerd. Het paleis, dat in het midden der stad is, heeft hij gebouwd tot zijn eigen genoegen. Daarom is deze stad Menschziel van mijn Vader, en dat met alle recht, en hij, die dit tegenspreken wil, liegt tegen zijne eigen ziel.
„Ten tweede is, o gij opperste leugenaar, deze stad Menschziel de mijne, omdat ik mijns Vaders erfgenaam ben, zijn eerstgeborene Hebr. 1 : 2. en de lieveling van zijn hart. Ik ben daarom tegen u opgetrokken uit kracht van mijn eigen recht, ten einde mijne erfenis weder uit uwe hand te Joh. 15 : 16. lossen.
„Maar verder, al heb ik een recht op Menschziel als mijns Vaders erfgenaam, zoo ontving ik het evenzeer als een geschenk. Het was het zijne en hij gaf het mij; ook heb ik nooit mijn Vader bedroefd, zoodat hij het van mij zou genomen hebben en u gegeven hebben. Evenmin ben ik genoodzaakt geworden door Jes. 50 : 1. geldelijke verlegenheid mijn geliefde stad Menschziel aan u te verkoopen. Menschziel is mijn lust en mijn leven, de vreugde van mijn hart. Maar Menschziel is ook mijn eigendom omdat ik het gekocht heb. O Diábolus, ik heb het mij gekocht. Merk nu eens op, eerst was het van mijn Vader en mij omdat ik erfgenaam ben, en daarna omdat ik het voor een duren prijs heb gekocht. Volgt dan daar niet uit, dat bij wettig recht de stad Menschziel mij toebehoort, en dat gij een overweldiger, een tiran, een verrader zijt als gij het in uw bezit houdt? Ik zal u ook zeggen wat de oorzaak was, dat ik het kocht. Menschziel had tegen mijn Vader overtreden, en mijn Vader had gezegd, dat ten dage als zij zondigde, zoo zou zij sterven. Nu is het eer mogelijk dat hemel en aarde voorbijgaat, dan dat het woord van mijn Vader gebroken wordt. Daarom toen Menschziel gezondigd had door naar uwe leugenen te luisteren, ben ik daar tusschen getreden en bij mijn Vader borg gebleven, lijf voor lijf, en ziel voor ziel, dat ik zou boeten voor Menschziels overtreding, en mijn Vader heeft daarin berust. Zoo heb ik dan toen de bestemde tijd gekomen was, lijf voor lijf en ziel voor ziel gegeven, leven voor leven en bloed voor bloed, en aldus heb ik mijn dierbaar Menschziel verlost.
„Ook heb ik dit niet ten halve gedaan: mijns Vaders wet en recht zijn voldaan, de straf is voor de misdaad geboet, en op gansch wettige wijze is Menschziel verlost.
„Evenmin ben ik heden eigenwillig tot u gekomen, maar op mijns Vaders bevel; hij was het, die tot mij zeide: „ga heen en verlos Menschziel!”
„Daarom zij het u nu bekend, o bronwel van alle bedrog, en zij het ook bekend aan de dwaze stad Menschziel, dat ik thans niet tegen u ben opgetrokken zonder mijn Vader.
„En nu,” besloot de met goud gekroonde prins, „heb ik een woord tot de stad Menschziel.” Zoodra hij echter daarvan repte om tot de verdwaasde stad Menschziel te spreken, werden alle poorten weder dubbel gesloten en iedereen ontving bevel hem geen gehoor te geven. Daarom ging hij voort: „O, ongelukkige stad Menschziel, ik ben met medelijden over u vervuld. Gij hebt Diábolus tot uwen koning aangenomen, en zijt de voedstervrouw geworden van booze geesten, die tegen uw souvereinen Heer opstaan. Uwe poorten hebt gij voor hem geopend, maar voor mij hebt gij ze toegesloten; gij hebt hem gehoor gegeven, maar voor mijne roepstem uwe ooren gestopt. Hij bracht u in ellende en gij hebt beiden hem en al wat hij u bracht ontvangen. Ik kom u redding brengen, maar gij ziet mij niet aan. Bovendien hebt gij uwe heiligschennende handen uitgestoken naar al wat in u mij toebehoorde, en hebt uzelven met al wat het mijne was aan hem gegeven; aan hem, mijn vijand en den grootsten tegenstander van mijn Vader. Gij hebt u voor hem gebogen en u aan hem onderworpen, gij hebt beloofd en gezworen, dat gij de zijne zoudt zijn. Arm Menschziel, wat zal ik u doen? Zal ik op u aanvallen? Zal ik u vermorzelen of zal ik u redden? Wat zal ik u doen? U met den grond gelijk maken of u stellen tot een toonbeeld van vrije genade? Wat zal ik u doen? Hoor daarom, Hoogl. 5 : 2. o hoor, gij stad Menschziel, hoor naar mijne woord, en gij zult leven. Ik ben genadig, Menschziel, en gij zult mij barmhartig bevinden; sluit mij niet buiten uwe poorten.”
„O, Menschziel, het is mijn doel noch
mijn roeping om u kwaad te
Joh. 12 : 47.
Luk. 9 : 56. doen. Waarom ontvlucht gij
uwen vriend en hecht u zoo vast aan uwen
vijand? Inderdaad, ik wensch dat gij, zooals
het u past, bedroefd zijt over uwe zonden,
maar wanhoop niet aan uw leven; deze
groote legermacht is niet hier om u kwaad te
doen, maar om u van de slavernij te verlossen
en onder mijn gezag terug te brengen.
„Mijn doel is, inderdaad, alleen Diábolus, uwen koning, en al zijne duivelsche geesten den oorlog aan te doen; want hij is de sterke, die het huis bewaakt, en ik wil hem er uit hebben; zijn vaten moet ik hem ontrooven, zijn wapenrusting moet ik van hem nemen, ik moet hem uit zijn nest jagen en van zijne verblijfplaatsen eene woning voor mijzelven maken. En dat, o Menschziel, zal Diábolus ondervinden, wanneer hij in ketenen geklonken mijne voetstappen volgt als een gevangene, en Menschziel zal zich bij dit gezicht verblijden.
„Ik zou wel op zulk eene wijze van mijne macht gebruik kunnen maken, dat hij dadelijk moest heengaan en het opgeven; maar ik heb in mijn hart voorgenomen zóo met hem te handelen, dat de rechtvaardigheid van den oorlog, dien ik hem aandoe, door allen zal worden erkend. Hij heeft Menschziel met bedrog genomen, en houdt het met geweld en bedrog vast, en ik zal hem naakt en bloot stellen voor aller oog.
„Al mijne woorden zijn waarheid. Ik ben machtig om te helpen en zal mijn Menschziel uit zijne hand verlossen.”
Deze toespraak was in de eerste plaats voor Menschziel bestemd, maar Menschziel wilde er niet naar hooren. Zij sloten de Oorpoort, barrikadeerden die met ijzers en bouten, en zetten daar wachters, die de bewoners van Menschziel moesten beletten tot hem uit te gaan, en die niemand uit het leger in de stad mochten toelaten. Dit alles deden zij omdat Diábolus op zulk een ontzettende wijze hunne zinnen had verblind, en hen opgezet tegen hun wettigen heer en vorst. Daardoor kwam nu ook geen stem, of boodschapper, noch eenig geluid, dat van den glorierijken koningszoon uitging, de stad binnen.
Toen nu Immanuel zag, dat Menschziel op die wijze in hare zonde verhard was en dat zijne woorden veracht werden, zoo riep hij zijn leger samen, en liet al zijne heirscharen weten, dat zij op het bestemde uur gereed moesten zijn. Daar er nu geen andere wettige weg was om in de stad Menschziel te komen, en daar vooral de Oorpoort zoo zorgvuldig gesloten bleef, zoo beval hij zijne kapiteins en gezagvoerders om hunne stormrammen voor den dag te halen, en al hunne slingeraars en manschappen te richten op de Oorpoort en de Oogpoort, teneinde de stad in te nemen.
Als nu Immanuel alle dingen had gereed gemaakt om Diábolus slag te leveren, zond hij nogmaals naar de stad Menschziel een vreedzame boodschap of zij zich ook wilde overgeven of dat zij nu besloten was het tot het uiterste te wagen? Zij riepen dan met Diábolus, hunnen koning, een krijgsraad samen en bepaalden weder eenige voorwaarden, die Immanuel zouden worden aangeboden of hij daarin mocht bewilligen, en die door iemand uit de stad tot hem zouden worden gezonden. Wie kon die boodschap doen? Nu woonde in de stad een oud man, een duivelskind, zijn naam was Onbuigzaam,[20] die zeer stijf op zijn stuk stond, een uitmuntend werktuig voor Diábolus. Deze man werd uitgezonden en hem in den mond gelegd wat hij zeggen moest. Zoo kwam dan deze in het leger van Immanuel, en toen hij daar aankwam werd een tijd bepaald, waarop hem gehoor zou worden gegeven. Na een paar duivelsche plichtplegingen begon hij aldus te spreken: „Groot en machtig Heer, opdat het allen bekend zij welk een goedhartig vorst mijn meester Titus 1 : 16. is, heeft hij mij gezonden om u te zeggen, dat hij, liever dan een oorlog met u te beginnen, genegen is de helft van de stad Menschziel in uwe handen over te geven. Ik moet daarom maar weten of Uwe Majesteit gewillig is dit voorstel aan te nemen.”
Toen zeide Immanuel: „De geheele stad is mijn eigendom, zoowel omdat zij mij gegeven is als omdat ik haar gekocht heb.”
Toen antwoordde Onbuigzaam: „Heerschap, mijn meester heeft gezegd, dat hij er ook in toestemt, dat gij den titel hebt Luk. 13 : 25. van Heer over alles, als hij maar een deel voor zich in bezit mag houden.”
Maar Immanuel sprak: „Alles is wettig het mijne, niet slechts in naam, maar in werkelijkheid, daarom wil ik ook de eenige Heer en bezitter van alles wezen, òf ik wil er niets van hebben.”
Toen ging Onbuigzaam al weer voort: „Heerschap, ziet toch eens hoe toegevend Hand. 5 : 1-5. mijn meester is; hij zegt dat hij tevreden zal wezen, als hij maar eene plek in Menschziel heeft daar hij wonen mag, en u Heer en Meester zal laten van al het overige.”
Maar daarop antwoordde de gouden prins: „Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen, en van al wat Hij mij geeft — zal ik niets verliezen — zelfs niet een haar van het hoofd. Ik zal hem daarom zelfs het kleinste hoekje in Menschziel niet vergunnen, ik wil het alles zelf hebben.”
Toen sprak Onbuigzaam weder: „Maar, mijnheer, onderstel dat mijn meester kon besluiten u de gansche stad over te geven alleen met dit voorbehoud, dat hij somtijds wanneer hij in deze streken komt, daar als oude kennis, en als een doortrekkend man eens een paar dagen, eene week of eene maand kwam verblijven. Kan zelfs deze kleine zaak niet vergund worden?”
Toen zeide Immanuel: „Hij kwam als 2 Sam. 12 : 1-5. een doortrekkend reiziger tot David en bleef niet lang bij hem en toch had het David zijne ziel kunnen kosten. Ik wil niet toestaan, dat hij er ooit weer binnenkomt.”
Toen zeide Onbuigzaam: „Heer, gij schijnt wel zeer hard te wezen. Onderstel, dat mijn meester alles toestemt wat Uwe Majesteit zegt, met deze uitzondering, dat zijne vrienden en bekenden in Menschziel vrijheid mogen genieten om in de stad handel te drijven en daar hunne tegenwoordige woonplaats mogen behouden. Dat wordt toch wel toegestemd, Mijnheer?”
Toen zeide Immanuel: „Neen, dat is
tegen den wil van mijn Vader; Rom. 6 : 13.
Col. 3 : 5.
want allen en een iegelijk, die
van Diábolus aanhang nu of later in de
stad gevonden worden, zullen hunne bezittingen,
hunne vrijheid en hun leven verliezen.”
Daarop antwoordde Onbuigzaam: „Maar, Heerschap, mag dan mijn meester en groote Heer niet door brieven of doortrekkende reizigers of bij voorkomende gelegenheden, als hij alles in uwe handen overgeeft Joh. 10 : 8. eene soort van vriendschap en gemeenschap met de stad onderhouden?”
Immanuels antwoord was: „Neen, op geenerlei wijze, aangezien zulk eene gemeenschap, vriendschap, toegenegenheid of kennismaking zal strekken tot verderf van Menschziel, en haar vrede met mijn Vader in gevaar brengen.”
De heer Onbuigzaam voegde daar nog bij: „Maar, groote Heer, mijn Meester heeft veel vrienden en die hem dierbaar Rom. 6 : 12, 13. zijn in Menschziel, mag hij dan niet als hij uit overmaat van goedheid vertrekt, hun eenige bewijzen van zijne goedertierenheid bij wijze van gedachtenis achterlaten, waarop zij na zijn vertrek kunnen staren als panden van oude vriendschap en tot herinnering, dat hij eens hun koning was, en van den goeden, vroolijken tijd, dien zij samen hebben doorgebracht, toen hij en zij samen in vrede leefden?”
Toen zeide Immanuel: „Neen, want als Menschziel de mijne wordt, zoo zal ik niet toelaten, dat er het minste overblijfsel, ja dat zelfs het stof van Diábolus, dat hij achterlaat, als gift of gedachtenis aan iemand in Menschziel geschonken zij, om de verschrikkelijke herinnering van die jammerlijke vriendschap levendig te houden.”
[20] Die zekere heer Onbuigzaam, blijkt op het einde zijn naam te volle te verdienen, ofschoon hij in het eerst de buigzaamheid zelf schijnt te wezen. Al dat toegeven is geen toegeven, ’t is alles satanische list. Al dat wenden en keeren doet denken aan de kronkelingen van de slang.
ONBUIGZAAM NAAR IMMANUEL GEZONDEN.
„O, Heer”, zeide toen Onbuigzaam, „ik heb nog maar éen ding voor te stellen en 2 Kon. 1 : 3, 6, 7. dan is mijn lastbrief ten einde. Onderstel dat, wanneer mijn meester uit Menschziel is weggegaan, iemand, die daar woont of later wonen zal, zoo iets belangrijks en bijzonders aldaar te doen heeft, dat indien het verzuimd wordt de geheele zaak daaronder lijden zou, en die belangrijke zaak kan door niemand anders gedaan worden dan door mijn meester, zou dan niet aan die persoon gelegenheid gegeven worden om mijn meester te zijnen huize te ontvangen? Of zelfs, werd dit niet toegestaan, dat zij dan elkander mochten ontmoeten in een der naburige dorpen ten einde samen raad te plegen?”
Dit was de laatste der voorstellen, die Onbuigzaam aan Immanuel had voor te stellen in naam van zijn meester Diábolus; maar Immanuel wilde niets toestaan, want 1 Sam. 28 : 15. hij zeide: „Er kan geen geval, geen zaak van welken aard ook in Menschziel voorkomen wanneer uw meester zal vertrokken zijn, die niet door mijn Vader kan worden in orde gebracht. Bovendien zou het een groote verachting wezen van mijns Vaders wijsheid en verstand als iemand uit Menschziel toegelaten werd naar Diábolus 2 Kon. 1 : 2, 3. uit te gaan om raad te plegen. In ieder denkbaar geval kunnen zij hunne begeerten met bidden en smeeken met dankzegging bij mijnen Vader bekend maken. En verder: werd dit toegestaan, dan zou eene deur worden opengehouden voor Diábolus en de zijnen in Menschziel om een komplot te maken en verscheidene verraderlijke dingen te doen tot mijns Vaders verdriet en tot vernieling der stad.”
Toen de heer Onbuigzaam dit antwoord gehoord had, nam hij afscheid van Immanuel en vertrok, zeggende, dat hij zijn meester bericht zou brengen. Zoo kwam hij dan ook bij Diábolus, zijn meester, te Menschziel en verhaalde hem de geheele zaak en hoe Immanuel niets wilde toegeven; dat als hij er eens uitging hij dan voor altijd buiten de stad was gebannen en hij er nooit meer iets mede mocht te doen hebben. Toen Menschziel en Diábolus dit verhaal der dingen hadden vernomen, besloten zij met algemeene stemmen hun uiterste best te doen om Immanuel buiten Menschziel te houden en om den ouden Kwaderust, van wien wij tevoren gehoord hebben te zenden om dit aan den prins en zijne kapiteins te berichten. Zoo kwam dan die oude heer boven op de Oorpoort staan, en riep tot het leger om gehoor, en nadat hij dat bekomen had sprak hij: „Ik heb van mijn hoogen vorst en heer in last u te verzoeken aan uwen prins te berichten, dat Menschziel en haar koning vastelijk besloten zijn samen te staan of te vallen; en dat het tevergeefs is wanneer uw prins Immanuel vermeent ooit Menschziel weder in handen te krijgen, tenzij hij bij machte is haar met geweld te nemen.” Zoo gingen dan de kapiteins en verhaalden aan Immanuel wat die Kwaderust gezegd had, waarop de prins antwoordde: „Ik moet de kracht Efez. 6 : 17. van mijn zwaard beproeven, want ik zal geenszins van hier vertrekken eer ik Menschziel van haren vijand verlost heb, welke oproeren zij ook heeft aangericht, en hoe menigmaal zij mij ook heeft verstooten!” Daarop gaf hij bevel aan kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening om onmiddellijk met bazuingeschal en vliegende vaandels en krijgsgeschal naar de Oorpoort op te trekken. Ook wilde hij, dat kapitein Geloof zich bij hen voegen zou. Immanuel gaf bovendien bevel, dat de kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde zich voor de Oogpoort zouden in slagorde stellen. De overige kapiteins en hunne manschappen moesten zich elders rondom de stad gereed houden en de voordeeligste stellingen tegenover de stad innemen, en alles gebeurde zooals hij het geboden had.
Daarop werd uitgeroepen dat het wachtwoord zou wezen „Immanuel”. Toen ontstond er een oorverdoovend geraas, de stormrammen werden aangelegd, en de slingers zweepten groote steenen door de lucht, die in de stad neerkwamen. Zoo begon de strijd. Diábolus voerde nu zelf de lieden der stad tot den strijd aan en wel bij elke poort, daarom was haar tegenstand zooveel te krachtiger, helscher en beleedigender voor Immanuel. Verscheidene dagen achtereen werd de goede prins op deze wijze door Diábolus en Menschziel tegengestaan, terwijl het inderdaad de moeite waard was te zien hoe flink El-Schaddaï’s kapiteins zich in den oorlog gedroegen.
DE KAPITEINS VAN IMMANUEL BELOOND.
Daar hebt gij eerst kapitein Boanerges; ofschoon de anderen niet bij hem achterstonden; deze deed driemaal zulke krachtige aanvallen op de Oorpoort, dat deze poorten en deuren kraakten en schudden. Kapitein Overtuiging, die Boanerges trouw terzijde stond, deed wat hij vermocht, en beiden, bemerkende dat de poort begon te kraken, bevalen dat de stormrammen er maar voortdurend tegen spelen zouden. Daar kapitein Overtuiging zich wat dicht bij de poort waagde, kreeg hij drie wonden in den mond[21] en werd teruggedreven. Toen kwamen de vrijwilligers in het leger en dit moedigde de kapiteins opnieuw aan.
Om deze kapiteins voor hunne dapperheid te beloonen zond de prins hen naar zijne eigen tent, en beval, dat zij daar een weinig zouden uitrusten en zich herstellen. Ook werd er onmiddellijk voor gezorgd, dat kapitein Overtuiging van zijne wonden genezen werd. De prins vereerde ieder hunner een gouden keten en sprak hun moed in.
Meent evenmin, dat kapitein Goede Hoop of kapitein Liefde achteraan kwamen in dit wanhopige gevecht, want deze gedroegen zich zóo kloek aan de Oogpoort, dat zij haar bijna openbraken. Ook deze ontvingen loon van hunnen vorst evenals de overigen der hoofdlieden, omdat zij zich rondom de stad zoo dapper weerden.
In deze worsteling werden verscheidene officieren van Diábolus gewond of gedood, en ook vele lieden uit de stad bekwamen blessuren. Onder de gesneuvelde officieren behoorde zekere kapitein Pocher. Deze Pocher had gemeend, dat niemand de deuren der Oorpoort noch het hart van Diábolus kon doen beven. Naast hem werd een zekere kapitein Zekerheid neergeslagen, die gewoon was in stille gerustheid te leven en voor een spreekwoord had aangenomen, dat de blinden en lammen in Menschziel alleen wel in staat waren de poorten der stad tegen Immanuel te verdedigen. 2 Sam. 5 : 6. Dezen kapitein Zekerheid werd door kapitein Overtuiging met een tweesnijdend zwaard het hoofd gekloofd, toen deze drie wonden in den mond kreeg.
Behalve dezen was er nog een hoofdman Bluffer, een snoode boef, een aanvoerder van een troep, die vuurbranden, pijlen en doodelijke werktuigen aandroegen. Deze man kreeg aan de Oogpoort van kapitein Goede Hoop een doodelijke wonde in de borst.
Zoo was er ook een mijnheer Gevoelig, geen kapitein, maar een opstoker tot opstand. Hij kreeg eene wond in het oog, van de hand van een van Boanerges’ soldaten. De kapitein zou hem zelf wel gedood hebben, maar hij maakte een spoedigen terugtocht.
Maar nooit in mijn leven zag ik Vastewil zoo tam; hij was volstrekt niet in staat zijn gewone handelwijze te volgen, en sommigen zeggen, dat hij ook eene wond gekregen had in het been. Men had hem ten minste uit het leger van den prins in de verte zien hinken.
Ik zal u geen nauwkeurige opsomming geven van de soldaten, die in de stad gedood werden; velen werden er verminkt, gewond en velen schoten er het leven bij in. Toen zij zagen, dat de Oorpoort wankelde en de Oogpoort bijna geheel opengebroken was, ook dat verscheidene van hunne kapiteins waren geslagen, versmolt het hart van velen, die Diábolus aanhingen. Ook vielen er velen door de slingersteenen, die met kracht in de stad werden geworpen.
Onder de burgers behoorde een zekere Goedhater, die ook een Diábolist was. Deze kreeg een doodelijke wond in Menschziel, maar waaraan hij eerst later stierf.
De heer Kwaderust, gij kent hem wel, die het eerst met Diábolus meekwam toen hij Menschziel belaagde, ontving ook gevaarlijke wonden in zijn hoofd; ik heb zelfs hooren zeggen, dat zijn hersenpan gescheurd was. Dit heb ik ten minste opgemerkt, dat hij in later tijd nooit meer in staat was zooveel kwaad in Menschziel te doen als voorheen. De oude heer Vooroordeel en Neutraal zetten het op een loopen.
Toen nu deze worsteling voorbij was gaf de prins bevel, dat weder de witte vlag op den berg Genade zou worden geheschen, in het gezicht der stad, om te toonen, dat Immanuel Menschziel in hare ellende wilde genadig zijn.
[21] In deze worsteling werd kapitein Overtuiging gewond. — Wij worstelen menigmaal tegen onze overtuigingen in, en brengen het soms zóo ver, dat wij ze op een of ander punt tot zwijgen doemen. Toch doen deze aanvallen van ons overtuigend geweten den booze in ons afbreuk; de zekerheid en stille gerustheid worden geschokt en verdreven.
GRIFFIER GEWETEN VERONTRUST.
Toen evenwel Diábolus de witte vlag der genade zag waaien, en hij wist wel, dat dit niet voor hem was, zoo bedacht hij een andere list, namelijk hij wilde beproeven of Immanuel zijn beleg niet wilde opbreken en heengaan op belofte van hervormingen. Zoo kwam hij dan in den avond naar de poort wandelen, een heel poosje nadat de zon was ondergegaan, en riep om een gesprek met Immanuel, die onmiddellijk tot hem kwam, en Diábolus sprak:
„Nademaal gij door het uitsteken van de witte vlag bekend maakt, dat gij op vrede en rust gesteld zijt, zoo dacht het mij goed u te zeggen, dat wij zeer bereid zijn die aan te nemen op zulke voorwaarden als gij wel zult willen goedvinden.
„Ik weet dat godsvrucht u behaagt en dat gij zeer gesteld zijt op heiligheid, ja, dat een groote drangreden om Menschziel den oorlog aan te doen, juist hierin gelegen is, dat gij haar tot een heilige woonplaats maken wilt. Welnu, wend u met uwe legermacht van de stad af en ik zal maken, dat Menschziel voor u buigt.
„Ik zal alle daden van vijandschap tegen u doen ophouden, en ben gewillig om uw afgezant te worden, en gelijk ik u tevoren heb tegengestaan, zoo wil ik u in de toekomst in Menschziel dienen.
„1e. Zal ik Menschziel bewegen u als Heer te ontvangen, en ik weet, dat zij dit te eerder zullen doen als zij weten, dat ik uw afgezant ben.
„2e. Zal ik haar toonen waarin zij gedwaald heeft, en dat alle ongerechtigheid den weg des levens in den weg staat.
„3e. Zal ik haar de heilige wet uitleggen, waarnaar zij zich heeft te gedragen en weer goed maken wat zij bedorven heeft.
„4e. Zal ik bij haar aandringen op de hooge noodzakelijkheid eener hervorming naar den eisch uwer wet.
„5e. Opdat geen van deze dingen verzuimd worden zal ik op mijn eigen kosten en gezag een voldoende bediening in Menschziel oprichten en in stand houden, en predikatiën laten doen tot leering en vermaning.
„6e. Zult gij als een teeken van onze onderwerping aan u ons jaar op jaar de schatting opleggen, die gij noodig keurt, en die wij u brengen.”
Toen zeide Immanuel tot hem: „O, gij enkel bedrog, hoe dikwijls zijt gij veranderd in uw bedriegelijke wegen opdat gij dit Menschziel maar in uw bezit zoudt mogen behouden; dit Menschziel dat het mijne is, en waarop ik onbetwistbare rechten bezit! Reeds menigmaal zijt gij met uwe voorslagen gekomen, en deze laatste is geen zier beter dan de vorigen. Waar het u niet gelukt is te bedriegen 2 Cor. 11 : 14. als gij uw ware zwarte gedaante vertoondet, daar verandert gij u nu in een engel des lichts, en doet u thans voor als een leeraar der gerechtigheid.
„Maar dit zij u bekend, o Diábolus, dat uwe voorstellen allen voor niets geacht moeten worden, omdat zij allen op bedrog zijn toegelegd. Gij bezit evenmin vreeze Gods als liefde tot de stad Menschziel. Uit welken anderen grond kunnen dan deze uwe woorden voortkomen dan uit list en bedrog? Hij, die uit list of eigenwil alles kan voorstellen wat hem behaagt, en dat om hen ongelukkig te maken, die hem gelooven, verdient gehoor noch geloof in alles wat hij zegt. Indien dan gerechtigheid zulk een voortreffelijke zaak is in uw oog, waarom hebt gij dan vroeger de goddeloosheid zoo toomeloos bedreven? Maar dat is tot daar aan toe.
„Gij spreekt van hervormingen in Menschziel, en dat gij, als het mij behaagt, de eerste wilt wezen in dat hervormingswerk, ofschoon gij zeer goed weet, dat de hoogste trap van gerechtigheid, die een mensch bereiken kan, toch nooit baten kan om den vloek weg te nemen, die op Menschziel rust. De wet, eenmaal door Menschziel gebroken, heeft den vloek tegen haar doen uitspreken, en nooit kan door eenige gehoorzaamheid in de toekomst, wat daar achter ligt worden weggenomen of hersteld, in geen geval eene hervorming, die door een duivel wordt voorgesteld of uitgevoerd. Gij weet zelf zeer goed, dat al wat gij gezegd hebt niets anders is dan bedrog, en dat dit de laatste kaart is, die gij uitspelen kunt. Velen zijn er, die u spoedig herkennen zullen als gij hun uw gespleten klauwen laat zien, maar in uw witte gedaante, in uwe verandering in een engel des lichts wordt gij van weinigen aangezien. Maar gij zult, o Diábolus, alzoo met mijn Menschziel niet leven, want daarvoor heb ik het te lief.
„Bovendien ben ik niet gekomen om Menschziel aan te sporen tot goede werken om daardoor te leven; deed ik dat, dan zou ik u gelijk wezen; maar ik ben gekomen opdat zij door mij en door hetgeen ik voor haar gedaan heb met mijnen Vader zou worden verzoend, al heeft zij Hem ook door hare zonden tot toorn getergd, en al kan zij langs den weg der wet op geene genade meer hopen.
„Gij spreekt van het onderwerpen dezer stad aan het goede, dat niemand van uwe hand begeert. Ik ben door mijn Vader gezonden om haar zelf te bezitten, en haar te besturen met mijne eigen hand in zulk eene overeenstemming met hem als hem welbehagelijk wezen zal. Daarom wil ik haar zelf hebben; ik zal u onttroonen en uitwerpen, ik zal mijn eigen standaard in het midden van haar planten. Ik zal haar ook regeeren door nieuwe wetten, nieuwe dienaren, nieuwe grondregels en nieuwe instellingen; ja, ik zal deze stad ter nederwerpen en weder opbouwen; men zal haar niet meer herkennen, en zij zal de heerlijkheid der gansche aarde zijn.”
Toen Diábolus dit hoorde en bemerkte, dat hij in al zijn list en bedrog ontdekt was, stond hij daar versuft en als tot het uiterste gebracht; maar daar in zijn binnenste woelde de fontein van ongerechtigheid, woeste kwaadaardigheid en opstand tegen El-Schaddaï en zijn Zoon beiden. Wat kon hij dan anders doen dan zich weder gereed maken om een nieuw gevecht te beginnen tegen den edelen prins Immanuel? Zoo krijgen wij dus weder een nieuw gevecht voor de stad Menschziel te zien. Klimt dan op de heuvelen, gij die gaarne den oorlog aanschouwt of krijgstooneelen bijwoont, en ziet aan beide zijden welke noodlottige slagen daar worden uitgedeeld, terwijl de een zoekt de stad te behouden en de ander er zich van meester te maken.
Diábolus keerde van de wal terug naar zijne grootste sterkte, die hij in het hart der stad Menschziel bezat; Immanuel keerde ook zijn aangezicht naar het leger, en beiden maakten zich ieder op zijne wijze gereed op nieuw slag te leveren.
VERSTAND EN GEWETEN STELLEN EEN VERZOEKSCHRIFT OP.
Diábolus tot het uiterste wanhopig omdat hij de beroemde stad Menschziel niet behouden kon, besloot zooveel nadeel als maar mogelijk was toe te brengen aan het leger van den prins en de stad zelve; want, helaas, het was geenszins het geluk der stad, dat hij bedoelde, maar integendeel haar uiterste verwoesting, dit blijkt duidelijk genoeg. Daarom beval hij ook aan zijne officieren, dat wanneer zij bemerkten, dat zij de stad niet langer houden konden, zij daar zooveel nadeel en verwoesting zouden aanrichten als maar mogelijk was, doende mannen, vrouwen en kinderen weenen. „Want”, Mark. 9 : 26, 27. zeide hij, „’t is beter, dat wij deze plaats met den grond gelijk maken en als een puinhoop achterlaten, dan haar zóo te verlaten, dat zij nog een geschikte woning voor Immanuel is.”
Immanuel daarentegen, wetende, dat de nu volgende worsteling beslissend zou wezen en hij zich dus meester van de stad zou zien, gaf een koninklijk bevel uit aan al zijne officieren, voorname kapiteins en krijgslieden, dat zij zich kloek zouden houden als echte krijgers tegen Diábolus en zijn aanhang, maar dat zij barmhartig, zachtmoedig en vriendelijk moesten wezen jegens de oude inwoners van Menschziel.[22] „Bindt den strijd aan met hem en de zijnen”, zeide de edele vorst, „en laat het heetst van het gevecht op hem aankomen!”
[22] Dit laatste bevel van Immanuel is karakteristiek, en toont hoe Hij den booze en het booze haat, maar den zondaar liefheeft.
DDe bestemde dag gekomen zijnde, werd het bevel gegeven en stonden de mannen van den prins dapper in de wapens en richtten evenals vroeger hunne beste krachten tegen de Oorpoort en Oogpoort. Het wachtwoord luidde: „Menschziel is gewonnen!” Zoo vielen zij dan op de stad aan. Diábolus daarentegen stond hen tegen met zijne beste krachten, en inderdaad zijne grooten en opperhoofden vochten eenigen tijd zeer fel en wreed tegen ’s prinsen leger.
Maar na drie of vier flinke aanvallen door den prins en zijn edele kapiteins werd de Oorpoort opengebroken;[23] de bouten en grendels, waarmede hij was toegemaakt, braken in duizend stukken. Toen klonken de trompetten, juichten de kapiteins, beefde de stad, en trok Diábolus zich in zijn hol terug. Toen nu ’s prinsen leger de poort had opengebroken kwam hij zelf daar en stelde er zijn troon. Hij plantte ook zijn standaard op een berg, dien zijn volk daartoe opzettelijk had opgeworpen en die de heuvel „Ziet toe hoe gij hoort” genoemd werd. Daar hield de prins nu zijn verblijf, te weten dicht bij den ingang der poort. Hij beval ook, dat de gouden slingers nu op de stad zouden worden gericht, en voornamelijk het kasteel zouden bestoken, omdat daar Diábolus en zijn complot zich hadden teruggetrokken. Van de Oorpoort liep de straat regelrecht uit op het huis van den heer griffier, die namelijk griffier was vóor Diábolus de stad innam, en vlak bij zijn huis stond het kasteel, dat Diábolus sedert lang tot zijn verfoeielijk hol gemaakt had. Daarom lieten de kapiteins zeer gezwind die straat schoonvegen door middel van hunne slingers, zoodat hun nu de weg openstond tot het hart der stad. Toen gaf de prins bevel, dat de kapiteins Boanerges, Overtuiging en Oordeel voorwaarts rukken zouden naar het paleis van den ouden edelman en op zijne poort aanvallen. De kapiteins rukten met vliegende vaandels en in volle wapenrusting, de stad Menschziel binnen, om de woning van den griffier Geweten te bestormen, die bijna even sterk was als het kasteel. De stormrammen, die zij bij zich hadden, rammeiden de deuren van het kasteel. Toen zij aan het huis van den heer Geweten gekomen waren, klopten zij aan en vraagden binnengelaten te worden. De oude edelman, niet ten volle hun oogmerk verstaande, hield zoolang het gevecht duurde zijne poorten gesloten. Daarom, nadat Boanerges tevergeefs gevraagd had binnengelaten te worden, zoo liet hij een stoot geven met den kop van een stormram, en deze deed den ouden man beven en zijn huis op de fondamenten schudden. Toen kwam de griffier af naar de poort en vraagde met bevende lippen wie daar waren. Boanerges antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en gezagvoerders van den grooten El-Schaddaï en den gezegenden Immanuel, zijn Zoon, en wij eischen uw kasteel op voor het gebruik van onzen edelen vorst.” Intusschen gaf de stormram de poort nog een stoot. Deze deed den ouden edelman nog meer beven; toen durfde hij niet anders dan de poort openen, en ’s konings krijgsmacht trok binnen, namelijk de drie bovengenoemde kapiteins. Het huis van den griffier was eene zeer gemakkelijke en welgelegen verblijfplaats voor Immanuel, niet alleen omdat het zoo dicht bij het kasteel stond en zoo sterk was, maar ook omdat het zoo groot van omvang was en vlak tegenover Diábolus’ spelonk, waarin hij zich thans had verscholen, niet voor den dag durvende komen. Wat den griffier zelven betrof, de kapiteins hielden voor hem hun voornemen nog bedekt, en het groote doel van Immanuel bleef hem verborgen, zoodat hij niet wist wat hij er van denken moest en wat het einde zou wezen van zulk een donderend krijgsrumoer.[24]
[23] De Oorpoort wordt eerst opengebroken. — Wanneer de Geest des Heeren langen tijd met den mensch geworsteld heeft door de bediening des Woords en de genademiddelen, zoo gaat eindelijk het oor open voor de roepstem van boven. Maar het is Immanuel om het hart te doen en daarom richt Hij zich nu op het middelpunt van ’s menschen wezen.
[24] De oude griffier Geweten is zeer verschrikt en wordt ook niet dadelijk in alle plannen ingewijd. Als het geweten wakker wordt dan vreest het Gods rechtvaardigheid en kan zich niet voorstellen, dat al die vreeselijke oordeelen en schrikkelijke overtuigingen enkel zijn tot behoudenis der ziel.