IMMANUELS FEEST.
Toen zij dan binnenkwamen begroetten zij elkander met een: „Welkom! welkom! en gezegend is hij, die u spaarde!” Zij voegden daarbij: „Wij zien het wel, dat het goed met u afgeloopen is, maar hoe moet het nu gaan met de stad Menschziel? Zal het ook met ons goed afloopen?” Toen antwoordden de heer griffier en de burgemeester: „O, goede tijding! Een blijde boodschap van het goede! Groote vreugde voor de stad Menschziel!” Toen slaakten zij een nieuwen vreugdekreet, die de aarde deed beven. Hierna vraagden zij meer naar de bijzonderheden, hoe het in het leger was toegegaan en welke boodschap zij van Immanuel voor de stad hadden meegekregen. Zoo verhaalden zij hun dan alle voorvallen uit het leger en alles wat de Prins hun gedaan had. Dit maakte, dat de stad zich verwonderde over de wijsheid en genade van vorst Immanuel. Toen verhaalden zij wat zij uit zijne hand ontvangen hadden voor de inwoners der stad, en de griffier sprak luide deze woorden: „Pardon, volkomen vergiffenis voor Menschziel! Menschziel zal dit morgen ochtend te weten komen!” Daarop gaf hij bevel, dat alle lieden van Menschziel morgen ochtend zich op het marktplein vereenigen zouden om dit pardon, deze algemeene schuldvergiffenis, te hooren voorlezen.
Maar wie kan nu zich voorstellen welk eene verandering, welk een geestdrift deze keer der dingen in het voorkomen der stad Menschziel teweegbracht! Geen enkel burger der stad kon dien nacht slapen van louter vreugde; in ieder huis was er vreugde, zang en muziek en allerlei vroolijkheid; elkander het geluk van Menschziel te vertellen en naar deze verhalen te luisteren was al wat een ieder te doen had, en het besluit van dit alles was: „Veel meer dan dit zal de opgaande zon ons nog brengen! Wie had gisteren kunnen vermoeden, dat de dag van heden zulk een dag voor ons zijn zou! En wie had durven denken toen onze gevangenen met ijzeren ketenen beladen uitgingen naar de legerplaats, dat zij met gouden ketenen omhangen zouden wederkeeren! Ja, zij, die zichzelven veroordeelden toen zij zich naar hunnen rechter begaven, werden door zijn eigen mond vrijgesproken, niet omdat zij onschuldig waren, maar door ’s Prinsen barmhartigheid alleen, en met pijpen en trommelen naar huis gezonden. Maar is dit de gewone handelwijze van de vorsten? Zijn zij gewoon zulke gunsten aan verraders te bewijzen? Neen, dit is alleen het werk van El-Schaddaï en Immanuel, zijn zoon.”
De morgen brak dan aan. De heer burgemeester, de heer Vastewil en de heer griffier Geweten kwamen af naar het marktplein op den tijd door den prins bepaald, waar het volk der stad hen reeds stond op te wachten. Toen zij er kwamen waren zij gekleed in die glorierijke gewaden, welke de prins hun den vorigen dag had aangetrokken, en de straat werd door hunne heerlijkheid verlicht. Zij drongen door naar de Mondpoort, die aan het benedeneind der marktplaats was, omdat deze van oude tijden af de plaats was, waar publieke zaken werden behandeld. Zoo stonden zij daar in hunne toga’s en hunne eereteekenen waren voor hen uitgedragen. Nu was de nieuwsgierigheid van het volk groot om de volle beteekenis van het pardon te vernemen.
Toen stond de secretaris recht op zijne
voeten en eerst met de hand gewenkt hebbende
om stilte, las hij met luider stemme
Exod. 34 : 6.
Matth. 12 : 31. de schuldvergiffenis. Maar toen
hij kwam aan deze woorden;
„de Heere, de Heere God, barmhartig en
genadig, vergevende de ongerechtigheid,
de overtreding en zonden. Alle godslastering
en zonde zullen vergeven worden,”
toen konden zij zich niet langer inhouden
van vreugde. Want gij moet weten dat ieder
mensch in de stad in dit pardon begrepen
was, niet één uitgezonderd.
Toen de griffier geëindigd dit gewichtige stuk te lezen draafden de burgers over de muren en wallen[30] al huppelende en springende van blijdschap, en bogen zich zevenmaal op hun aangezicht ter aarde tegenover de tent van Prins Immanuel. Een luide vreugdekreet ging op en al het volk riep: „Dat Immanuel eeuwig leve!” Toen werd aan de jongelieden last gegeven dat zij al de klokken van Menschziel luiden zouden. Zoo luidden dan de klokken en gingen de lofliederen op en klonk de muziek in ieder huis van Menschziel.
Toen de prins de drie gevangenen met vreugde, met trommelen en pijpen naar huis gezonden had, beval hij aan zijne kapiteins met al de legerofficieren en soldaten gereed te wezen op morgen tegen het oogenblik, dat de griffier het pardon had afgelezen om dan naar zijn welbehagen te handelen. Toen nu de morgen gekomen was en de griffier het pardon had voorgelezen, zoo beval Immanuel, dat alle trompetten van het leger zouden worden geblazen, en dat alle vlaggen en vaandels zouden worden geplant, de helft daarvan op den berg Genade en de andere helft op den berg Gerechtigheid. Hij beval ook dat al de kapiteins zich zouden vertoonen in hun volle wapenrusting en dat de soldaten vreugdegejuich zouden aanheffen. En evenmin hield kapitein Geloof, die in het kasteel getrokken was, zich schuil, maar hij vertoonde zich aan den torentrans van het fort met al zijne officieren en muziekanten in volle wapenrusting, zich nu eens wendende naar de stad en dan naar ’s Prinsen legerkamp.
[30] De burgers over de wallen en muren draafden. Bunyan zelf legt in eene noot zijne bedoeling daarmede uit. De wallen beteekenen het vleesch; dit vleesch nu wordt onder den voet getreden, waar de ziel van vreugde over de verlossing overstelpt is. Zoo beduidt ook het klokkeluiden de liefelijke gedachten en lofverheffingen, welke uit de ziel omhoog stijgen. En nu vertoont zich kapitein Geloof in de vesting. Het geloof komt voor den dag, het laat zich zien beiden aan Immanuel en aan de geredde Menschziel.
AAldus heb ik u nu getoond de wijze waarop en den weg waarlangs Immanuel er toe geraakte om die vermaarde stad Menschziel te herwinnen en uit de hand en macht van den reus Diábolus te verlossen.
Toen nu de Prins de uitwendige blijken van vreugde had aan den dag gelegd, beval hij dat zijne kapiteins en hunne manschappen onder de muren van Menschziel een spiegelgevecht zouden houden, en dit deden zij dadelijk. Maar o, met welk eene behendigheid, vaardigheid, nauwkeurigheid en moed voerden deze krijgslieden hunne bewegingen uit voor het oog van Menschziel, dat in stomme bewondering dit spiegelgevecht aanstaarde!
Zij marcheerden vooruit, nu eens allen in éene richting, dan weer tegen elkander in; zij verdeelden zich, openden de gelederen, sloten ze weer; maakten front, vergrootten de gelederen, lieten dan den rechtervleugel naar het front trekken, dan den linker; daarna weder naar de achterhoede — en twintig manoeuvres meer, maar alles met de grootste nauwkeurigheid en sierlijkheid in hunne wendingen en bewegingen. Nooit hadden de lieden van Menschziel zoo iets gezien, daarom klom hunne verbazing ten top. Maar daarna voegde zich daarbij het gebruik maken van hunne wapens in het spiegelgevecht; en toen toonden zij niet minder behendigheid en nauwkeurigheid, en werden niet minder bewonderd ook, beiden door die van de stad en door mij.
Toen deze handeling geschied was kwam de geheele stad Menschziel tot den Prins uit in het leger om hem voor zijne overvloedige genade te danken en hem nederig te smeeken, dat hij nu met hen wilde medegaan naar Menschziel en daar voor altijd zijne residentie houden. Zij deden dit op de nederigste manier, zich zeven maal voor hem ter aarde buigende. Toen zeide hij: „Vrede zij ulieden!” en nader tredende raakten zij de punt van zijn gouden schepter aan. Daarop smeekten zij: „O, dat vorst Immanuel met zijne kapiteins en krijgslieden voor altijd in Menschziel wilden wonen, en dat zijne slingers en stormrammen binnen in haar mochten worden opgesteld ten dienste van den Prins en tot versterking van Menschziel. Want,” zeiden zij, „wij hebben ook plaats voor uwe oorlogswerktuigen en overvloedige ruimte om een magazijn van krijgsvoorraad op te richten. O, doe dat, Immanuel, en gij zult voor eeuwig ons tot een koning en een hoofd wezen. Ja, regeer gij naar al de begeerte uwer ziel en maak gouverneurs en vorsten uit uwe kapiteins en oorlogsmannen, wij willen uwe knechten zijn en uwe wetten zullen ons in alles besturen.”
Zij voegden daar nog meer bij en baden zijne majesteit daar toch wel bijzonder op te letten, „want,” zeiden zij, „indien nu, na al die genade, welke gij ons bewezen hebt, uwe arme stad Menschziel weer door u en uwe kapiteins zou worden verlaten, wanneer gij nu van ons weggingt, nu gij ons zooveel weldadigheid hebt bewezen en ons zooveel barmhartigheid getoond, wat zal daar dan anders op volgen, dan dat het zou worden alsof onze vreugde nooit bestaan had, en onze vijanden zullen opnieuw terugkeeren en ons nog woedender aanvallen dan in het eerst. Daarom smeeken wij u, o gij begeerlijke onzer oogen en kracht en leven van onze arme stad, neem onze gelofte aan, waar wij u als onzen heer uitroepen en kom in het midden van ons wonen; laat ons uw volk zijn. Bovendien, heer, wij weten het niet, maar het kan wezen dat nog vele Diábolusmannen de stad bespieden, en zij zullen ons verrassen wanneer gij ons zult verlaten hebben, en ons weder in de handen van Diábolus overgeven. Wie weet welke voornemens, complotten of samenspanningen alreeds onder hen plaats hebben! O, dat wij toch nooit weder in hunne handen vallen. Laat het u daarom behagen ons paleis als uwe residentie te aanvaarden en de beste huizen der stad tot een woonplaats voor uwe mannen.”
Toen zeide de Prins: „Als ik in uwe stad kom, wilt gij dan toelaten, dat ik alles doe wat ik in mijn hart heb tegen mijne en uwe vijanden? Ja, wilt gij mij helpen in hetgeen ik daartoe onderneem?”
Zij antwoordden: „Wij weten niet wat wij doen zullen, wij hadden eertijds ook niet gedacht, dat wij zulke verraders jegens El-Schaddaï worden zouden als wij bewezen hebben te zijn. Wat zullen wij daarom thans tot mijnen Heer zeggen? Laat hem geen vertrouwen stellen in zijne heiligen; maar laat hem wonen in ons kasteel en van onze stad eene vesting maken; laat hem zijne edele kapiteins en zijne krijgshaftige soldaten over ons zetten; ja, laat hem ons overwinnen door zijne genade, en dan zal hij voorzeker met ons zijn, en ons helpen zooals hij dat deed op dien dag en dien morgen toen ons pardon ons voorgelezen werd. Wij zullen instemmen daarmede, onze heer, en met al uwe wegen, en zullen met uw woord de machtigen aanvallen.
„Nog éen woord en uwe knechten hebben uitgesproken, en zullen hierin mijn Heer niet meer lastig vallen. Wij kennen de diepte der wijsheid van u, onzen vorst, niet. Wie is er, die met reden zou hebben kunnen denken, dat uit al die bittere beproevingen, waarmede wij beproefd geweest zijn, zulk eene zoetigheid zou voortvloeien als wij nu genieten! Maar, Heer, laat uw licht voor ons henengaan en uwe liefde ons achtervolgen: ja, neem ons bij de hand en leid ons door uwen raad en laat die ons altijd bijblijven, opdat alles ten beste van uwe knechten uitloope; en kom in ons Menschziel en doe er wat u behaagt. O, heer, kom tot ons Menschziel, doe er wat u behaagt, als ge ons maar bewaart voor de zonde en Uwe Majesteit leert dienen!”
Toen zeide de Prins tot de stad Menschziel: „Ga heen, keer terug naar uwe woning in vrede. Ik zal volgaarne al uwe begeerten inwilligen; ik zal mijne koninklijke tent verlaten, ik zal morgen mijn leger van voor de Oogpoort doen oprukken en zal de stad Menschziel binnenrijden. Ik zal zelf bezit nemen van uw kasteel en zal mijne soldaten over u stellen; ja ik zal nu dingen doen in Menschziel, die nooit bij eenige natie, landstreek of koninkrijk gebeurd zijn onder den wijden hemel.”
Toen slaakten de mannen van Menschziel een vreugdekreet en keerden in vrede naar hunne woningen terug. Daar vertelden zij aan hunne kinderen en vrienden al het goede, dat Immanuel beloofd had aan Menschziel te doen. „En morgen,” zeiden zij, „zal hij onze stad binnenrijden en maken woningen bij ons in Menschziel.”
Toen gingen de inwoners van Menschziel met groote haast naar buiten naar de groene boomen en weiden om takken en bloemen te verzamelen, ten einde die op de straten te strooien hun koning tegemoet; ze maakten ook guirlandes en andere versieringen om hunne vreugde aan den dag te leggen en hunnen Immanuel waardig te ontvangen, ja zij strooiden de gansche straat vol van de Oogpoort tot de deuren van het kasteel, de plaats, waar de prins wonen zou. Ook bereidden zij voor zijne komst de beste muziek, die de stad bijeenbrengen kon om voor hem bij zijnen intocht te spelen.
Op den bepaalden tijd deed hij dus zijne intrede in Menschziel en werden de poorten voor hem opengezet; daar wachtten ook de oudsten en bestuurders van Menschziel hem op ten einde hem duizendmaal welkom te heeten. Hij stond dan op en ging Menschziel binnen, hij en al zijne dienaren. De oudsten gingen huppelende voor hem uit tot zij aan de poorten van het kasteel waren genaderd. De Prins was gekleed in zijn gouden wapenrusting; hij reed op zijn koninklijken wagen, de trompetten klonken rondom hem, de vlaggen waren ontplooid; zijne tienduizenden volgden hem op den voet en de oudsten van Menschziel gingen voor hem uit. En nu waren de muren van die vermaarde stad opgevuld met de inwoners, die zich daar verzamelden om de nadering van den Prins aan het hoofd van zijn koninklijk leger gade te slaan. Evenzoo waren alle vensters, balkons, ja zelfs de daken der huizen gevuld met lieden van allerlei stand en leeftijd, om het goede te aanschouwen wat hunne stad te beurt viel.
Toen hij nu de stad was binnengetrokken tot op de hoogte van het huis van den griffier, gaf hij bevel, dat iemand naar kapitein Geloof zou gaan om te vragen of het kasteel gereed was gemaakt tot de ontvangst (want de toebereidselen aldaar waren opgedragen aan dezen kapitein). Hand. 15 : 9. Daarom werd nu ook aan kapitein Geloof gelast, dat hij met zijne strijdmacht naar buiten zou komen om zijn vorst te ontmoeten, en volgens dat bevel werd ook gedaan. Zoo geleidde hij hem dan in het kasteel. Daarna logeerde de Efez. 3 : 19. Prins dien nacht daar binnen met al zijne machtige kapiteins en oorlogsmannen tot groote vreugde der stad Menschziel.
De eerste bezigheid van de lieden der stad was nu zorg te dragen, dat de kapiteins en krijgslieden van ’s prinsen leger onder hen zouden worden ingekwartierd. Niemand zocht zich er van af te maken, maar integendeel ieder had spijt, dat hij er nog niet meer kon bergen: want elke burger van Menschziel had zooveel achting voor Immanuel en zijne mannen, dat niets hem meer griefde dan dat hij het gansche leger niet herbergen kon. Zij rekenden het eene eer hen te mogen verzorgen, en wilden hen gaarne op hunne wenken bedienen alsof zij hunne lijfknechts waren geweest.
Ten laatste werd het aldus bepaald: kapitein Onschuld zou worden ingekwartierd bij den heer Rede; kapitein Geduld zou wonen bij den heer Gemoed. Deze heer Gemoed was eertijds Vastewils klerk geweest, namelijk tijdens den opstand. Verder werd besloten, dat kapitein Liefde zou verblijf houden bij den heer Genegenheid; dat kapitein Goede Hoop zou worden ingekwartierd bij den Burgemeester. Wat het huis van den griffier aangaat, hij zelf begeerde dat de kapiteins Boanerges en Overtuiging zich daar zouden vestigen, aangezien hij zoo vlak bij het kasteel woonde, en door den prins was verordend, dat ingeval het noodig worden mocht alarm te slaan in de stad Menschziel, dit dan van hem zou uitgaan. In zijn groot paleis logeerde hij bovendien hunne manschappen.
Wat de kapiteins Oordeel en Strafoefening
aangaat, de heer Vastewil nam Rom. 6 : 19.
Efez. 3 : 17.
hen en hunne mannen tot zich,
omdat hij onder het oppergezag van den
Prins voor het welzijn der stad had te zorgen,
evenals hij van tevoren onder den
tiran Diábolus aan haar verderf had medegeholpen.
Zoo werden ook de overige troepen
van Immanuels gevolg in de stad gehuisvest;
maar kapitein Geloof bleef met
zijn volk voortdurend in het kasteel.
HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS VERGRUISD TOT STOF.
Nu meenden de oudsten en hoofden van Menschziel, dat zij zich nooit van den Prins zouden kunnen verzadigen; zijn persoon, zijne woorden, zijne handelingen waren zoo bekoorlijk, zoo begeerlijk en aantrekkelijk voor hen, dat zij hem baden toch niet altijd binnen de muren van het kasteel te vertoeven, maar ook dikwijls hunne straten te bezoeken. „Want,” zeiden zij, „geliefde Opperheer, uwe tegenwoordigheid, uw glimlach, uw blikken, uwe woorden zijn het leven, de kracht, de zenuwen der stad Menschziel.”
Benevens dit begeerden zij ook, dat zij zonder ophouden of bezwaren toegang mochten hebben tot zijn persoon, waarom hij beval, dat de poorten zouden openstaan, opdat zij telkens mochten kunnen zien wat daar plaats had en het koninklijk paleis ongehinderd konden binnentreden. Wanneer hij sprak dan hielden allen zich stil om naar hem te luisteren, en als hij wandelde, dan was het hun een genot zijne voetstappen na te treden.
Nu maakte op zekeren tijd Immanuel een feest voor de mannen van Menschziel, en op den feestdag kwam al het stadsvolk naar het kasteel om deel daaraan te nemen. De maaltijd bestond uit allerlei buitenlandsche gerechten — een spijze, die niet op de akkers van Menschziel groeide, noch in het gansche koninkrijk het Heelal — ’t was eene spijze die van zijns Vaders hof kwam. Zoo werd dan disch na disch bezet en toegericht en ieder mocht vrijelijk eten. Maar telkens als nieuwe gerechten werden opgedragen, zeiden zij tot elkander: „Wat is dit?” want zij wisten niet hoe zij het noemen zouden. Zij dronken ook van het water, dat wijn geworden was en waren zeer vroolijk met hem. Daar was muziek al den tijd, dat zij aan tafel zaten, en men Ps. 78 : 24, 25. at het brood der engelen en honig, die uit den rotssteen was gedropen. Zoo at Menschziel de spijze, die bijzonder voor het hof bestemd was, ja zij hadden daarvan overvloed.
Ook moet ik niet vergeten u te vertellen, dat er muzikanten bij den maaltijd tegenwoordig waren, die evenmin uit de stad Menschziel hun afkomst hadden noch uit heel dien omtrek; zij waren opperzangmeesters aan het hof van koning El-Schaddaï.
Nadat nu de maaltijd was afgeloopen onderhield Immanuel zich nog langen tijd met zijne gasten. Hij gaf hun moeielijke raadselen op of geheimzinnige uitspraken door zijns Vaders secretaris opgesteld; dergelijke zijn nog nooit in eenig koninkrijk gemaakt omdat niemand El-Schaddaï evenaart in wijsheid en verstand. Vele van deze raadsels waren gemaakt op koning El-Schaddaï zelf en op zijn zoon, tevens betrekking hebbende op zijne oorlogen met Menschziel.
Immanuel zelf legde hen eenige van die raadselen uit; maar o wat werden zij toen verhelderd in het verstand! Zij zagen wat zij nimmer hadden gezien; zij hadden zich niet kunnen verbeelden, dat zooveel diepe zaken verborgen lagen onder enkele zoo eenvoudige woorden. Ik zeide u reeds wien deze raadselen betroffen, en als zij uitgelegd waren dan zag ieder duidelijk in dat het zoo was. Ja het gebeurde ook wel, dat de zaken zoo duidelijk en klaar waren, dat er geene uitlegging bij noodig was, maar dat zij alleen Immanuel behoefden aan te zien om geheel achter de beduidenis te komen. Zij wenkten dan ook reeds elkander toe, en konden niet nalaten te zeggen: „Dat is het lam:” „Hij zelf is het offer.” „Hij is de rots! Daar is de roode vaars! Dat is de deur en dat is de weg!” en zoo nog veel meer.
Daarna liet hij de inwoners van Menschziel gaan. Maar niemand kan zich verbeelden hoe dat volk met deze behandeling was ingenomen! O, zij waren overstelpt van vreugde; zij waren dronken van bewondering toen zij zagen en begrepen wat hun Immanuel voor hen was, en welke geheimen hij hun ontsloot. En toen zij tehuis kwamen en in hunne eenzaamheid teruggekeerd waren konden zij niet anders, dan van zijne daden zingen, ja zelfs zóo waren zij van hem vervuld, dat zij in hunnen slaap zijn lof zongen.
Nu was het in het hart van den prins Immanuel om de stad Menschziel te vervormen en haar zulk een voorkomen te geven als hem het meest behaagde en ook het meest dienstig was tot versterking en verfraaiing. Hij voorzag ook tegen invallen van buiten of verraad van binnen, alles uit liefde voor Menschziel.
Ten eerste gebood hij nu, dat de slingers, die hij van zijns Vaders hof had meêgebracht toen hij den oorlog tegen Menschziel ondernam, op de borstweringen van het kasteel en op de torens gezet werden, want hij had ook verscheidene torens laten bouwen. Ook had hij zelf een instrument uitgevonden, dat met bijzondere juistheid steenen wierp uit het kasteel en uit de Mondpoort; een onweerstaanbaar krijgswerktuig, dat altijd doel trof. Het droeg geen naam, maar werd aan kapitein Geloof toevertrouwd om er in buitengewone gevallen gebruik van te maken.
ZINNELIJKE LUST WORDT NAAR DE RECHTBANK GEVOERD.
Toen dit gedaan was riep hij den heer Vastewil tot zich en gaf hem het bevel over de poorten, de wallen en de torens der stad. Ook stelde hij het staande leger onder zijn gezag met bijzonderen last om te waken tegen alle oproer en opschudding, die den vrede van onzen koning en van de goede stad Menschziel zou kunnen storen. Evenzeer gaf hij hem in last, dat als hij sommigen der Diábolusmannen in eenigen hoek der stad verborgen vond, hij dan aanstonds de hand aan hen slaan moest of hen in verzekerde bewaring nemen, opdat zij naar de wet mochten worden gestraft.
Toen riep hij den heer Verstand tot zich, den ouden burgemeester, die dadelijk uit zijn ambt was ontzet toen Diábolus de stad innam. Hij herstelde hem nu in zijn ambt en wel voor zijn leven. Hij verzocht hem ook een paleis voor zich te bouwen vlak bij de Oogpoort, en dan moest het een sterk paleis zijn op de manier van een toren ter verdediging. Hij verzocht hem daarbij de boeken der openbaring en uitlegging der mysteriën al zijne levensdagen ijverig na te lezen, opdat hij zijn ambt waardiglijk mocht bekleeden.
Hij maakte ook den heer Kennis tot secretaris of griffier,[31] niet om den ouden edelman Geweten te verstooten, maar omdat hij voor dezen een beter ambt had, dat hij hem later zou opdragen.
Toen beval hij dat het beeld van Diábolus zou weggenomen worden van de plaats waar het opgesteld was, en dat zij het volkomen moesten vernielen, het tot puin vergruizen en dan naar alle winden verstrooien buiten de muren der stad. Maar het beeld van El-Schaddaï zijn vader moest weder worden opgericht en nevens het zijne op de poort van het kasteel geplaatst. Het moest sierlijker gemaakt worden dan ooit tevoren aangezien zijn vader en hij thans in meerdere genade dan eertijds tot de stad Menschziel Openb. 22 : 4. gekomen waren. Hij wilde ook dat zijne naam duidelijk zou worden gegraveerd op de buitenmuur der stad, en wel in het fijnste goud ter eere van Menschziel.
[31] Kennis wordt griffier, terwijl het Geweten een hoogeren post bekomt. Kennis is het geheugen de herinnering der ziel. Jezus zegt: „Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eeuwigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3.
Nadat dit alles geschied was gaf Immanuel last, dat die drie groote Diábolusmannen gevat zouden worden, welke zooveel ellende hadden aangericht; te weten de twee burgemeesters Ongeloof en Zinnelijke Lust met den secretaris Goedvergeter. Benevens hen waren er nog enkelen, die Diábolus tot edellieden en eereburgers in Menschziel gemaakt had, die door de hand van den nu zeer ijverigen en getrouwen heer Vastewil werden gevat.
Hier zijn hunne namen: Jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en Jonkheer Valsche Vrede. De eereburgers waren de heeren Zonder Waarheid, Zonder Medelijden, en Hoogmoed. Deze werden in de gevangenis gezet en de naam van den cipier was Waarachtig. Deze Waarachtig was een dergenen, die Immanuel mede gebracht had van zijns vaders hof, toen hij den oorlog tegen Menschziel aanving.
Hierna gaf de Prins bevel, dat de drie sterkten, die op aanstoken van Diábolus door zijne mannen in Menschziel gebouwd waren, moesten worden afgebroken en geheel vernield. Van deze sterkten, hare namen en gouverneurs hebt gij reeds tevoren gelezen. Maar dit werk ging langzaam wegens de grootte dier vestingen en de steenen, het ijzer en lood, dat er aan was. Het duurde lang eer al dat puin was opgeruimd.
TToen dit alles geschied was gaf de Prins bevel, dat de Burgemeester en de raadsleden van Menschziel een gerechtshof zouden samenroepen om de Diábolusmannen, welke in preventieve gevangenis zaten onder bewaring van den cipier Waarachtig te vonnissen.[32]
Toen nu de tijd daar was en het gerechtshof gezeten, werd aan den cipier Waarachtig bevel gegeven de gevangenen voor de balie te brengen, hetgeen ook geschiedde. Volgens de gewoonten van Menschziel werden zij voorgebracht met ketenen beladen. Daar zaten de Burgemeester, de Griffier en de gansche achtbare vergadering. Eerst werd de jurie gekozen en daarna werden de getuigen bezworen. De namen der jurieleden waren deze: de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief, Goede werken, IJveraar voor God en Ootmoedig.
De namen der getuigen waren: de heeren Allesweter, Waarheidspreker, Leugenhater en de heer Vastewil met zijne mannen, als er nog meer noodig mochten zijn.[33]
Zoo werden dan de gevangenen voor de balie gebracht en sprak de heer Doe-recht (want hij was de stadsklerk): „Brengt Godverzaker vóor, cipier!” Godverzaker trad vooruit. Toen zeide hij tot hem: „Hef uwe hand op. Gij staat hier bekend onder den naam van Godverzaker, een indringer in de stad Menschziel, omdat gij boosaardig en onbeschaamd hebt gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en dat diensvolgens ook alle godsdienst overbodig is. Dit hebt gij gedaan tegen de eer en heerlijkheid van den koning en tegen den vrede en de veiligheid der stad Menschziel. Wat hebt gij hiertegen in te brengen? Zijt gij schuldig aan hetgeen u ten laste gelegd is of niet?”
Godverzaker: „Niet schuldig.”
De klerk: „Roep de getuigen, de heeren Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater binnen.”
[32] Het gericht en de terechtstelling der Diábolus-mannen. Het onderscheid moet nooit uit het oog worden verloren tusschen de ingeborenen der stad en degenen, die Diábolus medebracht bij zijnen intocht. De eersten kunnen worden vernieuwd en wedergeboren; de laatsten moeten worden gedood en uitgedreven.
[33] De drie getuigen Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater slaan terug op onzen vorm van getuigenis afleggen: 1e de waarheid — 2e de volle waarheid — 3e niets dan de waarheid.
HET VERHOOR VAN HARDHART.
En ze kwamen binnen.
Toen zeide de klerk: „Gij getuigen voor den koning, ziet dezen gevangene, die hier voor de rechtbank staat, aan, kent gij hem?”
Daarop antwoordde heer Allesweter: „Ja, heer, wij kennen hem. Zijn naam is Godverzaker; hij is jarenlang een zeer gevaarlijk en verleidelijk persoon geweest in de stad Menschziel.”
De klerk. „Zijt gij er wel zeker van, dat gij hem kent?”
Allesweter. „Hem kennen! Ja, mijnheer. Ik ben vroeger maar al te dikwerf in zijn gezelschap geweest dan dat ik hem nu niet kennen zou. Hij is een Diábolusman en de zoon van een Diábolusman. Ik ken beiden, zijn vader en zijn grootvader.”
De klerk. „Zeer wel; hij is aangeklaagd onder dezen naam en wordt beschuldigd te hebben gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en dat men dus ook met godsdienst zich niet moet bezighouden. Wat zegt nu gij, getuigen des konings, is hij schuldig of niet?”
Allesweter. „Mijnheer, hij en ik waren eens in de Ondeugdstraat bij elkaêr en hij sprak toen zeer openlijk over allerlei meeningen en gevoelens. Daar hoorde ik hem toen zeggen, dat hij, wat hem betreft, volstrekt niet gelooft dat er een God is. „Maar,” voegde hij er bij, „daarom kan ik mij toch wel houden of ik het geloof en, al naar het gezelschap, waarin ik mij bevind, mij meer of minder godsdienstig aanstellen.””
De klerk. „Gij zijt er toch wel zeker van dat hij dat gezegd heeft?”
Allesweter. „Op den eed, dien ik gezworen heb, hij heeft dat gesproken.”
Toen zeide klerk: „Gij, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij als ’s konings getuige hierbij te voegen?”
Waarheidspreker. „Mijnheer, ik was eertijds een groot vriend en metgezel van hem, hetgeen mij thans meer spijt dan ik zeggen kan, en ik heb hem zeer dikwijls met grooten ophef hooren zeggen dat er geen God is, noch engel, noch geest.”
Klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”
Waarheidspreker. „In de Zwartmondstraat en in de Godslasteraarsgang, en o, op nog zooveel andere plaatsen!”
De klerk. „Weet gij nog meer van hem?”
Waarheidspreker. „Ik ken hem als een Diábolusman en als de zoon van een Diábolusman, die verschrikkelijk was in zijne ontkenning der Godheid. Zijns vaders naam was Nimmergoed, die ook nog meer kinderen had dan dezen Godverzaker. Meer heb ik niet te zeggen.”
De klerk. „Mijnheer Leugenhater, zie gij den gevangene aan. Kent hij hem?”
Leugenhater. „O, ja, mijnheer, deze Godverzaker is een van de snoodste boeven, die ik ooit ontmoet heb. Ik heb hem hooren zeggen, dat er geen God is; ik heb hem ook hooren zeggen, dat er geene toekomende wereld is, noch zonde, noch strafoefening hiernamaals. Bovendien heb ik hem de uitdrukking hooren doen, dat het even goed is een huis der ontucht te bezoeken als eene preek te gaan hooren.”
De klerk. „Waar hoordet gij hem deze dingen zeggen?”
Leugenhater. „In de Dronkaardstraat, juist naast het Ratelsteegje, in het huis van meester Goddeloosheid.”
De klerk. „Zet hem weer vast, cipier, en laat Zinnelijke Lust voor het gerecht verschijnen.” — En zich tot dien persoon wendende ging hij voort: „Zinnelijke Lust, gij zijt hier onder dezen naam aangeklaagd, als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij op een duivelsche en verraderlijke wijze door uwe vuile handelingen en vuile woorden anderen geleerd hebt, dat het voor een mensch geoorloofd en zelfs nuttig is aan zijne vleeschelijke lusten toe te geven, en dat gij, wat u aangaat, uzelven, noch uw zondig vermaak ooit hebt verloochend en dat ook nooit doen zoudt zoolang uw naam Zinnelijke Lust is. Wat zegt gij daarop? Zijt gij schuldig of onschuldig?”
Toen antwoordde Zinnelijke Lust: „Mijnheer, ik ben een man van hooge afkomst en ben gewoon aan vermaak en weelde. Ik ben niet gewoon mij in mijne handelingen te laten dwingen of regeeren, maar volg steeds mijn wil als eene wet. Het komt mij zelfs vreemd voor, dat ik heden ter verantwoording word geroepen voor datgene wat niet alleen ik, maar verreweg de meeste menschen doen, en ’t zij in het openbaar of in het verborgen meestal wordt toegestemd en goedgekeurd.”
De klerk. „Heerschap, aan uw hooge afkomst is ons niets gelegen, ofschoon dit tegen u pleit, want hoe hooger hoe beter gij hadt moeten zijn; maar wat ons nu bezig houdt is de beschuldiging tegen u ingebracht. Wat zegt gij daarvan? Zijt gij schuldig of niet?”
VALSCHE-VREDE, ZIJN VADER, MOEDER EN BETREKKINGEN.
„Niet schuldig!” zeide hij.
De klerk. „Roep dan nu weer de getuigen opdat zij hunne getuigenis afleggen. Gij, getuigen des konings, wat hebt gij in te brengen tegen dezen mensch? Eerst gij, Allesweter, kent gij hem?”
Allesweter. „Ja, mijnheer, ik ken hem. Zijn naam is Begeerlijkheid. Hij was de zoon van zekeren Dierlijk of Beestachtig, en zijne moeder baarde hem in de Vleeschstraat, zij was de dochter van zekeren Boozelust. Ik ken zijn gansche geslacht.”
De klerk. „Goed. Gij hebt zijne aanklacht gehoord. Wat zegt gij daarvan? Is hij schuldig aan hetgeen hem te laste wordt gelegd?”
Allesweter. „Mijnheer, hij is inderdaad een groot man zooals hij gezegd heeft en duizendmaal grooter in goddeloosheid dan van afkomst.”
De klerk. „Maar wat weet gij van zijne bijzondere daden en handelingen?”
Allesweter. „Ik weet, dat hij een leugenaar is, een vloeker, een sabbatschender, een echtbreker en een onkuische. Ik ken hem als schuldig aan eene menigte ongerechtigheden. Hij is een zeer snood mensch.”
De klerk. „Maar waar was hij gewoon zijne ongerechtigheden te bedrijven? In een of anderen verborgen hoek of openbaar en met schaamteloosheid?”
Allesweter. „Door de gansche stad, mijnheer.”
De klerk. „Kom, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij voor onzen koning te zeggen tegen dezen gevangene?”
Waarheidspreker. „Al wat de eerste getuige gezegd heeft weet ik waar te zijn en nog veel meer daarbij.”
De klerk. „Meester Begeerlijkheid, hoort gij wat deze heeren zeggen?”
Zinnelijke Lust. „Ik was altijd van oordeel, dat het gelukkigste leven, hetwelk een mensch leiden kon op deze aarde, was zich in niets te bedwingen wat de begeerte van zijn hart hem opgeeft. Ik ben nooit aan deze mijne opinie ontrouw geweest, maar heb daarin al mijne dagen geleefd. Daarbij was ik nooit zoo hardvochtig, dat wat ik voor mijzelven zoet vond, ik dit anderen zou hebben verboden.”
Toen zeide het hof: „Er is genoeg uit zijn eigen mond om hem te veroordeelen. Men brenge hem weg, cipier, en brenge Ongeloof voor.”
Ongeloof werd voor de rechters gesteld.
„Meester Ongeloof,” zeide de klerk, „gij zijt hier bij dien naam aangeklaagd als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij goddelooslijk, toen gij overste in deze stad waart, u tegen den koning El-Schaddaï hebt verzet als hij kwam om de stad op te eischen, ten einde die weder in zijn bezit te krijgen. Ja, gij hebt u tegen den naam, de legermacht en de zaak des konings gesteld, en handeldet eveneens als Diábolus, uw hoofdman; gij hebt de stad oproerig gemaakt en u met alle macht tegen den koning verweerd. Wat zegt gij op deze beschuldiging? Zijt gij schuldig of niet?”
Toen zeide Ongeloof: „Ik ken El-Schaddaï niet; ik heb mijn ouden vorst lief; ik rekende het mijn plicht getrouw te wezen in het mij toevertrouwde werk, en te doen al wat in mijn vermogen was om den geest der mannen van Menschziel op te zetten tegen vreemdelingen en gelukzoekers, tegen wie ik gevochten heb voor mijnen heer. Ook ben ik daarin nog niets veranderd en zal ook niet veranderen uit vrees of onrust omdat gij op dit oogenblik bezit genomen hebt van de stad en hare sterkten.”
Toen sprak het hof: „De man is, zooals gij ziet, onverbeterlijk; hij houdt met groote onbeschaamdheid zijne ongerechtigheid staande en belijdt zijn opstand onbewimpeld; daarom: breng hem weg, cipier, en breng Goedvergeter voor.”
Goedvergeter verscheen voor het gerecht.
De klerk. „Meester Goedvergeter, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij, toen al de zaken van Menschziel in uwe handen berustten, ten eenenmale vergeten hebt die ten goede te besturen, maar u hebt gevoegd bij Diábolus, om tegen koning El-Schaddaï en zijne kapiteins partij te kiezen. Uw gedrag was tot oneer van dien koning en tot verguizing zijner wetten, terwijl gij daardoor Menschziel aan den rand van haren ondergang bracht. Wat zegt gij hierop, zijt gij hieraan schuldig of niet?”
Toen antwoordde deze persoon: „Gij edelen en heeren, te dezer tijd mijne rechters, wat de aanklacht betreft, waarbij ik dusdanig beschuldigd word, schrijf toch goedgunstig mijne vergeetachtigheid toe aan mijnen ouderdom en niet aan boos opzet; aan de zwakheid mijner hersenen en niet aan de onverschilligheid van mijn gemoed. Wanneer gij dat doet, zal uwe goedheid, ofschoon ik schuldig ben, mij wel niet al te zwaar straffen.”
Hierop gaf het hof tot wederantwoord: „O, Goedvergeter, Goedvergeter! uwe vergeetachtigheid kwam niet slechts voort uit zwakheid, maar zij was opzettelijk, gij waart maar al te zeer ongenegen goede en deugdzame dingen in uw geheugen te bewaren. Wat kwaad was kondt gij wèl onthouden, maar aan het goede kondt gij zelfs niet denken. Gij zoekt u van uwen ouderdom en voorgewende zwakheid te bedienen en het hof te verblinden en uwe misdaden te bemantelen en te bedekken. Maar laat ons eens hooren wat ’s konings getuigen tegen u te zeggen hebben. Getuigen, is hij schuldig of niet?”
Leugenhater. „Mijnheer, ik heb dezen Goedvergeter hooren zeggen, dat hij het nooit zelfs een kwartier lang uithouden kon aan het goede te denken.”
De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”
Leugenhater. „In de Ondeugdstraat, in de woning, waarnaast de Toegeschroefde Conscientie uithangt.”
De klerk. „Mijnheer Allesweter, wat kunt gij zeggen tegen dezen gevangene?”
Allesweter. „Mijnheer, ik ken dezen boozen man wel. Hij is een Diábolusman en zijn vader was dat ook. Deze heette Nietsbeminnaar, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat de gedachte aan het goede alleen hem de zwaarste last was, die in de wereld te dragen valt.”
De klerk. „Waar hebt gij hem dit hooren zeggen?”
Allesweter. „In de Vleeschstraat tegenover de kerk.”
Toen zeide de klerk: „Kom gij nu, Waarheidspreker, en geef getuigenis tegen dezen gevangene omtrent hetgeen, waarvoor hij hier terecht staat voor dit eerwaarde hof.”
Waarheidspreker. „Mijnheer, ik heb hem hooren zeggen, dat hij liever aan de vuilste dingen dacht dan aan hetgeen in de Heilige Schriftuur staat.”
OPGEBLAZEN VERDEDIGT ZICHZELVEN.
De klerk. „Waar hoordet gij hem deze schandelijke woorden spreken?”
„Waar? In verscheidene plaatsen, maar vooral in de Vuilsteeg, in het huis van Schaamteloos, waar de Verworpeling uithangt, naast de herberg, die den naam draagt: „de Ingang tot den afgrond.”
Het hof sprak hierop: „Mijne heeren, gij hebt de beschuldiging gehoord en het getuigenverhoor. Cipier, breng Hardhart nu voor.” En dit geschiedde.
De klerk. „Meester Hardhart, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in deze stad Menschziel, omdat gij de gansche stad met de jammerlijkste onboetvaardigheid en verharding bezet hebt, haar terughoudende van alle verbrijzeling en droefheid over hare zonden, gedurende al den tijd dat zij van den gezegenden koning El-Schaddaï afgevallen was en tegen hem in opstand heeft geleefd. Wat zegt gij op deze aanklacht, zijt gij hieraan schuldig of niet?”
Hardhart antwoordde: „Ik beken, mijne heeren, dat ik zoolang ik leef niet geweten heb wat verbrijzeling of droefheid beduidt. Ik ben onaandoenlijk; ik geef om niemand; ook kan ik door menschelijke smarten niet worden gekweld; hun treurigheid noch jammerklacht dringt in mijn hart door. Als ik iemand kwaad doe of beleedig, is het voor mij muziek zijn kermen en klagen te hooren.”
Het hof sprak: „Gij ziet, dat deze mensch een rechte Diábolusman is en zichzelven duidelijk heeft uitgesproken. Breng hem weg, cipier, en laat Valsche Vrede voorkomen.”
„Valsche Vrede, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op eene goddelooze ja, duivelsche manier haar, terwijl zij in afval en helschen opstand tegen haren koning leefde, in een valschen, gevaarlijken, ja, verdoemelijken vrede hebt gebracht en gehouden, een stille gerustheid, die den koning tot oneer strekt, zijne wet bespot en groote schade en nadeel werkte voor Menschziel. Wat zegt gij hierop? Zijt gij daaraan schuldig of niet?”
Valsche Vrede antwoordde daarop: „Edele heer en gij allen, die nu als rechters over mij zit, ik beken dat mijn naam Vrede is, maar dat ik Valsche Vrede zou heeten, ontken ik ten sterkste. Indien mijne heeren gelieven te vernemen bij al degenen, die mij kennen en bij mijne geboorte en naamgeving tegenwoordig waren, zoo zullen zij allen getuigen, dat mijn naam niet Valsche Vrede maar Vrede is. Om die reden kan ik tegen deze aanklacht niets inbrengen, dewijl daarin mijn naam niet is genoemd. Mijn karakter is overeenkomstig mijn waren naam. Ik ben altijd een man geweest, die lust had in vrede en lust te leven en hetgeen ik zelf beminde, dacht mij ook voor anderen goed. Daarom als ik eenige mijner vrienden in moeite zag of met groote onrust worstelend, zoo heb ik getracht hen tot vrede te brengen zooveel ik kon. Ik zou dit mijn gehouden gedrag kunnen ophelderen. Toen onze stad zich eerst begon af te keeren van de wegen van El-Schaddaï en eenigen bij zichzelven onrust waren over hetgeen zij gedaan hadden, heb ik dadelijk als iemand, die met de ongerustheid van een ander medelijden heb, getracht een middel uit te vinden om hen weder gerust te stellen. Toen de wegen der oude wereld en van Sodom nog bestonden, en er iets voorviel, dat hen, met de gewoonten van die tijden instemmende, hinderde, was ik ook dadelijk aan het werk om hen weder te bedaren, en maakte, dat zij hunnen handel weder voortzetten konden zonder onrust of overlast. Toen de oorlog eerst begon tusschen El-Schaddaï en Diábolus waren er nu en dan ook eenigen benauwd en vreesden het verderf van Menschziel. Maar ik heb door goede raadgevingen en allerlei middelen getracht hen weder tot vrede te brengen.
„Derhalve, omdat ik ten allen tijde een man geweest ben van zulk een goedaardigen inborst, met éen woord een vredemaker, (en een vredemaker is volgens het oordeel van sommigen toch een zeer goed mensch), zoo verzoek ik u, mijne heeren, die den naam draagt van voor de gerechtigheid en billijkheid van Menschziel in te staan, toch door uw hof beschouwd te worden als iemand, die niet verdient onmenschelijk behandeld te worden. Integendeel verwacht ik door u in vrijheid gesteld te worden en uw verlof te ontvangen om hen, die mij valschelijk beschuldigen, in rechten te vervolgen.”
Toen riep de klerk: „Deurwaarder, roep eene proclamatie uit!” en de deurwaarder riep uit:
„Aangezien de gevangene voor deze rechtbank ontkent, dat de naam, waarbij hij is opgeroepen, zijn echte naam is, zoo laat het hof bekend maken, dat als hier iemand tegenwoordig gevonden wordt, die aan het hof daaromtrent eenige informatiën kan geven, hij gelieve voor den dag te komen om den origineelen en rechten naam van den gevangene te bewijzen; want de gevangene beweert zijne onschuld.”
Toen kwamen er twee voor het hof, die begeerden, dat het hun vergund mocht worden alles te zeggen wat zij over dezen gevangene aan de rechtbank konden voorleggen. De naam des eenen was Waarheidonderzoeker, en de naam des anderen was Waarheidsgetuige. Hun werd dan eerst gevraagd of zij den man, die daar voor hen stond kenden en wat zij aangaande zijne zelfrechtvaardiging wisten.
Toen sprak de heer Waarheidonderzoeker: „Mijne heeren, ik......”
Maar het hof wenkte hem toe te zwijgen, en de president sprak: „Neen, eerst den eed doen.”
Hij zwoer den eed en ging toen voort: „Mijne heeren, ik ken dezen man en heb hem gekend van zijn eerste kindsheid af, en ik kan getuigen, dat zijn naam Valsche Vrede is. Ik kende zijn vader, wiens naam was Pluimstrijker; en zijne moeder werd vóor zij getrouwd was mejuffrouw Vleister genaamd. Toen deze twee getrouwd waren, duurde het niet lang of deze zoon werd geboren, en dadelijk bij zijne geboorte kreeg hij reeds dien naam Valsche Vrede. Ik ben lang zijn speelgenoot geweest, ofschoon ik wat ouder ben dan hij. Ik weet het nog zeer goed, dat als zijne moeder hem van het spel terugriep, hij dan niet komen wilde en zij schreeuwde: „Valsche Vrede, kom gauw, anders krijgt ge slaag!” Ja, ik herinner mij zelfs dat hij nog aan de borst lag, ofschoon ik toen ook nog maar klein moet geweest zijn, hoe zijne moeder met hem aan de deur zat en hem op hare armen wiegde. Toen riep zij wel twintig maal: „mijn kleine Valsche Vrede! mijn lieve Valsche Vrede! mijn zoete Valsche Vrede! hoeveel houd ik van u, mijn kind!” Zijn peetoom weet het ook maar al te goed, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft gehad het in het openbaar te ontkennen.”
OUDE ONGELOOF ONTVLUCHT UIT DE GEVANGENIS.