Wat snelgewiekte bood' brengt ons den gulden tak?
't Is Snellius, die snel van geest, van zinnen wakker,
Dien
snellik plukken liet op Ramus'
[1] vetten akker
En snel dees spruite gaf een kracht die haar ontbrak.
Veel sneller zal men nu gaan meten 's werelds dak,
O,
snellen Snellius, Euclides'
[2] weerdsten makker!
Gij vliegt de kunst voorbij in snelheid; want men sprak er
Nooit sneller af met reên eer Snel het hoofd opstak.
Gij, snelle Geesten! volgt en sneller op wilt merken
Vermids u Snel gaat voort met snelle en lichte vlerken,
Of giert hij u te snel, zoo trekt een snelle schacht
Uit zijn gezwinde wiek, zoo spoedig, langs hoe sneller,
En hoe gij
sneller stijgt, hoe haar de meetkunst heller
[3]
En sneller op zal doen, tot in haar volle kracht.