Dat Room der Heiligen gebeent
Bewaart, meer luisters haar verleent
Als zoo veel koninklijke graven,
En tomben van gekroonde slaven.
Naast andre daar ze moed
[1] op draagt,
De grafsteê van de kuische maagd,
Agnes, ooit was de vreugd en 't wenschen
Van ijverende Kristenmenschen.
Vermits dees groote martelaars'
[2]
Verstrekte Kristus' kerke een kaars
En heldre fakkel, door haar lijden,
Geheugelijk
[3] tot allen tijden.
Jeugd, schoonheid, adel, munten uit,
En bloeyen in een zelve spruit;
En als dees worstlen met malkander
Verwint Godvruchtigheid al d' ander.
Want door haar acht ze 't zaligst meest,
En heiligt Gode lijf en geest;
Als gants verrukt de zinnen vielen
Op Jezus, Bruidegom der zielen.
Vergeefs, vergeefs haar d' ijdelheid
Bekoren wil en strikken breit;
Vergeefs men tracht haar te verlokken.
Zij is te Hemelsch opgetrokken.
Als d' Overste Symfronius
Dingt na haar kuischheid, spreekt ze aldus:
"Heer rechter! houd vrij op van smeken
[4],
Geen goud en kan mijn opzet breken.
Geen minnevlam mijn ziel besmet;
Ik ben verloofd aan 't bruilofsbed,
Dat de Engelen in den Hemel spreyen
Voor d' Heilge maagdelijke reyen.
Zoo
[5] loflijk gij uw zoon verheft,
Mijn Bruidegom hem overtreft:
Wiens schoonheid, als hij voort komt treden,
De zon kan van zijn glans ontkleeden.
Indien ik slechts standvastig hier
Bewaar het Godlijk zuiver vier,
Noch wulpsch mijn reinigheid laat schaken,
En dien hem met gebeên en waken.
Gesteenten van veel klaarder schijn
Als al uw diamanten zijn,
En rijker peerlen zal hij geven,
Die
[6] hier volstandig is gebleven."
Des minnaars vader door dit woord
Verwonderd staat, en roept verstoord:
"Nu zuldy kiezen een van beiden:
Men zal u naar 't bordeel toe leiden,
Of dadelijk Vesta, met 't gemoed
En gaven, offeranden doet."
Daar op zij haar geweldig
[7] trekken,
Om 't kleed haars maagdoms te bevlekken.
Maar een gewiekt gezant van God
Met glans verschijnt in 't hoerekot,
Juist als de schennis, vuil van oogen,
De maagd het kleed had uitgetogen.
Agnes omringd wordt met een licht
Van bliksem, 't welk het aangezicht
Der goddeloozen slaat met stralen,
Die angstig als in schaduw dwalen.
Zij knielt van blijdschap, en gespreed
Vindt voor haar een gesterrend kleed,
Waar meê zij dekt de naakte leden,
En looft den Hemel met gebeden.
De minnaar, met een schaar verzeld,
Smaalt op het licht, en wordt geveld
En van Gods Engel neêr gesmeten.
Het lijk luidruchtig wordt bekreten.
Maar als Agnes aandachtig knielt,
God weêr het doode lichaam zielt.
De faam des daads, als uitgelaten,
Vervult te Romen alle straten.
De priesters, die het outer voên,
En plichtige offeranden doen,
Van boosheid zwellen ongeduldig,
En achten haar der straffe schuldig.
Men grijpt de onnoozle maagd, die stout
En vrolijk, op 't gestapeld hout,
Gods naam aanroept, als, met vergrammen,
De beuls 't vier kweeken en doen vlammen.
Maar onverschrokken van gemoed
Zij, in het midden van de gloed,
Geen haar verzengt door Gods ontfarmen,
En van malkandren strekt haar armen.
De rechter, moê van 't lang vertrek
[8]
Des doods, verwijst haar teêre nek.
Zij sterft eer dan ze smart kan voelen,
De ziel vertrekt na hooger stoelen
[9].
En langs een wit en zuiver pad
Gezwind zij reist naar 's Heeren stad,
En ziet de maan beneên haar voeten,
Als de Englen vrolijk haar ontmoeten.
Die haar geleyen onbezurgd
En voeren
[10] hoog in 's Hemels burcht:
Daar zij, bevrijd van ongelukken,
Een dobbel kroon haar pruik laat drukken.
Heldin van adelijken stam!
Die, als een kuisch en zuiver lam,
Uw reinigheid woudt Gode schenken,
Met vreugd wij, jaar op jaar, gedenken
Aan uwen strijd hier uitgestreên,
Aan uw verwinning ongemeen;
Gij port ons aan, om op te stijgen,
En zulken palmtak te verkrijgen.
Uw leerlijke gedachtenis
De kerke een lieflijk wyrook is.
Uw sterk geloof doet ons ervaren,
Dat het niet leit
[11] in 't tal der jaren.
Ter dood gij stapte met meer moeds
Als bruid ooit na haar bruilofts-koets;
Het schreit er al, gij uitgezonderd,
Den ouderdom uw jeugd verwondert.
Elk bleek, gedoodverwd met beklag,
De rozen op uw wangen zag.
't Aanminnig uitzicht in het strijen
Uw vijand trof met medelijen.
Heer Jezus! geeft ze kracht altijd,
Die u geheel zijn toegewijd!
Geeft, dat zij op dit voorbeeld merken,
En wilt haar
[12] heilig opzet sterken.
En gij, die leeft bij God verhoogd,
Hoe veel
[13] gij met gebeên vermoogt,
Verwerft ze zegen en genade
En komt ze met uw gunst te stade!
Maar hem
[14] bij naam
[15], die met dit dicht
Zijn Duitsche
[16] wereld heeft gesticht:
Opdat hem voor dit zoete schrijve
[17]
Een eeuwig loon ten Hemel blijve.
Want ander loon (naar dat ik raam)
En wil hij niet, omdat zijn naam
Alhier, op hoop van meerder zegen,
Zoo ganschelijken is verzwegen.—Amen.