Op Jacobus Arminius[1].

Dit 's 't aanzicht van Armijn, die 't zij hij schreef of sprak,
Het heilloos noodlot van Calvijn gaf zulk een knak,
Dat Lucifer nog beeft voor 't dondren van zijn lessen,
En d' afgrond zwoegt en zweet, om stoppen deze bressen:
"Sus, kraamvrouw!" sprak hij, "sus! scheĆ® vrij gerust van hier,
God worpt geen zuigeling in 't eeuwig Helsche vier."

[1] Gomarus' bekende tegenstander. Wij lasschen, als van gelijke strekking en onderwerp, en eer vroeger dan later gedicht, dit en beide volgende bijschriften hier in.