MISBRUIK DES KERKELIJKEN BANS.
Klink-dicht.

Die Kristenen ontzeît den Kristelijken beker,
Dat 's een geweldenaar in Kristus' Koninkrijk;
God Vader heeft zijn feest bereid voor iegelijk,
Die in den Zoon gelooft; dat woord blijft vast en zeker.
Wat meet[1] gij u dan toe[1], o zotte logen-preêker!
O, overdwaalsch[2] tyran! schijnheilig stof en slijk!
Die dwingelanderij pleegt in eens anders wijk;
Gewetens-beudel, vrees den Goddelijken wreker!
Een oprecht harder weidt met zorg zijn lieve lammeren,
En hoedt ze voor den wolf, en zal zich hunner jammeren;
Een reukloos[3] hureling misbruikt den harder-staf,
En slaat en schopt en stoot des Heeren lieve kudden,
Verwareloost zijn wacht, in stede van beschudden;
Eens harders[4] lieflijk is, eens huurlings harte[5] straf.

[1] matigt — aan.

[2] verdwaalde, dolende.

[3] roekeloos.

[4] Zoo slaat Van Lennep te recht voor, in plaats van harder te lezen.

[5] hart.