Op de Zangkunst
VAN
Heer JOAN ALBRECHT BAN[1].

Ay, Ban! nu zeg mij eens: wat is 't?
Wat is 't? (ay, zeg! ik zal u danken)
Dat gij, in 't bannen van dien twist
En strijd van ongelijke klanken,
Mij hooren laat dien lieven peis
Der Engelen in Gods paleis?
Mij dunkt, ik hoor in eene wolk
Het paradijs, vol nachtegalen;
Hoe schiet dat schoon gevederd volk
Mij in het oor zoo blijde stralen!
Wie blaakt[2] mijn hart? och, Ban! ik smilt
Van toonen! kinders, gunt mij stilt'!
Is nu de Blink[3] in Tabors schijn,
En Gods Jordaan te zien in 't Sparen,
Daar Jezus' zangers bezig zijn
Met galm van wind en hemelsnaren?
Wie blaast dien galm? wie streelt die snaar,
Dan hoog, dan laag, dan middelbaar?
Gij zult (zoo Haarlem naar den Nijl
Zich kwijten gaat van 't zalig teeken[4])
Met zulk een vijl en Englestijl
De Damiaatsche keten breken.
Wat maakt[5] de zaag voor Haarlems boeg?
Een keel vol orglen is genoeg.

[1] Zie over hem en zijne muzikale bespiegelingen, de Bijlagen op Hoofts Brieven, IV.

[2] Doet blaken.

[3] De welbekende Blinkert. Ban was te Haarlem wonachtig.

[4] Van 't kruis. Zinspeling op Haarlems deelneming in Graaf Willems kruistocht tegen Damiate.

[5] Germ. voor zal, doet.