De vleyende Sireen,
Wiens zang en vedelsnaar
Verlokten naar beneên
Die met zijn wieken hing,
Daar zang zijn hart bekneep,
Tot hij verslingerd ving
Het keeltje, dat hem greep;
Dees op den oever stond,
Daar Glaukus
[2], heet van min,
Kust en herkust den mond
Der blanke stroomgodin
[3],
Die in zijn armen glijdt,
En zijgt van liever leê,
En voegt haar bruidschat bij
't Rijk hyliksgoed der zee.
Pan zangziek, op dat pas,
Had Dafnis laten noôn,
En, om te luistren, was
Hier Tityr mede ontboôn.
Zij hukte neêr in 't groen,
Daar, van een hoogen wal,
Het oog moogt ronde doen,
En weyen overal.
Toen sloeg haar keel geluid;
Help God, wat zoeter zang!
Zwijg, Tityrs boerefluit!
Wat was hier een gedrang
Van ooren, om dit lied
Te vangen in de lucht,
Toen tot haar neigde riet,
Geboomte, en vogelvlucht.
"Ach, Dafnis!" zong zij, "ach!
Wat gaat u, ridder, aan
[4]?
Zoo dit uw moeder zag,
Het haar te berg zou staan.
Is 't groen, daar gij op staat,
Dan te eng en veel te naauw,
Dat gy 't verwislen gaat
Voor 't wilde woeste blaauw
[5]?
Verzin eer gij begint,
En hoû uw oude buurt;
Denk wat de zee verslindt,
Als zij den afgrond schuurt,
En gaapt den Hemel toe,
En grimt, dat alle Goôn
Optrekken
[6], schrikkens moê,
Hun aangevochten troon.
Wat is hij overstout,
Die leven, lijf, en ziel
Den lichten wind betrouwt,
Op 't drijven van een kiel:
En stuift ter wereld uit,
Daar lood geen gronden peilt:
Daar 't schip aan starren stuit,
En door de klippen zeilt.
Nog hiel ik 't u te goê,
Indien uw trotsche moed
Niet reedde een oorloog toe;
O gruwel! op den vloed,
Op grondeloozen plas
Te vechten, lijf om lijf!
Die bodem is van glas,
O reuzen, treedt niet stijf
[7]!
Te lande is vluchtens troost;
De wanhoop drijft in 't schuim.
Och, of gij 't land verkoost!
Gij schudt helmet en pluim,
En slaat mijn beden af.
Wel aan, ik neem geduld;
Gij kiest dan 't levend graf,
En ik blijf zonder schuld.
Ten minste, denk om mij,
Wanneer gij, als Jupijn,
Zult, op uw vijands zij,
Met bliksems woênde zijn,
En Hollands zeebanier
Met hoop van zege voên,
En braken vlam en vier
In 's konings galioen.
Dan denk eens, hoe 't mij kruist,
Als gij den Spanjaart tart,
Met 't slagzwaard in de vuist;
En duî 't zorgvuldig
[8] hart
Van uw Sireen dien raad
[9]
Altijd ten beste na;
Mits ik uw schipbreuk haat,
Niet naar uw leven sta
[10]."