Bruiloftlied.

1.
Gij waart, heer bruidegom! een pronk-beeld van ivoor,
Dat reuk derft, smaak, gezicht, gevoelen, en gehoor;
Waar in, door goochelkunst, de schim van 't leven zweeft,
Doch[1] pols, noch aderslag, noch roering[2] in zich heeft.
2.
Maar als u Tessel-schade, uw helft, te beurte viel,
Doen daagde uw zon, en 't lijf ontving ter feest zijn ziel.
Het sterflijk werd verknocht met zijn onsterflijk deel;
't Was stuk-werk, daar gij nu voltooid zijt, en geheel.
3.
Wij zien 't, hoe goddelijk u dees Godin omvangt,
En hoe gij aan haar taal en wijze lippen hangt,
En luistert naar een God, die zijn geheim ontsluit,
En wichelt[3] door den mond van uw gewijde bruid.
4.
Bruid! die uw lief omhelst met onbevlekte trouw,
Verleent, door ommegang, uw minnaar zulk een vouw
En glans, dat hij met u versmâ dees ijdelheid,
En 't goud, en 't purper krenk' dat Ganimédes spreidt.
5.
Doch vóór uw hemelvaart uit 's werelds moord-spelonk,
Erft Amsteldam een spruit, waar in, wat in u blonk,
Erkend wordt, als ze draagt 't geen in u heerlijk is:
Opdat er nog een ster schijnt in dees duisternis.

[1] Versta: doch dat.

[2] beweging.

[3] orakelt.