De Schilderkunst, die praalt met duizend oude stukken,
Die aan den Tiber als Godin wordt aangebeên
Van aller geesten puik, dat vurig derwaarts heen
Zich spoedt, om met doô stof het leven uit te drukken;—
Dees
[2], hoe aanlokkend, kost de zinnen niet verrukken
Van onzen schilder-geest
[3], die
[4], in 't gemoed bestreên,
Geen doode verw vernoegt, albast noch marmersteen,
Om een ontdoken bloem in 't Nederland te plukken.
Na veel raadslagens hij 't Geheimenis
[5] dus vraagt:
"Waar mag mijn êga zijn? hoe noemt men deze
[6] maagd?"
"Aacht!" galmde 't Heiligdom; dies, om nu uit te kiezen
Van duizend Aachten één, keerde onze bruîgom thuis,
En zocht zijn troost, zijn helft, zijn bruid, met druk en kruis,
En in midzomer
[7] vond zijn Aacht in 't Hof der Friezen.