Op de Dood van
JONKVROUW
MACHTELD VAN KAMPEN[1].

De Mai, veraard[2] en slinksch, die trof ons maagdepuik,
O Machteld! toen zij u benijdde 't jeugdig blozen.
Een andre bloem verwelkt, gesneden van haar struik;
Maar, blanke lelie! och, in 't midden van de rozen,
Men u, op uwen steel, zag flaauwen en bezwijmen[3],
Die waart des vrijers wensch, der oudren zoete hoop.
Uw geest gebluscht is, en de fakkel van uw Hymen!—
't Is kostlijk, dat[4] om goud noch tranen is te koop.

[1] De uit Hooft en Huigens' Gedichten bekende Amsterdamsche Schoone.

[2] ontaard.

[3] Zie boven, bl. 153a, aant. 12.

[4] Versta: dat, wat.