De Mai, veraard
[2] en slinksch, die trof ons maagdepuik,
O Machteld! toen zij u benijdde 't jeugdig blozen.
Een andre bloem verwelkt, gesneden van haar struik;
Maar, blanke lelie! och, in 't midden van de rozen,
Men u, op uwen steel, zag flaauwen en bezwijmen
[3],
Die waart des vrijers wensch, der oudren zoete hoop.
Uw geest gebluscht is, en de fakkel van uw Hymen!—
't Is kostlijk, dat
[4] om goud noch tranen is te koop.