Op 't Vertolken van Bartas[1]
DOOR DEN HEER
WESSEL VAN BOETSELAER,
VRIJHEER EN BARON TOT ASPEREN.

Onduitsche pleiters, zwijgt! Gij hebt uw taal vergeten,
Gaat, haalt uw moeders tong, en kakelt dan op 't hof;
Komt school bij Boetselaer; die heeft vertaald met lof
In plat[2] en zuiver Duitsch den Fenix der poëten.
Spreekt zoo, wanneer gij dingt[3], zoo zal uw landsman weten,
Hoe zijne zaken staan. Ontleent geen vremde stof.
Uitheemsche Walen[4] schuwt! en maakt het niet zoo grof,
Dat wij nog kalk voor steen aandragen, dat wij zweeten[5].
Gemeenebest, schep moed! een vrijheer, een baron
Bouwt uw vervallen spraak, en rijst, gelijk een zon,
Die, rijk van vier en glans, het hoofd heft uit de kimmen.
En gij, Jupijns geslacht! hoe wel bekomt u dit,
Dat in der Staten Raad zoo groot een dichter zit,
Die Febus' lauwerhoed[6] verdient, na 't moeilijk klimmen.

[1] Zie boven, bl. 77a, aant. 4. Boetselaer gaf in 1623 D' eerste Weke in 't licht.

[2] eenvoudig, rond.

[3] pleit.

[4] Fransche woorden, gelijk maar al te veel in de rechtstaal in zwang waren; tenzij men 't (met Van L.) als keuze ('t Hoogd. Wahl) opvatte.

[5] Zinspeling op de Babylonische spraakverwarring.

[6] krans.