Onduitsche pleiters, zwijgt! Gij hebt uw taal vergeten,
Gaat, haalt uw moeders tong, en kakelt dan op 't hof;
Komt school bij Boetselaer; die heeft vertaald met lof
In plat
[2] en zuiver Duitsch den Fenix der poëten.
Spreekt zoo, wanneer gij dingt
[3], zoo zal uw landsman weten,
Hoe zijne zaken staan. Ontleent geen vremde stof.
Uitheemsche Walen
[4] schuwt! en maakt het niet zoo grof,
Dat wij nog kalk voor steen aandragen, dat wij zweeten
[5].
Gemeenebest, schep moed! een vrijheer, een baron
Bouwt uw vervallen spraak, en rijst, gelijk een zon,
Die, rijk van vier en glans, het hoofd heft uit de kimmen.
En gij, Jupijns geslacht! hoe wel bekomt u dit,
Dat in der Staten Raad zoo groot een dichter zit,
Die Febus' lauwerhoed
[6] verdient, na 't moeilijk klimmen.