GEZANG,
OP HET LATIJNSCHE WOORD
TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS[1].

't Is den mensch als aangeboren,
Dat hij ietwes heeft verkoren;
D' een kiest dat, en d' ander dit,
Elk kiest zijn bezonder[2] wit.
Ieder heeft zijn afgod binnen,
Die hij dient met al zijn zinnen;
Niemand is ter wereld vrij
Van dees zoete afgoderij.
Elk wordt van zijn lust getrokken,
Die hem schoonst dunkt en kan lokken,
Niemand zijn natuur verliest,
Elk heeft iet, dat hij verkiest.
D' een zijn vreugd schept uit vergaren
Van de schelpen, die de baren
Strooyen langs het dorre strand;
D' ander heeft geen beter pand,
Als de rijkdom van zijn bloemen,
Van haar reuk en verw te roemen.
D' een geen tijd-verdrijf begeert
Voor het draven van zijn peerd;
Voor het springen, keeren, rennen,
En den breidel braaf te mennen:
D' ander alle ding belacht,
Om tijdkorting van de jacht,
Om, in struiken en in hagen,
't Schuwe bosch-zwijn te bejagen,
En, in de eenzaam wildernis,
't Wild steeds op zijn hakken is,
Met zijn honden en Molossen[3],
Die gaan snufflen in de bosschen.
D' een trekt met een angel-hoek
Nu een baars op, dan een snoek,
Dan een spiering, dan een voren;
D' ander acht dit tijd verloren,
En beloert de vogels schalk,
Nu in 't net, dan met de valk.
D' een verdient de lauwer-bladen,
Om dat hij der helden daden
In der Muzen tempel zong,
En te pronk haar schilden hong:
Is onledig met het lijmen,
En het schaklen van zijn rijmen.
D' ander slaat de sterren ga,
's Morgens vroeg en 's avonds spa,
Wordt door 't ondervinden rijker,
Wenscht steeds om een verder-kijker[4],
Huilt vaak eens, om dat hij niet
In den raad der Goden ziet.
D' een zal al zijn neiging strekken
Om met Mars te veld te trekken,
En treedt, als een leeuw verwoed,
Zijnen vijand te gemoet,
Daar de barsche wapens klinken,
Daar de blanke zweerden blinken;
D' ander, vliênde dit geluid,
Is een munnik in zijn huid[5],
Past op zijn gezette stonden,
Is aan 't klokzeel vast gebonden,
Acht elk minder als zich zelf,
Hangt steeds boven aan 't gewelf[6];
En 't gewijd' heeft uitverkoren,
En draait om de kerke-toren,
Als de kraayen, 't wuft gespuis,
Om de weêrhaan en het kruis;
En gaat schuw, gelijk als de uilen
In de gaten hen verschuilen,
Om het kerk-hof, daar het spenst[7];
't Is al heilig, wat hij wenscht,
Wat hij spreekt, bedenkt, beluistert;
Alle menschen zijn verduisterd,
Blind en dom, en zonder reên,
Soxes[8] is verlicht alleen.
Aldus gaat het in dit leven:
Elk wordt van zijn geest gedreven,
Elk omhelst zijns herte lust,
Die hij als zijn bruidje kust.

[1] Ieder heeft zijn stokpaardjen.

[2] Met klankverzwakking, voor byzonder.

[3] Grieksche honden-naam voor brakken.

[4] Zeer gelukkig, als vergelijkende trap van verre-kijker.

[5] van top tot teen.

[6] zweeft omhoog.

[7] spookt (verg. 't Hoogd. Gespenst).

[8] De bedoelde monnik.