Wijk[1]-zang.

WIJZE: Periosta.

Cathrijn, die met Diaan ten reye gaat,
Die schrander gaauw en wonder jeugdig ziet,
De lucht met galm van uw schalmeye slaat,
Of huwt uw dans aan eenig vreugdig lied,
Of bloemen leest, dicht langs de waterkant,
En Faunus, Pan, en menig Sater[2] brandt;
Of uw Godes ten dienst vaak veerskens smeedt,
Of jageres der honden koppels leidt,
En volgt haar sleep, en in uw leerskens treedt,
Als d' uchtend zilvren dauw en druppels spreidt,
Wanneer de nacht wijkt, door verborgen nood,
De schemering en 't liefelijk morgenrood;—
Zegt, wakkre nymf, die kruid en rooskens plet,
Wat lust uw jeugd aan Febus' zuster[3] bindt,
Wiens spoor gij volgt, daar zij haar brooskens zet,
Is 't, omdat gij dy[4] dus geruster vindt,
En schept geneucht, als gij aan 't jagen tijt,
Te steuren 't wild, dat uwe lagen mijdt.
Wat lust kan 't zijn te volgen winden[5] gaauw,
Ter jacht, en voor den beet van 't wilde zwijn
Te duchten? dan, in els of linden schaauw,
Schier ademloos te wenschen stil te zijn?
Wat lust is 't, als uw rei te gader dringt,
En hijgt naar 't nat dat uit zijne ader springt.
't Is gruwelijk, onnoozler dieren hol[6]
Krijg aan te doen, en 't groen te sprengen rood
Van heilig bloed, en dus te zwieren dol,
In 't bosch en voor uw vrouw[7] te brengen dood,
Haas, hind, of hert, dat in zijn nooden vaak
Veel tranen schreit, en wekt der Goden wraak.
Komt, schuwe maagd! uit 's wouds schuilwinklen[8] voort!
Leg af, 't geen bet der krijgerinnen[9] past,
Spriet[10], boog, en pijlen, die men rinklen hoort;
Leent wijzen 't oor, aanvaart der minnen[9] last,
Doolt met de rest, en borgers zeden houdt,
Daar Venus volkrijk groote steden bouwt.
Eer Cynthia[11] schept, uit haar broeders schijn[12],
Tot negenwerf een rondgeweven vlam,
Zult gij geteld met andre moeders zijn,
Als 't zieltje, dat uit uw zijn leven nam,
Hangt aan uw speen en koost en dertel steent,
Of in uw schoot van weelde spertelbeent.

[1] Scheibeek, de hofstede der Baaks, (waarvan de afteekening zie bij Van Lennep t. pl.) lag bij de Beverwijk.

[2] Boschgoden en satyrs.

[3] Diana, als godin der kuischheid en van den maagdelijken staat.

[4] Verbeter u; zie boven.

[5] windhonden.

[6] Verouderd voor het hol van onnoozle dieren.

[7] meesteres, Diana; zie boven.

[8] Thans hoeken, sedert winkel een geheel gewijzigde beteekenis verkreeg (verg. echter nog winkelhaak en 't Duitsche Winkel).

[9] Thans (door den weggeslonken verbuigings-uitgang) krijgerin, en min.

[10] jachtspriet, spies.

[11] Diana (zie vroeger), maar hier als de maan.

[12] Apollo, als de zon.