OP DE AFBEELDING VAN HANS DE RIES[1].

Uit 't wezen leering straalt, alleen ontbreekt 'er 't leven
Van hem, die God ons als een kleinood heeft gegeven:
Die, van zijn wiege tot zijn' grijzen ouderdom,
Den bouw betrachtte van 't bouwvallig Kristendom;
Die storm op storm versmaânde, en uitstaande als een sterke,
Verstrekt een heilzaam zout en licht in Kristus' kerke.

[1] Leeraar der Waterlandsche Mennonieten te Alkmaar; geb. te Antwerpen in Dec. 1553. Zie zijn Levensbericht en afbeelding in Schijns Gesch. der Mennonieten II, bl. 482 v.v. (Daar het portret reeds in 1619 door Mierevelt geschilderd werd, kan ook dit bijschrift, even als het volgende, reeds van een jaar of wat vroeger zijn).


OP DE AFBEELDING VAN LUBBERT GERRITSZ.[1]

Gij, Kriste wormkens! die ploeg-ijzers maakt van zwaarden
En sprengt[2] in 's Drieheids naam alleene den bejaarden,
Ziet uwen leeraar hier, zoodanig van gelaat,
Hoedanig hij zelf was, die, na der kerken vrede[3],
Zoo vierig een halve eeuw eens leeraars ampt bekleedde,
En Kristus vruchten wan[4], door onverganklijk zaad.

[1] Hans de Ries' boezemvriend, leeraar der vereenigde Waterlanders te Amsterdam. Geb. te Amersfoort in 1535, overl. te Amsterdam in 1612. Zie aldaar, III, bl. 1 en vv. (Het portret werd in 1607 door Mierevelt geschilderd).

[2] doopt.

[3] Die van Augsburg, in 1555.

[4] Thans won.