Wat Godheid vol ontzags is dit,
Die daar op zeven bergen zit,
En zwaait, met zijne rechte hand,
Dien bliksemstraal, en gloênden brand,
Vervaarlijk als de Dondergod?
Terwijl hij, uit het hooge slot,
Een ieder handelt
[2] zoo beleefd
[3],
En streelt, en smeekt
[4], en zegent, heeft
Hij onder zijn schabel
[5] gebracht
En zolen 't oorloogsforsch geslacht;
En, trapplende op 't gekroonde hoofd
Der grootste koningen, verdooft
Het gloeyend purper van den raad
Der vadren, die rondom hem staat;
Gelijk 't gestarrent
[6] flaauwt en daalt,
Zoo ras de zon in 't Oosten straalt
Van goud en rozen, uit haar troon.
Verhuist Jupijn met al de Goôn?
En vaart hij uit den Hemel, om
Het kapitool, zijn heiligdom,
Te gaan bezoeken? wat gezag
Brengt de eerste tijden voor den dag,
En voert den ouden Numa
[7] weêr
Te Rome, met zoo groot een eer?
En levert Rome weder aan
Den grijzen Numa onderdaan?
Terwijl 't gemoed dit overleît,
Zoo luistert mij mijn geest, bereid
Te baren, en gedreven door
Iet Hemelsch, dit al stil in 't oor:
"Dees is de groote sleutelvoogd
Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt
Niet meer te weten; buig uw kniên,
En kus zijn voeten, wijd
[8] ontzien."