DE WEDERKOMST NAAR NAZARETH.

In vliegende vaart droeg de hooge, zwarte schimmel den vetten Donaat Kops naar ’s Konings kasteel.

De kiekens liepen schreeuwend weg, de spelende kinderen stoven uiteen, en de moeders aan den afwasch bezig, kwamen verbaasd over ’t halve deurken den snellen ruiter nakijken, dien zij daar straks nog zoo kalm hadden zien voorbij rijden.

Het zomerzweet lekte van zijn kaken, zijn darmen wierden in den buik overhoop geschud, zijn kin en zijn kaken waggelden als geleien, maar hij lachte uitgelaten, en spoorde en zweepte nog om rapper.

Zijn rijkbepluimde hoed viel af, hij liet hem liggen, rende voort en hij lachte.

Hij lachte en ziehier waarom.

Hij was naar buiten gereden, naar zijn dunnen, bleeken vriend Arnoldfienus die als een uitgelezen jager wierd geprezen, en die vandaag Kops had genoodigd om sneppen te vangen. Kops had natuurlijk aanvaard, daar hij wel wist dat achter de jacht die de maag uithongert, er altijd een kloek, gezond maal met veel groote wijnen wierd opgedischt.

Hij reed er dan naartoe over de schoone Julivelden die lui in de zon lagen, en hij was vredig van harte, al bleef er helaas steeds een klein leksken azijn van afgunst tegenover Graathals, het klare water van zijn gemoed verzuren.

Hij was in den gewonen zin des woords tevreden.

En aan ’t gele veerhuis, aan de Leie, waar blauwe lommer was en koelte van water, steeg hij af en liet zich een potteken Oudenaerdsch brengen, door een glimlachend meisje, waarvan hij bezonder den witten, slanken hals bewonderde.

Gezeten achter het glanzige bier waar zon in keek, en bereid een liefdesavontuurtje te beginnen met het meisje rijk aan geniepige glimlachjes, hoorde Kops achter den hoek mannenstemmen aankomen, die van den koning spraken. Seffens scherpte hij zijn ooren en trok zijn puidenoogen luisterend open. En hij hoorde duidelijk: „Ja, ja Gommaar, het kind dat de koning wilde hebben zit in Holland en leeft gerust lijk God in Frankrijk.”

„’t Is bijna niet te gelooven. Ja! moesten ze daar dan zooveel onnoozel bloed voor vergieten? ’t Is effenaf schandalig!”

Donaat stond recht en beefde. Er kwam een zalige blijdschap in zijn oogen, en als de boeren, elk met een zeis en de frak op den rug den hoek omkwamen om een pint te drinken, hielden ze ineens hunnen stap en hunne woorden in. Zij verschoten en verbleekten van gezicht, daar zij in Kops iemand erkenden die leefde aan het hof.

„Mannen,” zei Kops gejaagd. „Is het waar wat gij daar komt te zeggen?”

De boeren bezagen malkander vol schrik en tevens verbaasd daar er over Donaat een zoete glimlach hong.

„Gij spreekt toch van het kind van Bethlehem?” lachte Kops.

De grootste boer, een vent met één oog bekwam van zijn alteratie en zei: „Ja.”

„Vertelt! Vertelt!” juichte Kops. „Twee gouden dukaten als ’t waar is! Komt, zit neer, vertelt!… Juffrouw, geef ze ieder een stoop trippele.”

Franker en vrijer nu en gulzig naar de gouden belofte vertelde de eenoog, met zijn klak draaiend, wat hem een marskramer met name Kruisduit had uiteengedaan. Namentlijk: Toen de soldaten in Bethlehem vielen was het kind reeds van in den nacht met zijne ouders gevlucht. Hij zelf, Kruisduit, had voor het kind gevreesd, daar het bezoek der drie koningen een doren was in Herodes’ oogen; hij was zelfs van zin de ouders van het kind aan te raden pak en zak te maken en over de grens te trekken, „want die Kruisduit is een echten filosoof.” Maar zij waren reeds den bollewinkel in met den wind van achter. Als dus bij ’t vallen van den avond de soldaten in Betlehem kwamen …

„Goed, goed!” riep Kops dronken van overdadige blijdschap. Hij gaf hun ieder een half franksken, vergat het schoonhalzige meideken te betalen en rende er lijk een pijl uit den boog van onder, om het Herodes te gaan vertellen.

Hij glorifieerde, hij jubelde, zong, lachte, sloeg op zijn billen. ’t Geluk ontplofte in hem en vulde al de vezelen van zijn vet lijf.

Hij sloeg twee vliegen in eenen slag! Nu zou zijn grooten droom verwezenlijkt worden! De ministerzetel van Graathals hoorde hij reeds krakend ineenstorten en Herodes zou voor ’t aanschijn van heel Vlaanderen moeten bekennen dat hij een aap was en de gulden staf van eersten minister aan Kops moeten overgeven.

Hoe heerlijk voor Donaat! De horen van overvloed stortte al zijn zwaarwegende weelde over hem.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Herodes zat in den hof schaak te spelen met den drogen Schout-bij-nacht.

Zij zaten in den lommer van den enorm-hoogen, steilen muur, die klimopbegroeid boven hun hoofd in de lucht hong. Er lagen bonte oostersche tapijten over hunne koperen stoelen, en de ivoren schaakstukken hadden blauwe en groene juweelen.

Een zwijgzame schenker schonk uit zilveren kan koelen appelwijn in kristallen bekers, die regenboogkleuren toonden, en om den aangenamen smaak en den frisschen geur te verhoogen, strooide hij in de bekers een snuif ken versche rozenblaadjes.

Voor hen lag binnen de muren van ’t kasteel de zonbeschenen hof, de wegen waren proper, er helderden pioenen en het was heel, heel stil dien middag. Er tjilpte een musch en boven in een kanteel zat er iemand traagzame toontjes uit een mandolien te knippen.

Een edelman, met zilveren kruisdegen leidde een blauwe hofdame naar den ronden vijver waar twee zwanen blankten.

O! had Herodes maar die zweren niet, die duivelsche zweren, hoe zou hij dan van dit zoete zomerweer mogen genieten en van zijn tot rustgekomen koningschap! Hij leefde in de zekerheid dat alle gevaar was doodgeknepen, en er door den radikalen kindermoord niemand nog zijn koppeken boven water zou durven steken.

Maar die zweren! Hij smaakte den schoonen zomer niet door die smerige, pijnlijke zweren.

Zijn koeiengezicht was er vreeselijk door aangedaan. De rijpgeworden zweren die stinkenden etter uitgistten schoten maar aanhoudend afzettels; die jeukten en kittelden om er zot van te worden en hij mocht er geen vinger aantitsen of hij brulde van de pijn.

Hooger klommen de zweren in zijn gezicht; de mond wierd reeds leelijk omlaag getrokken door een helroode blinkende puist, en aan den linkerneusvleugel hong een hard beurzeken met versch zwerenzaad.

Alle pappekens van chirurgijnen en monniken, alle bezweringen van alchimisten en toovenaars, ja zelfs beewegen naar geroemde Heiligenoorden waaraan hij niet geloofde, ’t was boter aan den galg en woorden in den wind.

Hadde hij geen koning geweest hij zou zich reeds lang de keel afgesneden hebben. Maar ’t was zoo plezant koning te zijn!

Herodes was een hartstochtelijk, ja zelfs vernuftige schaakspeler en ’t was die passie die hem soms zijn zweren deed vergeten. Nu bezonder nu hij aan ’t winnen was tegen den Schout-bij-nacht, die om ’t schaakspel aan alle hoven was befaamd.

Een page kwam Donaat Kops met een haastige mededeeling aanmelden.

De koning, schrikachtig van aard, stemde aanstonds toe.

De Schout-bij-nacht wilde heengaan, maar met genereus gebaar liet de koning toe dat hij bleef.

Daar verscheen de blinkende Kops.

’t Was een schoon oogenblik voor Donaat. Zijn hart sloeg lijk een voorhamer van geluk, maar zijn gezicht was ernstig als een elfurenlijk.

Hij groette buigend, en hij sprak als deed het hem pijn: „Excellentie, ik groet U … Met groot leedwezen neem ik op mij den droeven plicht u te komen zeggen, dat gij het slachtoffer zijt geworden van dwazen raad. Raad die u gansch den haat van Vlaanderen op het lijf heeft gejaagd en uw onheil heeft vergroot.

Het is hier kwestie over den kindermoord van Betlehem …

Ik herinner mij nog dat ik u aanried het kind alleen te dooden. Ik zelf zou er mij mede gelast hebben. Gij kniktet reeds ja, maar de achtbare Heer Graathals, uit haat dien ik hem vergeef, sprak het onbesuisde gedacht uit van alle kinderen onder de twee jaar te dooden …. En zie nu den omvang, de zeeoneindigheid van uw onheil. Het hangt met een draad boven uw hoofd lijk het zwaard van een Grieksch geleerde wiens naam ik vergeten ben ….

Ik beklaag u … Er is nog een middel, niet om uw onheil af te keeren, maar om uwe eer te redden. Werp de verantwoordelijkheid van u af.”

Herodes was recht gesprongen en kreet heesch „Wat is ’t?”

Hij voelde wat Kops ging zeggen, hij sloeg zijne handen in zijn haar en riep: „Leeft het nog?”

„Door de schuld van Graathals zit het veilig in Holland,” zei Donaat Kops met gesloten oogen.

Een rauwe kreet, ’t breken van kristal en ’t rinkelen van hol zilver, Herodes maakte eenige molekens en kletste voorover met het gezicht op den grond.

Er was geloop van pagen, knechten, edellieden en edelvrouwen.

Men hoopte dat hij uit pure gewoonte seffens de oogen zou openen, maar het doktoorken trok groote oogen achter zijn hoornen bril, bracht de onderste lip beteekenisvol boven de bovenste en schudde zijn bevende hand.

Het was gemeend. Het doktoorken noemde het in ’t latijn: Epilepsia.

Men droeg Herodes voorzichtig te bed en zijne amandeloogige vrouw weende op zijn verlamde hand die boven de met goud-bestikte lakens lag.

Ge kunt peinzen hoe Donaat Kops zwom in een oceaan van heerlijkheden! En hij wandelde met den archivaris, den schatbewaarder en de andere hooge mannen fluisterend in de gangen.

Een ieder wist dat Graathals nu gedaan had en Kops zijn plaats zou innemen. En diegenen die Kops steeds opzij lieten staan, begosten reeds platte broodjes te bakken.

De koning in ijlkoorts stamelde gedurig van: „Graathals, Halsgraat, graat, graat,” enz. De koningin deed hem ontbieden.

Na lang zoeken vond de bode hem in de geheime boekerij waar hij foltermachienen aan ’t bestudeeren was.

De bode vertelde hem het nieuws van naald tot draad.

„Ik koom dadelijk,” lispelde Graathals in een zucht. Hij wist dat hij nu zijn doodkist kon bestellen ….

Een ieder verwonderde zich over zijn lang wegblijven.

Toen de bode hem ten tweeden male ging dagen vond hij hem dood.

Zijn zwart kleed was open en toonde zijn geel, pezig, aan palmhout gelijkend vleesch; een dolk stak tot aan den hecht in zijn smalle borst. Er kwam geen bloed uit ….

Daar de koning er leelijk neven sloeg en half verlamd te bed moest blijven, ging de macht in handen van Donaat Kops.

Hij kost er in ’t begin niet van eten van vreugde. Maar den derden dag waren de staatszaken zoo in de war, en liep alles zoo averechts en verkeerd dat er niemand nog iets te zeggen had.

De booze geest van Graathals hong over het paleis en pelde en brokkelde.

Donaat had geen macht, geen karakter, geen doortastendheid. Geboden, straffen en wetten bleven onuitgevoerd; de edellieden en officieren wilden van hem niet weten, en de onderdanen en huurlingen gingen op hun zeven gemakken in de herbergen van den lekkeren Oudenaerdsch genieten.

Donaat was razend, vloekte en tierde. ’t Kortte niets, men haalde eens minachtend de schouders op. En overal op de muren vond hij dikke mannekens geteekend waaronder scherpe schampen als: Vetzak, Wandelende ton en Paaschos. Het volk stond op. Het krapuul plunderde de winkels en de burgers en kruideniers dienden bergen petities in.

Het groeide boven Donaat zijn hoofd. Zijn zon ging onder.

En, na uit de staatskas alles genomen te hebben wat hij dragen kon, gaf hij verbolgen zijn ontslag en trok zich met zijne familie terug op een heerlijkheid in het vette Brabant gelegen. Maar hij kon de schande en den smaad niet opkroppen. Op een maand tijd hong hem het vel lijk een zak over de beenderen en hij stierf van de suikerziekte …

Intusschentijd beterde Herodes niet. Integendeel zijn geest verdraaide lijk een omgekeerde handschoen. Heel zijn gelaat was één zweer aaneen, en tot overmaat van ongeluk kreeg hij in den nek een negenoog waarvan hij na twee weken gehuil zijnen pak maakte.

Toen wentelde er een steen van Vlaanderens hart en schoone dagen zaten in ’t verschiet.

En in die dagen, als Jozef en Maria de blijde mare vernamen dat de booze koning Herodes gestorven was, verlieten zij met der haast het nette dorpken van Zeeland bij de Schelde, waar ze stil, vredig en ongekend hadden gewoond, en zij kwamen langs de Kempen terug om in de vlek Nazareth, gelegen aan de lieve Nethe hun tenten op te slaan …

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Zij sliepen met drieën in de broeiwarme schaduw der stille mastebosschen.

Jozef lag platuit, en Maria met het hoofd tegen een boom en het kind in haar schoot. Wat verder had het ezeltje zich neêrgelegd.

De stilte gonsde in de lucht, de hitte middag werkte over de wereld, en daarbuiten dit huis van lommer en harsgeuren ziedde de machtige zon over heiden en velden, en gloeide den hemelschedel pleisterwit.

De uren sleepten zich lui en rustvol door den dag die duren bleef. De hitte danste en bibberde, de boomen bakten, de grond scheurde.

’t Was de baldadige joel van de zon, het wilde geweld van het licht.

Een vlieg die over Jozefs oor kroop kittelde hem wakker. Hij luisterde; er was nu gaar niets te hooren, niets, niets. ’t Was hitte en stilte over heel de wereld ver. Hij beluisterde ze, voelde zich daar in opgaan, zijn ziel hong vol-gelukkig in hem als een rijpe peer, en weer vielen zijn oogen toe en zijn hoofd op de borst.

Wat later wierd Maria wakker. Maria’s oogen waren groot van ’t slapen en keken jong en gelukkig rond zich. Met het handeken op de borst voelde zij haar hart kloppen.

Hier lag haar kind, ginder Jozef.

Zij kon het bijna niet gelooven. ’t Was toch allemaal weer zoo schoon en goed en vertrouwelijk rond haar, de hemel en de bloemen, de menschen en de dieren. ’t Waren weer hare vrienden. De booze machten lagen dood en vernietigd. Een frissche wind had de duisternissen uit haar ziel opgejaagd. Het was daar nu weer Mei en zon, klaarte en licht.

Het geluk rees, en zij voelde dat in Nazareth, nog ver achter de bosschen aan de koelte van de Nethe gelegen, dit geluk als een goede vriend met haar hand in hand zou wandelen. Zij herinnerde zich nog zoo helder den innigen zielevrede dien zij daar vroeger genoten had, en die een roes van goddelijke extaze wierd sedert de engel haar de hemelsche vrucht haars lichaams kwam boodschappen. Dat was een leven zoo geweldig en hoog, zoo diepgaand in de ziel, dat het waarlijk om te smilten was, zooals het met die heilige gebeurde van wie oude boeken gewagen—die van te groote caritate verging in olie waarvan men ten huidigen dage nog lampen brandt in kloosters en kapellen.

En het kind wierd geboren; die stonde zette haar ziel nog eens in laaie vlam, maar toen ontwaakte seffens het menschelijk moederhart, en de daaraan verwante scheuten van angst en verdriet tierden haastig over haar geluk, en stegen almachtig als het water van de zee. Toen kwam de groote nacht, waarin toch stralen bleef de groote liefde voor haar kind; dat hield haar recht, en ’t was de zilveren lijn waarmede hare ziel met den hemel verbonden bleef.

Maar de zon barstte en pijlde door donkerte en verdriet en omzette alle dingen met licht en vriendelijkheid, en nu, nu stond Nazareth als een horen van vrede haar te wachten. De geheime roerselen harer ziel begosten weerom te asemen en te leven. Zij wandelde in den geur van God, en er hong een gouden draad van licht rond Maria’s gedaante.

Jozef had in groote vreugde die schoone kalmte weer over haar zien komen. Het gaf hem hoogen moed en jeugd, en lust tot veel en lang te werken …

Maria zag Jozef slapen en denkende dat het misschien tijd kon worden om voort te gaan, en daarbij de zucht om in Nazareth te zijn, maakte zij hem wakker.

„Willen we maar voortgaan Jozef?”

Jozef ried het haar af: „De zon steekt te geweldig en buiten het bosch is het toch zoo’n scherp licht dat g’er slechte oogen zult van krijgen.”

’k Zal mijn hoofddoek dieper over mijn oogen trekken,” wedervoer Maria.

„Ge zijt er scheutig op om t’huis te zijn hè?” lachte Jozef. „Kom dan maar!”

Maria zette zich op het ezeltje en lei over haar kind, dat rustig slapen bleef, een witten doek terwille van de zon.

Zij gingen door het klaterende licht en het ovenheete zand. Jozef liep nevens den ezel, hij kraakte en peuzelde hazen- en lombaerdsche noten die hij aan een boschhoek geplukt had en gaf aan Maria een schoonen appel dien een herbergbazin hem met pruimen en peren had gegeven. Zij waren daar een pintje koel melk gaan drinken om den dorst te verslaan.

En al etende vertelde Jozef over het mastentoppen rapen, hoe menigmaal hij dat in zijne jeugd gedaan had om aan brood te komen.

De zon blonk over de gladheid van zijn kalen schedel, hij was barvoets en had zijn schoenen, met de nestels aaneengebonden, over zijn schouders hangen.

De landschappen en de wegen verwisselden weinig van aangezicht. ’t Was steeds een eentonige verscheidenheid van gulden geneverstruiken, verre vlakten heidepurper, verrassingen van blonde duinen en overal de donkerheid der mastebosschen, met soms aan den laaiheeten weg een armzalig hutteken met open staldeur, waarin ’t beslijkt achterste van een mager, steertslagend koeitje.

’t Was alsof het licht gonsde, maar ’t waren de miljoenen bieën.

Het zweet leekte van Jozefs hals en op de schouderbladeren kwamen door zijn frak twee natte plakken. Doch hij liet het maar gaan; hij hield van de volle zon en al dit zweet was een ziekte gespaard.

Met opgewekt gemoed zagen ze tusschen de zonnige donkerheid van een dennenbosch, de frischheid van een afgemaaiden beemd en de dijken van de Nethe, en daarachter het land van Rijen met een einder van gulden terwevelden!

Zij waren als kinderen. De Nethe was de draad waar Nazareth aanhong.

„Willen we langs de Nethe naar huis gaan!” riep Maria.

Het was haar een genot de Nethe, het water waar hare jeugd zich in weêrspiegeld had, te mogen wederzien en er nevens te loopen, lijk een hovenier rond den hof dien hij zelf aangelegd heeft en verzorgd.

„Maar ’t is een lange weg,” zei Jozef, „we zullen toch eens gaan zien.”

Doch als ze aan de Nethe kwamen juichte hij omdat het water geen drie vingeren hoog stond.

„Zie,” riep Jozef, „nu hebben we hier maar over te gaan, we steken ginder den steenweg over, dan door ’t koren en wij winnen zekers twee uren! Is dat niet goed?”

De jacht om gauw in Nazareth te zijn deed Maria van gedacht veranderen.

De ezel bracht Maria over, en ’t was voor Jozef waarlijk een deugd zijn doorgloeide voeten te kunnen verkoelen in het rappe Nethewater.

Met een peerdebloem in den mond ging Jozef nu voorop.

Zij gingen tusschen de wijde terwevelden. Het was terwe en nog eens terwe, zwaar, geelgoudig, braaiend in de zon, droog en krakend van hitte, lui van ’t staan en vol beloften van goed brood.

De vooroverhangende aren kletsten tegen Jozefs rood gezicht en Maria die op den ezel zat zag wijd over de velden heen.

De hitte blaakte er over, een gloeiasem steeg er uit op.

Terwe, hitte en stilte, en daarboven de zotte zon.

Maar een schouwpijp smoorde, er wierd op een blekken horen getoeterd, of geroepen met de hand aan den mond, waarop het gerekt „ja” van kinderstemmen antwoordde.

’t Was het uur van koffie te drinken.

Aan het lage rietrijke water van een beek waarin zich een rood steenen bruggesken spiegelde, gingen zij ook hun boterham genieten.

Er was daar een klein weideken met hoog gras en vele bloemen, en er stond een eeuwenoude gespleten eik die aan de ouders en het kind een goede schaduw gaf.

Zij aten hun brood en dronken het water uit de beek.

Jezusken was wakker en ontving gretig de habbekens die Maria voor hem in haren mond bereidde.

’t Was een kloeke jongen, een wolk van een kind, goed en vast gevormd, met puttekens in zijn ellebogen en in zijn pollekens; gezondheidsbloemekens helderden roze door zijn melkwit vleesch, en onder een zilverzonnig krollenbolleken klaarden zijn groote, zeeblauwe oogen. Het voelde zich los en vrij in zijn kort, locht hemdeken, en als ’t gegeten had kroop het rond in ’t gras en ’t kraaide en ’t kreet naar zijne moeder, die voor hem een vollen arm bloemen aan ’t plukken was.

Maria had den hoofddoek afgedaan en nu hong haar hel-gouden haar als een breede sluier tot laag over haren rug. De zon viel gulzig in die zachte, golvende weelde en omhulde haar als met een gulden, glanzende wolk, waar men de oogen moest voor toeknijpen.

In den eik zat er een vogel te kwinkleeren en Jozef was voor ’t kind, in ’t koele water van de beek vischkens aan ’t vangen in een blikken doozeken.

Daar kwamen kinderen uit de school. Zeven blonde meisjes op hun bloote voeten, en elk een vergrijsden, blauwen voorschoot aan. Zij zongen een ouderwetsch liedeken, en de stemmekens vielen stil als zij Jezusken en zijn ouders zagen. Zij hielden elkander bij de hand en bleven tegeneengedrumd, beschaamd-nieuwsgierig naar het lieve kindeken zien en naar de moeder die zoo’n schoon en lang haar had, en zij hadden daarvoor stil-fluisterende woorden van bewondering.

Een der kinderen zag eene eenzame kollebloem rood ophelderen, ’t verstoutte zich ze af te plukken en droeg ze naar kindeke Jezus, die de bloem over en weer, onder luide kreetjes, in zijn gezichtje sloeg. Als de andere kinderen zagen dat de moeder er om glimlachte, wierden ze ineens vertrouwelijk en begosten allemaal haastig bloemen te plukken, die ze op Jezusken’s beentjes legden; en zij spraken tegen het kind, en zij lachten er mee, maakten er kransen en kroontjes voor en dansten er omme hand in hand, al zingend:

„Vie van den ronde,

het katteken is gebonden

en a een, en a twee, en a drij!”

En eindelijk had Jozef een van de vlugge stekelbaarsjes weten te snappen. Reeds op voorhand lachend om de kinderpret, stapte hij uit de beek en hield het doosje voorzichtig vast. Maar hoe verschoot hij niet als hij opkeek, en hij ginder Maria in heur lang haar mede in den ronde dansen zag!…

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De zon stond reeds achter de boomen, maar Nazareth was niet ver meer.

Maria verwachtte elk oogenblik het te zien opduiken van achter de velden. Met de hand boven de oogen zag ze er naar uit, maar vond het niet. Haar hart klopte. Zij zag hoeven en verre blauwe boomen, zij zag zelfs het lenige lint van de Nethe, maar Nazareth vond ze niet.

En zie op eene onverwachte plaats, heel aan den anderen kant dan waar haar oogen zochten, stak het in al zijn eenvoud zijn koperen torenhaantje in de lucht.

„Jozef, Jozef! zie ginder is Nazareth!”

Nu was er haast in hunne beenen en hun hert.

Maria was van den ezel gestegen en het kind was zuigend aan haar borst in slaap gevallen.

Zij gingen nog achter eenige hoeven en nevens rijkbeladen boogerds en toen lag Nazareth vlak vóór hen.

„O Jozef,” juichte Maria overgelukkig, „zie! daar zijn de hutten rond de kerk, en ginder de brug over de Nethe; zie de menschen gaan hun geiten laten grazen. O nog altijd is ginder ons wit huizeken, en daar ’t berkenlaantje”… en hier zweeg ze en sloot de oogen. ’t Was alsof ze opeens het muziek in de boomen weer hoorde en zij weer in dien Maartschen Zondagavond stond. Het maakte haar van genoegen zwaar en ze lei haar hoofd op den schouder van Jozef.

„Een pastoor! Een pastoor!” fluisterde Jozef verlegen. Maria zag op en herkende den dikken rooden parochiepaap van voorhenen, die biddend in zijn brevier traagzaam kwam aangewandeld.

En zij bleven wachten tot hij voorbij zou komen.

De goede man wou als gewoonlijk groeten, maar toen herkende hij Maria, hij lachte eens verbaasd, bezag dan ernstig Jozef en de hangende beentjes van het zuigend, slapend kind en zei dan: „Hé! Ja, ja. Ik heb er van gehoord. Is dat uw man?”

„Ja,” knikten Maria en Jozef.

En dan weer de pastoor:

„Komt gijlie hier soms wonen?… Hei dat is goed …. Gij zijt getrouwd, en gij hebt een kind …. Ik zie aan die zaag dat gij schrijnwerker zijt …. Ik heb juist een kasken waar de voorste pooten af zijn. Gij zoudt dat eens moeten maken …. Ge zult hier veel werk vinden … want het zijn echte boerenjaren”… en dan wat beschroomder tot Maria: „Ja wie had dat gepeinsd. Kolossaal! Het wil lukken dat uw huizeken nog altijd ledig staat. Er heeft alleen een hovenier ingewoond die verleden maand in ’t gasthuis gestorven is … Ge zult het wel zien, er staan veel rozen in uw hofken … Ik heb nog altijd den sleutel … en uw man zal daar veel plaats hebben om te knutselen en te hameren.”

„Dank u vriendelijk mijnheer pastoor,” zei Jozef eerbiedig.

En Maria knielde neer, Jozef ook, en de paap gaf met twee losse vingeren, die efkens uit zijne te lange mouwen kwamen, hun den zegen …

Daarna zuchtte hij en zei met moeite: „Welgekomen Maria met uw kind en uw man …” Hij wist niet meer wat zeggen, en terwijl hij met een rooden zakdoek het zweet afkuischte ging hij goedig-knikkend achteruit en zei dan nog: „’t Is een heete zomer … Maar er zal veel koren zijn.”

Er schijnen nog geen sterren, maar de zilveren draad van ’t jonge manesikkeltje buigt zich helder op het groene goud van den uitgaanden dag.

Vrede weegt over de aarde, en de boomen omhullen zich met trage schemering. Zij zullen weldra slapen.

Er hangt een geur van fruit allerwegen, want we zijn in September; en op het veld brandt een rood patattenvuur dat luie strepen smoor voor de hooge boomen weeft. Een laat vledermuisken trilt donker op de lucht.

Daar in de witte woning waar Jozef, Maria en het kind in vrede wonen, staat het venster open. Er brandt nog geen licht, de geur der donkere rozen hangt tot in de schemerduistere kamer, en van weerskanten van de tafel waarop brood en koffie staat, liggen in biddende houding de handen van een man en die van eene vrouw gevouwen.

Terwijl een mannestem brommend als een hommel den zegen des hemels over het eten roept, slaan de bolle handekens van een kind een houten lepel rumoerig op de tafel.

1916–1917. Lier.