DE OPDRACHT.

Eene huiverende zoelte, die uit den grijsgelen hemel zeeg, deed over Gent, het Jeruzalem van Vlaanderen, de sneeuw op de daken en de straten smilten. En de sneeuw die daar gisteren de oude stad nog zoo vriendelijk, stil en gezellig maakte, drupte en lekte nu van de dakgoten, kletsend en pletsend op de steenen en ronkend in de regenbuizen. Het zijpelde van de trapgeveltjes en vensterkozijnen dat de gewitte gevelen er groen en blauw van uitsloegen; het was een groeiend geluid van water over heel de stad.

Het leiblauw der torens en het bruinrood der daken liet hier en ginder weer zijn gemoedelijke kleuren zien, en de witheid der straten, die gisteren nog het lawaai der gerijen en der zwaar gekloonde voeten dempte, was een vuil pappig slijk geworden, zoodat de ratelende wagens dezer nijvere stad weer de ruiten van de huizen deden trillen ….

Op de vrijdagsche markt, waar het volk rood-neuzig en met trappelende voeten rumoerde rond de kramen van potten en pannen, garen, kruitnoot en andere dingen, kwamen uit de afspanning en logement „De Wapens van Zeeland” Jozef en Maria.

Jozef, die het kind droeg in een schotsche sjaal, baande zich koppig een weg door het volk, om Maria vrijen doorgang te verleenen, die lijdzaam achter hem aankwam, en een kevieken bijhad waarin twee ineengedoken tortelduifjes zaten.

Zij hadden in „De Wapens van Zeeland” geslapen, na een heelen dag langzaam rijdens in een piepend huifkarretje dat de ietwat stramme ezel geduldig maar moeielijk had tot hier gebracht ….

De groote paap van Bethleëm had weldra van menigeen zijner parochianen het nieuws der wondere geboorte gehoord; maar pinkoogend had hij zijn schouders opgehaald als wilde hij er de mogelijkheid van bestrijden; maar van binnen had hij danig spijt, dat hij die arme lieden, die Jozef en Maria waren, dien avond niet had binnengehaald, warm eten had gegeven en het ruime logeerbed, waar het kindeken dan proper en gemakkelijk ware geboren geweest.

Het zou hem tot eere gestrekt hebben, dacht hij, bij de menschen en bij God, en wellicht zouden latere boeken verteld hebben, hoe het mee dank aan hem was, dat het kind waar de wereld naar wachtte geboren wierd. Hij had de kans verkeken en herinnerde zich een spreuk van een monnik hierbij toepasselijk: „Wacht niet den Koning binnen te laten al heeft hij geen kroon op het hoofd.”

Niettemin pakte hij zijn onafscheidbare schuiler onder den arm en ging het kind bezoeken. En alhoewel niet alles willende gelooven, omdat hij was in fout, had hij er zijn tikkenhaan eerbiedig afgedaan, en had tot Maria gezegd als zij om zijn zegen vroeg: „Zou ik het niet moeten zijn die om ùwen zegen vraag?”

Nog den eigensten dag liet hij zijn gramme maarte, eten en geld naar het stalleken dragen …. Nadat hij het kind besneden had gaf hij de moeder, door wier diepen, eenvoudigen blik hij zich steeds weemoedig voelde, met roerende stem, den raad van naar Gent de opdracht te doen.

En hij was er zoo mee ingenomen, alsof hij zijn nalatigheid herstellen wilde, dat hij zorgde voor een karretje, en op voorhand den hoefsmid betaalde die nieuwe ijzers onder de pooten van den ezel sloeg.

Zoo waren ze naar Gent gekomen.

Nu tusschen al dit menschengewoel en geratel van karren en diligenties, in die groote stad met duizenden huizen en honderden straten voelden zij zich angstig bedeesd als kleine kinderen in een bosch.

En Jozef ging maar op ’t goed-valle-het-uit de straten door, altijd in d’ oog houdend de dikke kerktoren, die hoog boven de huizen zwartendbleek den hemel instak, en Maria kwam vertrouwend volgend achteraan. Op het kerkplein zag Jozef naar omhoog; als een goddelijk geweld rees de duizelingwekkend hooge toren ver boven zijn klein persoontje in de lucht, en het scheen hem dat hij voorover hong en alle minuten op hem ging nederstorten. Angstig zag hij naar Maria om, drukte het kind dichter tegen zich aan, en ging een stap rapper om gauw de kerk in te zijn.

Toen kwamen zij onder de verheven kille gewelven in die kerk bijna zoo groot als een dorp, als een bosch van steenen boomen. Zij waren er in verloren en vernietigd, en verbluft en ontdaan bleven zij staan op eenen en denzelfden steen.

Daar er maar weinig menschen waren, getroppeld rond een preekenden pastoor, wiens luide woorden als hondengebas, hol onder de statige gewelven verloren galmden, scheen de kerkruimte eens zoo hoog en diep.

Jozef vond het allemaal veel te groot en te ontzaggelijk. Nooit waren er beukenboomen zoo dik en fel als die pilaren, de heiligenbeelden waren geweldig als olifanten, de gekleurde ramen groot als een huis, en de plavuizen breed genoeg om een keuken op te bouwen.

’t Was iets voor reuzen en waar de menschen altijd klein en ingetogen zijn.

En zij bleven wachten naar ze wisten niet wat …

Maar uit het luisterend groepken kwam er naar hen een lange vrouw, die haren kapmantel over hare magere schouders had hangen als over een stok.

Een hagelwitte pijpkesmuts, en twee pekzwarte oogen gaven aan haar gerimpeld, zakkakig nonnengezicht een nog geler en ouder uitzien. Maar over den smakelijk gelipten mond hong de jeugdige glimlach van een vredig geweten, en hartelijk als eene moeder groette zij Jozef en Maria.

„Komen de menschen soms voor de opdracht?”

„Ja,” knikten Jozef en Maria wat verlegen.

„Gij komt van Bethlehem zeker? Zoover! O wat een wonderlijk schoon kindeken!”

„Kent gij ons dan?” vroeg Jozef verbaasd.

„Ik dacht het maar,” glimlachte ze geruststellend tot Maria, en ingenomen nam ze dezer handeken en zei: „De gratie des Heeren straalt uit u heen, uit welk geslacht zijt gij geboren?”

„Van David,” zei Jozef stotterend, die niet kon begrijpen wat die vrouw begeerde.

„Dan zou het kunnen zijn,” zeide de oude vrouw terwijl er een blosken van geluk over haar gele jukbeenderen sprong, „dat de wereld van aanschijn zal veranderen!” maar seffens daarop vroeg ze: „Wacht ge nog naar iemand?”

„Neen,” schudden ze beiden.

„Kom dan,” zei de vrouw, „ik zal u helpen, hei ginder is Sooke de koster!” en met hare gele, met los vel overtrokkene hand, wenkte zij den ouden koster, die juist een snuifken nam achter een marmeren heiligenbeeld; haastig kwam hij afgesleft. ’t Was al een oud man met een dikken bleeken waterneus, en de groote voeten die zijn bevend lichaam, op doorzakkende knieën droegen, zaten warm in dikke zwarte sloefkens.

„Hei! ’t is voor d’opdracht!” juichte hij zijn vinger verrast omhoog stekend als hij de duifkes zag, maar zijn hals naar het kevieken rekkend, zei hij met misprijzen: „Mager beestjes,” en dan plots daarop tot Jozef: „Een keers van een halven frank of een van tien centen? maar die branden niet lang, die lekken te veel.”

„Geef maar een van een halven frank,” zei Jozef flauw. „Maar,” vroeg hij nieuwsgierig, naar de vrouw wijzend die met Maria al verder, vertrouwelijk koutend door de beuken ging, „wie is die oude vrouw, dat zij weet dat wij van Bethlehem komen?”

„Hei!” zei de koster, „weet gij het nog niet? Die weet alles! dat is de profetes Anna. Zij is al vierentachtig jaar en blijft van ’s morgens tot ’s avonds in de kerk. Zij heeft copie,” en de koster wees op zijn voorhoofd, „zij kan het verschot en het feit belezen, en zij heeft een zalf, jongen, die flerecijn en brandwonden geneest. Vraag haar zoo maar eens een potteken, zij geeft het voor niets.—Hm, hm, als ge wilt heb ik nog duurder keersen, van een frank vijftig, doch die branden een heelen dag!”

„Doe maar,” zei Jozef angstig.

„Wacht dan wat!” vermaande de koster, en zoo rap zijn sleffende voeten het hem toelieten kwam hij terug met een langen bruinwassen kaars, mager als een riet.

Heel van achter in de kerk, waar een koperen altaarken blauwig glom in het licht eener ronde gekleurde raam, zaten Maria en Anna reeds geknield op de trappen, en als de koster de kaars had opgestoken, het geld had ontvangen en was weggegaan, begonnen Jozef en Maria aan den God van ’t hemelrijk hun kind op te dragen, dat Maria op haar bleeke handen naar het altaar hield …

En in die dagen woonde er diep in ’t herte van Vlaanderen, op den bol van den Kluizeberg, in de puinen van een steenen windmolen, een heilig eremijt met name Simeon, een eerbiedwaardig ouderling, in wien de huiveringen des heiligen Geestes vaarden, en die wachtte en uitzag naar de komst van den verlosser der wereld.

Want in zijne jonkheid was hem eens geopenbaard dat zijne grijsheid den dood niet zien zou alvorens hij de hooge vertroosting des Heeren zou ontvangen.

En terwijl zijn ziel snakte om in den hemel te komen, leefde hij geduldig, verbeidend de groote stonde, zijn heilig leven voort.

En ’s morgens als hij opstond dacht hij: „’t Is misschien voor vandaag,” en als hij slapen ging: „’t Is misschien voor morgen.”

Maar de heilige Geest kwam op zijn tijd, en wees hem eindelijk naar de plaats, waar hij het vleeschgeworden licht, dat de ruimten en de menschen vervult, zou mogen aanschouwen.

Nu, in den nacht, had hij gedroomd, dat er in de groote kerk van Gent, eene reuzige korenschoof stond, die hare zware halmen tot aan de gewelven reikte, en die zeker meer koren inhield dan al de velden van Vlaanderen en Holland te samen. Zijn ziel was er zoo verheugend van beroerd dat hij wakker schoot, eens even zijn droom herdacht en bijeenraapte en juichend zei: „Dat is ’t!”

En noch met nacht of koude afrekenende stapte hij uit zijn strooien bed, sprenkelde wat water over zijn kalen schedel en zijn langen geelwitten baard, dronk een kommeken kil melk, schudde een gelapte, grijze monnikspij over zijn geitenharen hemd en stapte buiten op weg naar Gent.

Er vielen twee klokkenklanken uit een dorpstoren. De nacht was zwart als pek, en de lauwe koelte die sedert gisteren in de lucht zat, bracht den dooi, en deed smilten de sneeuw op de wegen.

Opgetrokken in den Heer, rillend van blijde ontroering, voelde Simeon niet de natte sneeuw door zijn stukken schoen komen, noch de zwakte zijner oude beenen. Hij ging maar voort in ’t midden van den steenweg, en lette niet op de dikke lekken die van de boomen op zijn rug klopten.

Hij ging den verlosser zien! het geluk waarmee heel zijn leven was doordrenkt.

En al mocht de zee nu tusschen hem en Gent gelegen hebben, hij zou er over wandelen! zoo zeker was hij van zijn stuk.

Er was in hem alleen wat vrees om te laat te komen, maar daarom trok hij het achterste been altijd wat rapper in, en hij ging er over als een jongen van twintig jaar.

Na langen, langen tijd, na vele uren wierd er hier en daar een lichtje aangestoken, in de huizen van menschen die naar hun werk togen, of van boeren die naar de vrijdagmarkt zouden rijden.

En ten lange leste kwam er in de oosterpoort, achter uiteengereepelde wolken een watergrijs licht: dat was de nieuwe dag.

„Vandaag! Vandaag! O blijdste dag van mijn leven!” juichte Simeon, „’t is zonne in mij, ’t is zonne in mij, ’t is zonne!”

Zijn lange witte krollekensbaard kleerde nu op uit de duisternis, en zijn klare, zachte, blauwe oogen kregen het licht van den morgen.

Hij zag de zacht-besneeuwde velden, de lekkende boomen en de schaarsche huizekens wakker worden in den dag, en hij juichte: „O aarde, verblijdt u tot in uwe ingewanden, boomen schudt uwe armen en slaat in uwe handen, menschen ontwaakt uit uw bed, springt op en danst, roert trommelen en violen, de verlosser is daar! de verlosser is gekomen!” En dan weer: „O, mijn oud hert, klop zoo niet, wat zult ge dan doen, straks als ge hem zult zien?” en zonder droef te worden voegde hij er binnensmonds bij: „Breken!”

Alzoo vervuld van goddelijke aanrakingen, en van den vollen morgen omgeven kwam hij aan de Leie.

„Over!” riep hij, „om de liefde Gods!”

Een boerenmeid met sproeten in haar gezicht, stak hem met de logge veerpont over.

„Slecht weer vandaag, mijnheer de patere, en vuil onder de voeten,” zei ze, hem schuins opnemend om zijn gelapte kleeren, maar toch niet bang, daar zijn gezicht zoet en zuiver was als van een kind. „Goed weer!” wedersprak Simeon, „heel goed weer, ’t is nog nooit op aarde zoo’n goed weer geweest, ’t is zonne, ’t is zonne!”

„Ja, ja,” zei de meid, al kon z’r geen kop aan krijgen, en als hij nog eens gezegd had: „’t Is om de liefde Gods, God zal ’t u loonen,” stond ze hem nog lang na te zien en schuddekopte vol medelijden.

Voorbij een lorkenboschken zag hij Gent.

Gent met zijn torens en machtig Belfort, blauw-grijs in de besneeuwde verte, met smorende schouwpijpen en wat luidende klokken.

Simeon rilde en zweeg verrast. Hij wierd ineens als iemand die voor een koning komt en niet weet wat zeggen. Nu voelde hij machtig, het groote, het geweldige van God te zien. Zou hij er wel toe bekwaam zijn? Had hij niet gelezen dat wie God zien wil, sterven moet?

De verhevenheid van het oogenblik deed hem klein worden van gedachten en gevoelens: Was hij wel goed gekleed, zoo met een gelapt en verscheurd kleed, met schoenen waar de bloote teenen doorstaken; was hij innerlijk wel weerdig genoeg, voelde hij den droes van groote en kleine zonden niet op den bodem van zijn hart liggen?

En hij twijfelde wat om voort te gaan, en kreeg al goesting om beschaamd terug naar den kluizeberg te loopen, maar er was een wassende macht in hem, die hem voortduwde als naar een noodlot: „O Heer, maar een minuutje U van verre zien!” kwam het verlangend uit het diepste van zijn gemoed. En daarmee begon hij te gaan, dweers door slijkige sneeuw en vuile plassen, dat hij soms tot aan de knoesels in het water ging.

Aan een boer, die op ’t veld aan ’t werken was, vroeg hij zonder stil te staan of zijn pas te vertragen, den kortsten weg om aan de groote kerk te komen.

Als hij door de drukke straten van Gent zich voortspoedde keken hem de menschen verbaasd en spottend na. Maar hij hoorde er niets van: alleen was hij wel wat verwonderd dat iedereen niet, lijk één man, naar de kerk liep om den verlosser te bewonderen.

Toen hij de kerk zag, begon hij te bidden, van toch onderwegen niet ineen te zakken of geen been te breken.

Gejaagd liep hij de kerk in, en stond lijk aan den grond genageld daar hij de beuken bijna zonder menschen vond.

Had hij dan verkeerd gedroomd?

Waar hij in zijn droom de reuzige korenschoof had gezien, meende hij Bisschoppen en prelaten te vinden, die bij wolken wierook en daverend orgelspel den verlosser begroetten. En er was niets dan steen zoo bloot als mijn hand!

Traagzaam, verslagen en ontgoocheld luisterde hij wat naar den bassenden pastoor op den preekstoel, en slefte dan met looden voeten de kerkbeuken rond. Hij bezag de beelden en de lampen, maar ineens kreeg hij een schok, ginder voor een koperen altaar zat tusschen een biddende oude vrouw en een oud man, een jonge moeder die een kind ophief naar kalm brandend keerselicht.

En weêr voelde hij in zich een van die huiveringen die hem boven tijd en eeuwigheid verhieven, die tranen naar zijn oogen brachten, en heel zijn wezen opslorpten in ongekende heerlijkheden. Dat waren steeds de groote stonden van zijn leven, de bezoekingen van God, en hij voelde het met zijn ziel als met zijn vingeren, dat dit hulpeloos kindeken degene was dien hij zocht.

Voorzichtig ging hij tot hen, tikte Maria op de schouders, en vroeg met bevende stem aan de eerst wat verbaasde moeder.

„Mag ik mijn Heer en Meester op mijn handen nemen?”

Gewillig gaf ze hem het kind op zijn lange schoone handen.

De tranen lekten uit zijn baard, ’t was alsof zijn ziel te groot wierd en opensprong, en hij zich ijle, reine ruimte voelde bij de aanraking van het kind. Hij was dronken van God, en heel zijn lichaam was er van verlicht.

Dat zagen ook Anna, Jozef en Maria aan zijn oogen, die nu bòvenmenschelijk schoon en als die van een engel waren.

En met een stem van iemand die gelukkig sterven gaat, vooisde het dankbaar van zijn lippen: „Heere laat nu uw dienaar naar uw woord in vrede gaan: want mijne oogen hebben gezien uwen zaligmaker, dewelken gij bereid hebt voor het aanschijn aller menschen, een licht ter openbaring van de heidenen en tot luister van uw volk!”

Verwonderd en ontroerd aanhoorden ze die heerlijke woorden, en de oude Anna, die al dit wonderlijke in dit wezentje had vermoed, sprong op van geestelijke verheuging, en knielend in aanbidding, kuste zij de gebusselde voetjes van het kind.

Deze gerimpelde vrouw, die steeds den hemel nutteloos gesmeekt had om een vrucht van haar lichaam, en kinderloos zijnde eene wondere genegenheid voor kinderen voelde, stond thans in hooge bewondering voor Maria, en wenschte innerlijk, uit den grond van haar hart, ontdaan te zijn van hare beroemde wijsheid en profetieën, om eenvoudigweg een gewone moeder te mogen wezen, zooals zij daar Maria gelukkig zag, opkijkend naar haar kind.

„Moederken,” fluisterde Anna haar toe, „Moederken, wat moet ge toch gelukkig zijn!”

En moedertrots en reine fierheid glansden bij die woorden in Maria’s groene oogen.

Maar zie! Een sombere trek kwam over Simeon’s kinderlijk gelaat. Maria aanzag het met groeienden angst, haar hart begon te botsen van een nijpend voorgevoelen.

Simeon zag ineens, in den geest, heel het leven van het kind, zijn lijden en zijn glorie, en in die toekomst van goddelijk verdriet, van bloed en tranen, zag hij ook het beeld der jonge moeder op den voorgrond staan.

Een rilling deed hem de oogen sluiten, en pijnlijk sprak hij:

„Zie, dit kind is gesteld tot val en opstanding van velen, en tot een teeken van tegenspraak opdat uit veler harten de gedachten zich openbaren … Maar gij o moeder”… en hier haperde zijne stem, „een zwaard zal uwe ziel doorboren!”

Maria begreep ineens dat dit zwaard het lijden en de dood van haar kind zou zijn. Haar jong moederhart kraakte en scheurde onder die woorden, eene bleekheid sloeg naar haar gelaat, ’t was alsof alle leven uit haar henen vlood, en terwijl zij ineenzakte, en opgenomen wierd in de helpende armen van Anna, stak Maria nog haar handen uit naar haar kind, liet een kreetje en viel in zwijm …

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Zij waren nu weg, Jozef, Maria en het kind.

Met oogen, groot van verwondering en verheuging, stond er een vroom groepje menschen te luisteren naar de profetes Anna, die hen gezapig, op haar zeven gemakken het ontstellend nieuws liet hooren, dat ze met haar eigene oogen den verlosser had gezien.

En er waren er bij, die, als de woorden nog niet koud waren, de kerk uitmuisden, om op een loopken de schoone tijding in hun huis te gaan verkondigen.

Op een kwartierken tijd was heel Gent er van vol. En hoe menige geloovige vrouw was er niet, die haar soep en patatten liet staan, een mantel aanschudde en naar de kerk holde! en hoe menig vroom schoenmaker, die zijn els en pekdraad op zij smeet, hoe menig godvreezend kleermaker, die den driegdraad van zijn broek plukte, en hap snap ook eens ging kijken.

Van alle kanten, uit straten en stegen, kwam het volk haastig ter kerk toe, allen met een glimlach op hun mond, en met de blijde hoop bezield, Hem daar te vinden dien ze steeds verbeidden, en waarvan ze zoo menigen avond achter de ronkende stoof hadden gelezen en gesproken!

Maar ze vonden er slechts heel veel menschen die naar malkanderen kwamen zien. Ze waren zenuwachtig, en het spijt maakte hun gezichten lang …

En op de ure van den noen, als alle klokken luidden, reed het huifkarretje over de Korenmarkt. Het stramme ezelke was even geduldig als altijd. Jozef ging leidend voorop, en onder de grijze huif zat de blauwgemantelde, jonge bleeke moeder, met veel verdriet in haar oogen, en de borst gevend aan haar rustig kind.

En als een lied van zegen, roerden de klokken hunne klanken, ’t waren er verre en dichte, en er was gehuppel van ronkend brons, en klingelend zilver, ernst van dikke zware klokken met spelende stemmekens daartusschen.

’t Was afwisselend en heerlijk als ’t geklets en ’t gedrup van den dooi.

De lucht zinderde er van, de ruiten rinkelden, de steenen torens gonsden: Gent zong!

Maar een klok zweeg. En dat was Roeland, de tong, het hart van Vlaanderen, die sedert het Vlaamsche volk verworden en verbasterd was, gescheurd daar in de hoogte hing, en zijn stemme niet meer roerde.

Maar plotselings, als het karretje aan den zwaren voet van ’t geweldig Belfortsteen passeerde, ging er daarboven in de lucht een bronzen geril, en als de jubeling van den hemel, dommelde Roeland ineens met volle galmen zijn zegen over het land.

Het Belfort beefde, Gent beefde, en de menschen als van de hand Gods geslagen, huiverden en ontroerden, voelden ’t gehamer door hun herten gaan, en staarden verbijsterd naar boven in de lucht, maar niemand zag naar beneen, waar een povere familie met een piepend huifkarretje onopgemerkt door de straten ging.

En heel ver in het land waar de menschen aan het dampend noenmaal schoven wierd het bronzen lied gehoord. En menig ouderling hield zijnen lepel stil en staarde met betraande oogen in de verte waar de Belforttoren flauw-grijs in den hemel klompte, en zei met brekende stem. „Het roert entwat in Vlaanderen”.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Drie dagen nadien, als het gouddoorzoelde groen dat de zon soms nalaat als ze is weggegaan, een schoonen vrede achter den Kluizeberg spreidde, brak het hart van Simeon, en stierf hij met een kinderlijken lach in zijnen baard, in het bijzijn van twee wilde konijntjes, die altijd uit zijn hand peeën en loof kwamen eten.