Het lied van den snoeier, in den populier, deed Jozef inwendig glimlachen. Dat was nog iets uit zijn jonge dagen; en terwijl hij den grond openspitte om een groentenbeddeken aan te leggen, en de vettige klonten aarde openwierp, hommelde hij het vooiseken mee:
Wanneer ik soms terugdenk aan die dagen
als ik nog rond ons moeders papteil zat …
Jozef richtte zich op, stak zijn schup in den grond, en met zijn elleboog op den steel leunende, luisterde hij geroerd, om verre herinneringen naar het lied, en zag met halftoeë oogen het fijne landschap aan.
En ’t landschap was zoo schoon dat hij het lied vergat.
Hoe heerlijk toch de aanblik van het land, dat snel verjongd wierd door de groote nanoenzon, die hare gulden haren over de aarde schudde, en ze langs de kentelende akkers slijpen liet!
De boomen waren helder van het kikvorschgroene mos, en er was geschitter op de rappe loopende waterkens.
Een gouden stof trilde in de aarzelblauwe lucht, waardoor er nieuwe vogels naar de purperbruine konijnenbosschen keerden; en van het zachte blauw der heuvelen kwam het blij getoeter van een herdershoren. Er blonken madeliefjes waar de os en de ezel aan het grazen stonden.
’t Was alsof Jozef ineens nieuw bloed gekregen had. Hij was blij en wist niet om wat. „Wat een goed weer! wat een goed weer!” wist hij slechts te zeggen: en hij zag rond, naar zijn eigen, naar de knotwilligen en draaiende molens.
’t Was hem allemaal zoo nieuw en heerlijk; hij dronk het met gulzige oogen, alsof hij voor den eersten keer op de aarde was geplaatst.
Hij aanschouwde met frisschen vreugde, hoe zijn verbleekt rood slaaplijf behagelijk afstak tegen den donkeren grond, en tegen het hagelwit der windellappen van Kindeken Jezus, die ginds te drogen hongen in de zon en op het pluimenwindeken; en och! hoe jeugdig speelde op het einde van zijn korte baard het zilver van de zon!
’t Was een van de zeven schoone dagen dat het korte maandeken, dat Februari heet, verplicht is ons te geven. De boeren wier beenen voos van ’t zitten waren op eenen en denzelfden stoel, waren met den eersten zonnestraal uit hun schelp gewipt, en stonden lenig op het veld te werken als voor hun plezier. De ploegen doorsneden het vleesch der aarde, het zaad reuzelde in de voren, de groentenbedden wierden opengelegd, en de beer die drift geeft aan den groei, en toch zoo aangenaam om rieken is als hij van ver komt en vermengd met grond, wierd weelderig, goudbruin, uitgegoten.
De winter was voorbij, de eerste vogelen waren gezien in ons land!
„Wat een goed weer toch!” zei Jozef maar herhaaldelijk, om zijn fijne zielevreugde te uiten.
Hij zag Maria zitten, aan de deur bij een wissen wieg. Zij stopte kousen. De zon hong glanzend in heur korengulden haren, waarover de witte hoofddoek zedig gebonden, met het knoopken onder de kin.
Haar blauw kleed was hier en daar bleek afgegaan, en haar zoet aangezicht, verfijnd door verdriet en alverterende liefde scheen doorzichtbaar als dun perelmoer, en de groene oogen die groot-open de verte aanschouwden en het rustige Bethlehem, waren glanziger, dieper van kleur, en een wereld van schoone gevoelens lichtte er uit op, die men maar hebben kan als men moeder is.
Als Jozef haar zoo jong en heerlijk zag, en toch zoo droef, voelde hij zich week worden, en wilde haar zijn blijdschap mede deelen met te roepen: „He, Maria, wat een schoon zonneken toch nietwaar?” Zij bracht de hand boven de oogen en knikte hem gemoedelijk toe.
„Maar,” riep de snoeier van uit den populier, „de zon is nog niet droog achter haar ooren, er zit nog andere peper in de lucht!”
Jozef wierp zijn woorden naar omhoog, „’t Kan toch een dag of vijf aanhouden, de maan staat in ’t half kwartier!” Jozef wees naar de hostie-bleeke maan die op grooten afstand de zon volgde.
„De maan en het weer! ’t zit allemaal niet meer in den haak. ’t Hangt aaneen lijk gehakt stroo. ’t Komt geloof ik met al die voorteekenen. Gisteren avond is, zoo ’t schijnt, de sterre met den steert weer gezien worden! En hebt g’het al hooren zeggen van die vieze mannen die in ’t land gekomen zijn?”
„Neen,” riep Jozef seffens ontrust, „wat voor vieze mannen?”
Bij Maria kwam er angst in haar oogen, en ze zag met spanning naar den snoeier omhoog.
„Weet ge dat nog niet? Wacht, ik kom een pijpeken stoppen!” zei Sander.
Hij daalde naar beneden.
Hij had een blauw kiekje en een blauw schort aan, rond zijn bruine hals hong een roode zakdoek met witte bollen, zijn kousen waren helder groen als kropsalaad, en op zijn kleurloos hoedje glom wit en blauw, het pluimeken van een ekster.
’t Was een lange vent van rond de veertig, met een rossen neêrhangenden knevel onder de rozen, bollen neus, met een lach in zijn verkensoogen, en witte haarkens op zijn bruine handen. Als hij tabak genomen had uit een verkensblaas, stak hij zijn handen in zijn broekzakken, bezag eens innemend het slapend kind, en duchtig rookend vertelde hij vol gewichtigheid tot de twee luisterende gezichten van Jozef en Maria dat er een bende van ‘kweet-niet-hoeveel duizend mooren en wilde mannen op Gent marcheerde. „Zij worden aangevoerd door drie koningen, die de rijkste en sterkste koningen zijn van heel de wereld. Die mooren en chineezen hebben pieken en messen bij, genoeg om op één kwartierken heel het leger van Herodes een koppeken kleiner te maken.”
„En wat komen die hier doen?” vroeg Maria snel.
„Zie,” zei Sander, gewichtig zuchtend, fier en blij omdat hij aan Maria, die in de lande een groote faam van eerbied had gekregen, zijn nieuws kon melden; en in al zijn ijver begon hij, zonder het duidelijk te willen, geweldig te overdrijven. „Wat zij hier komen doen? maar als ’t waar is dat zij kemelen en olifanten bij hebben, en andere wilde dieren lijk tijgers en krokodillen, dan geef ik mijnen kop voor geen kommeken soep!… Zoo ’t schijnt vertrappen zij de velden uit louter geneuchte, en eten de kleine kinderen op. Overal waar ze gegaan zijn staat heele de streke in brand en …”
En terwijl hij maar voortvertelde, zich meeslepen liet door zijn eigen verzinsels, was ’t Maria of ze sterven zou. Ze ging tot bij de wieg en verborg de rustige, poezelige pollekens van Jezusken in hare witte handen.
Heel de zee van angst en verdriet stormde weer door haar heen.
Want sedert zij uit Simeon’s mond het orakel van het zwaard vernomen had, meende zij in alles een vijand van haar kind te zien. Booze machten beloerden het vanuit de boomen, de lucht, de zon en het water, en al de schoone dingen die zij vroeger zoo beminde. Met bijna kinderachtige nauwgezetheid waakte zij over het kind. Zij sliep niet, rustte niet, en werd opgegeten van knagende onrust.
Maar voelde ze dan, bij klaarder overdenken, dat ze streed tegen hersenschimmen, dat het woord van Simeon de rechte waarheid was, en onvermurwbaar als een rots, dat zelfs de Hemel zou helpen om het te voltrekken, dan boog ze het hoofd, kneep de oogen toe, en zei vol overgave, maar met gebroken ziel: „Uw wil geschiede naar uw woord.”
Als ze dien kreet van opoffering uit haar hart had gerukt, was het weer vrede en goedheid in haar, en zag zij kalm de ongeboren dagen in.
Zoo ook wist Jozef haar soms op te wekken, als hij haar voorspiegelde dat eerst haar kind nog groote dingen moest verrichten.
Maar telkens rees, bij ’t minste, het zorgend, kommerend moederhart weer boven.
En nu, nu Sander haar daar zoo nuchter die gruwelijke ijselijkheden kond deed, was het haar of het leven haar ontvlood.
Jozef zag het, en hardnekkig, slechts om zijn vrouw te verlichten en niet om Sanders woord te loochenen, hapte hij tegen den snoeier in: „Ik geloof er niets van dat ze langs hier zouden komen. Het zijn landverhuizers, landverhuizers zeg ik u, die recht naar zee zullen trekken om zich daar in te schepen voor verre landen, naar waar de vogels henen-trekken als het winter wordt. Ik geloof van al die dingen niets.”
Jozef zweette van inspanning.
Sander was er van uit zijn lood geslagen. „’k Zal niet zeggen dat het heelemaal waarheid is. Als Pier de slachter liegt, lieg ik ook, ik heb het zelf niet gezien … Maar weet ge wat,” en hier bracht hij het verhaal op andere wegen, „’k Heb altijd gedacht dat er ievers in stilte tegen Herodes wierd gekonkelfoesd. Zie nu maar,” hij teekende met zijn houten pijp groote gebaren op de lucht, „die mannen komen hier voor de eene of de andere noozele reden met zoete gezichten binnen, maar als ze met twee voeten op vasten grond staan, ge zult het zien, dan slagen zij den boel hier kort en klein, en knoopen dien vetlap van een Herodes aan het Belfort op!”
Hij zocht naar de uitwerking zijner woorden op hun gezicht.
Maar ginder klonk een vroolijk lied.
Met drieën zagen ze om.
„Kruisduit! Kruisduit! Kom eens langs hier!” riep Sanders naar den zanger. „Zie,” zei hij tot Jozef en Maria, „ginder is Kruisduit, en die komt als gewoonlijk zeker van Gent, die gaat ons nu het nieuws in ’t lang en breed vertellen.”
Op den kronkelenden wegel, kwam er wijdbeenend een kromme oude aangestapt, met een mand op den rug en een groene slipjas aan. Hij stak zijn stok omhoog ten teeken dat hij komen ging.
Zij hoorden zijn lied.
Ik ben te vroeg geboren
Al keer ik mij om en om
Al had ik een keizerdom,
Daarbij den tol van den Rhijn
En waar’ Venetiën mijn,
Het waar’ toch al verloren
Het moet versluimet zijn.
Zoo en wil ik dan niet sparen
En wil daarom verteren.
Ik en wil daarom niet zorgen
God bezorgt mij morgen meer
Wat helpt mij dat ik spaar ….
Kruisduit had een echt spekulasieventengezicht. De zon schoot een zilveren punt in de lek die aan zijn kapneus biggelde, en glom in het vet van zijn versleten muts.
Het was een vent die het zeventig keeren had zien winter worden, maar als hij zijn al te lange beenen openzette, stapte hij er nog op los, als iemand die ter kermis gaat. Hij woonde alleen in een strooien hutteken. Het stond ginder op den kalen top der dichtste heuvelhelling, blak en bloot voor alle winden en zichtbaar over heel de streek. Een blind paard kon er alles omver loopen. De menschen zeiden dat hij alles uit een denzelfden pot at die nooit water had gezien, en alles wat niet te heet was òf te zwaar Kruisduit’s eigendom. Maar toch een goede vent; waar hij kwam wierd er gelachen.
Soms bij open weer, was hij heel den dag op de baan, met een lied op zijn lippen, en een lek aan zijn neus, en de mand vol nestels, garen en lint, kaarten, solferstekken, haarpommade, blink, postpapier, en zelfs een fleschken reuk, en roze en blauwe kinderkammen. Hij sliep dan in een hooimijt of onder den blooten hemel. Had hij honger en geen centen op zak, dan vulde hij zich met uitgetrokken peeën en rapen, en dronk aan de sloten uit zijn muts; maar als hij „kommersie” had gemaakt dan dansten de stuivers, kocht hij een maatje brandewijn, een hespenknook, zette zich in de zon en speelde het smakelijk naar binnen met mosterd en met brood.
„Hè! gij zijt er van aan ’t profiteeren! De zon zit lijk wijn in mijn beenen. Ik voel mij nog geen vijftien jaar!…. Maar nu gaat gijlie mij eens handgiften; ik heb nog niets verkocht, en Kruisduit heeft een maag als een platte doedelzak!”
„Wat spartelt daar onder uwen frak?” vroeg Sander listig, wijzend op een dik pak op Kruisduit’s borst.
„Och arme!” schuddebolde Kruisduit met een lijkbiddersgezicht. „Een arm haantje dat naar mij kwam toegeloopen van den grooten honger. Ik zal het t’huis zijn mizerie verlichten, ’k zal ’t opeten, ik kan geen beesten zien lijden!”
„Komt hij waarlijk van Gent?” vroeg Maria aan Jozef.
Om Maria’s jagende nieuwsgierigheid te verzoeten richtte Jozef zich tot Kruisduit: „Komt ge van Gent?”
„Ja ik!” zei Kruisduit. „Eergisteren verlaten, altijd recht door gestapt in de richting van de staartster, die desen nacht weer in den hemel heeft gestaan. ’k Ben nu eerst langs Bethlehem omgetoerd om er een pekelharing te koopen ….”
„En hebt gij de drie Koningen gezien?” onderbrak Sander.
„Hei!” juichte Kruisduit verheugd. „Zeker, zeker heb ik ze gezien …. Maar wie kan er mij wat toebak geven?”…. Als Kruisduit eenige profijtelijke trekken gedaan had uit zijn kort steenen baardbranderken, met den koper behoosden pijpekop naar omlaag, terwille van zijn neus, veegde hij het speeksel van zijn gladde kin en begon.
Terwijl hij vertelde roerde de druppel aan zijn neus en schoot soms kleine straaltjes. „Ik deed mijn kommersie. ’t Was tegen den avond als de lampen wierden aangestoken, zie ik daar achter mij drie ijzeren mannen, zoo zwart als een hoed, met een rolleken papier in hun hand, te paard voorbijrijden. Wij staken de koppen bijeen en gingen eens piepen wat die venten in ’t snuitje hadden. Ze galoppeerden naar ’t paleis van Herodes en een beetje daarna waaiden de vlaggen van de gevel, wierden er op al de stadspoorten de horens geblazen, en begonnen alle klokken te luiden. Op de straat begosten de soldeniers tonnen pek in brand te steken om veel licht te geven, lijk bij de groote feesten.
Langs alle kanten wìerd er geroepen: „Er komen drie koningen met duizend soldaten!” Hoe het kwam weet ik niet, maar heel Gent, klein en groot, was op een weerlicht op de been en liep lijk één man naar de stadpoort. Ik liep natuurlijk mee. Ge kost over de koppen loopen, en in de vensters, op de daken, op de boomen, overal zaten er menschen getroppeld. Maar dan heb ik me daar een soldaatjes uit de poort zien komen! Duizend, tienduizend, honderdduizend, ze kwamen lijk uit den grond gerezen. Ik wist niet dat er zooveel volk op de wereld was! Ik zal dat van mijn leven niet vergeten al word ik honderd jaar! Maar ’t waren geen soldaten lijk wij er hier zien, weet ge! Neen, allemaal mannen uit de warme landen, met smoelen zoo zwert als mijnen inkt en zoo bruin als koffieboonen. Er waren er met scheel oogen, met schuine oogen, met platneuzen, met ringen in hun ooren en ringen in den neus—hoe die venten hunnen neus snuiten begrijp ik niet—precies lijk de menscheneter die alle jaren op de foor in Brugge staat.”
„En!” vroegen ze gedrieën.
„Ze bliezen op kromme trompetten en bonkten op trommels met koperen buiken. Maar schoon gekleed dat die mannekens waren! ’t Was allemaal goud en zilver, belegd met bronzen platen en olifantentand. Een heelen regenboog van alle koleurige zijden, groen, blauw, geel, purpel; kleedjes met bollen en strepen, met bloemen en met ventjes, en op hunnen ijzeren hoed of op hun kopkussen een vollen arm pluimen …. Maar zij zaten niet alleen op paarden, maar ook op kemels en dromidarissen, en er waren beestjes bij zoo groot als een huis, met een steert van voor en een steert van achter. Ze noemen dat olifanten. Die hebben tanden zoo dik als mijn bil!”
Kruisduit lachte zoodanig dat de lek van zijn neus viel en openpletste op zijn glimmende hand.
Die warme lach verjoeg de ongerustheid van Maria. Als Kruisduit zoo lachte, was het een teeken dat hij er geen schrikkelijke dingen zou bijvoegen.
Zij zuchtte van verlichting.
„En hebt gij ook de koningen gezien?” vroeg Jozef.
„Hoe waren die?” voegde Sander er bij.
„Ja, die heb ik gezien, en zij hebben mij ook gezien! Zij zaten op kemels en olifanten en ze waren omringd van mannen die op rieten fluitjes speelden, en met hun vingertoppen op lange trommeltjes klopten. Zij roken naar den schoonsten hof die ge maar kunt uitdenken!
En dan volgde er een oceaan van soldaten met muziek en vanen en scherpe wapenen, en ’k weet niet hoeveel karren met ossen bespannen ….”
„Maar wat komen die hier doen?” vroeg Maria.
„Die komen hier naar een nieuwen koning zoeken!”
„Een nieuwe koning?” riepen ze met drieën verbaasd.
„Ja, een nieuwe koning!… Zij zijn uit de warme landen gekomen, over den Rhijn, langs Hasselt, Leuven, Mechelen, Antwerpen en Gent ….”
„En waar is die nieuwe koning?” gewaagde Sander.
„’t Is dat wat ze bij Herodes zijn gaan vragen!”
„Bij Herodes?” bibberde Maria, die telkens de schrik op ’t lijf kreeg als ze dien naam uitspraken.
„Wat heeft Herodes gezegd?” vroeg Jozef ernstig.
„Herodes heeft eerst wat op zijn poot gespeeld, en hij zei dat hij alleen de koning was, maar zij hielden staan bij hoog en bij laag, dat er in Vlaanderen een nieuwe koning leefde. Dan heeft hij stillekens gezwegen uit angst voor hunne olifanten en messen. Hij heeft sito al de wijsneuzen der stad, de filosofen, kletskoppen, lettervreters en profetenbazen bijeengetrommeld, om in oude papieren te zoeken of dit wel de waarheid was.”
„En?”
„Zij zoeken nog. ’k Heb zóólang op mijn teenen voor ’t verlicht paleis staan te wachten dat ik er de krampen van kreeg, en ’k ben er maar van onder getrokken …. want mijn kommersie gaat voor alles!”
Er woog een pijnlijke stilte. Terwijl Kruisduit opnieuw zijn pijpeken aanketste, stonden de anderen daar verslagen als uit de lucht gevallen.
„Ik geloof,” sprak Kruisduit al paffend, „dat Herodes met de poepers zit,” en hij klopte met zijn wijsvinger en zijn middelvinger tegen zijn duim. „Hij is bang dat hij van zijn gouden kappikel zal tuimelen. Het volk loopt al in benden rond en ze zingen:
„Hij is van de brug het water ingevallen!”
„Zeg eens Kruisduit,” smeekte Maria, „is het waar dat zij de kinderen opeten?”
Kruisduit schoot in een lach dat hij de handen op zijn buik moest houden. „Kinderen opeten! Ah, ah! Wat ge u-toch allemaal laat wijsmaken! Kinderen opeten! Wel ze gooien zoo maar de centen in de grabbel, het bier loopt zoo maar in de riolen! Onder hun vies gezicht zitten er goede zielen, en als Herodes zoo was, dan waren wij hier in ’t Landeken van Belofte!”
Maria vroeg hem zoet: „Zouden ze ook langs hier komen?”
„Bah,” gekscheerde de vent. „Zij zouden hier iets komen zoeken dat er niet verloren is. Wie heeft er in dees arme streek een Koningsneus buiten ik?… Mijn moeder heeft mij altijd gezegd dat ik voor groote dingen in de wieg gelegd ben. Laat ze maar komen die gekroonde menheerkens! Ik zal hun feestmaal eens gaan gereed maken!” Hij stak den haring eens naar omhoog en trok er zonder meer van door.
Als Kruisduit ginder al zingend naar zijn tafelgroote woning opklom, als Jozef terug aan ’t spitten was, en de snoeier, ten boorde van de naar Bethlehem loopende beek knotwilgen scheerde, zat Maria nog peinzend aan de deur.
En alhoewel Kruisduit’s verhaal haar de schrik had weggevaagd, toch bleef er een angstig vermoeden in haar wegen. Zij zag nog steeds voor zich het haar zoo dikwijls beschreven gelaat van Herodes: een purpel, gulzig, dik gezicht met zatte boloogen, en vochtige puisten in een schralen, rossen stoppelbaard. Waarom moest ze nu droef zijn. De koningen waren goedertieren. Als er een nieuwe koning gevonden wierd, zouden ze hem tegen de jaloerschheid van Herodes beschermen.
Al die overdenkingen gaven wel wat vrede aan haar hart; maar niettemin bleef dit zatte woeste Herodeshoofd voor haar oogen hangen.
Zij wenschte weg te zijn in een heel ver land, waar geen koningen kwamen, en er geen Herodes was.
Hare bleeke handen lagen lam in den schoot, en de bekommernisse deed haar de oogen sluiten.
De zon raakte appelsienenrood bijna den zoom der heuvelen, en de schaduwen schoten ver de velden in.
Doch vanuit de wieg klonk er blij gekraai, dat Maria deed opspringen en ’t geluk in haar oogen glanzen.
Zij nam Jezusken behendig uit de wieg. Het wipte zich op haren arm; sloeg zijn handekens in de lucht, en ’t kraaide, gommelde en frazelde van innerlijke pret.
Jozef hoorde het, liet zijn schup in den grond steken, en schalksch, voorzichtig kwam hij achter den hoek van ’t stalleken piepen.
Hij zag hoe Maria het de borst gaf, en hoe de kleine al zuigend, zijn lieve pollekens glijden liet over hare zachte borst, en in de haren van haar gebogen hoofd.
Het jonge moederken kikte en sprak er zoete woorden tegen, en speelde met hare fijne vingeren voor zijn helderblauwe oogjes.
Jozef kwam naderbij geslopen.
Hoe verschoot Maria blijdzaam als zij het gelukkig gelaat van Jozef over haar schouders gebogen zag naar het kind, dat nu gedaan had met eten, en hen met speelsche oogen overentweer bezag.
„Geef mij het eens!” vroeg Jozef. De oude man nam het kind, onhandig door voorzichtigheid bij zich. Jezusken hield met zijn linker polleken Jozefs rechter wijsvinger omstrengeld, het schudde met zijn hand, en wipte en danste op zijn arm; ’t kraaide en ’t kreet, en sloeg zijn ander polleken kletsend op Jozefs gelaat.
Jozef en Maria lachten.
Het kindeken was nu twee maanden oud, maar zijn broos en teeder zieltje dat nog in den schemer des levens half verzonken lag, trilde reeds bij het licht der aangename, jonge zon, die warm straalde over zijn wezentje en zoetekens in zijn herteken gonsde. Het zieltje wierd het leven gewaar, het sprong op in een huivering van eerste vreugde.
Beiden hongen met hun gezicht tegen dit van het kind, riepen het honderd aardige woorden toe, kittelden het onder zijn armen en op zijn borstje.
„’k Zou u kunnen opeten!” zei Jozef.
„O mijn koning en mijn hemel!” juichte Maria!
Jezusken werd door al dit geroep en gespeel uitbundig; ’t stampte en ’t sloeg en trok zoo fel aan Jozefs baard dat de tranen er van in zijn oogen sprongen. Maria gaf het een madeliefken …
Maar in eens bezagen zij met luisterende oogen malkander. Eene felle ontroering stilde hen. Maria, die al rozig geworden was tot in heur gele haren, verbleekte plotseling, en bij Jozef kwam er koud zweet op zijn voorhoofd staan.
Zij luisterden.
Heel ver, achter de blauwe heuvelen, ruischte er groeiend muziek, met vaag, rhythmisch, donderdommelend geroffel, waarvan ’t gedreun tot in hunne beenen kwam.
Maria nam het kind bij zich. Jozef dierf zijn gedacht niet zeggen. En beiden stonden, niet wetend of zij angstig moesten zijn, naar de bruine konijnenbosschen te zien, waarachter het geluid scheen op te stijgen …. Het kwam langzaam maar gestadig dichterbij; ’t wandelde lijzig kronkelend achter de heuvelglooiingen en ’t verplaatste zich meer naar rechts, maar het wies en zwol tot een afgeteekend lied van veelvuldig bazuingeschal onderdaverd en overgonsd van pauken en van gongen.
’t Volk kwam uit de huizen geloopen en klom op de heuvelen.
„Zie! Zie!” kreet Maria ineens. „Zie, ginder zijn ze!” Met rillenden vinger wees ze naar Kruisduits hutteken, waar op den heuvelrug groote beweging van menschendrommen en geschitter van metalen verscheen.
En als een deur waarachter muziek klinkt, in eens opengeworpen wordt, zoo viel nu het bazuinengeschal en het paukengebrom feestelijk in de dalen. Maria begreep en rilde, en als bij ingeving stamelde ze tot Jozef: „Zij komen voor ons kind!”
Een zware verlegenheid greep hen aan, eene groote blijdschap vervulde hen, en zij wisten niet wat doen. Maria beefde en moest zich op het stoelken neerzetten. Zij bezag Jozef als wilde ze vragen wat ze moest verrichten, maar Jozef wist met zich zelven geen raad; hij stond daar met lompe kloonen aan de voeten, hij was maar een arm man, zij hadden een vod van een woning, en die koningen gingen hier komen!
’t Was bijna ongelooflijk! Al wenschende dat het maar een droom mocht zijn, gevoelde hij zich toch fier, terwille van Maria en het kind dat het waarheid was.
„Jozef, geef mij versche windellappen!” zei Maria zenuwachtig. „Doe uw kieltje aan!”
Terwijl zij beiden in de war waren met het verzorgen van het kind, dat een ander hemdeken en doeken kreeg, zijn haarken gekamd en zijn gezichtje gewasschen, terwijl Jozef zijn blauw, stijf gestesseld kielken aantrok en de aarde van zijn kloonen klopte, krioelde het ginder van menschen en dieren en glanzen en kleuren, en kwam het leger den heuvel afgedaald.
De pauken donderden en roffelden nu dat de grond er van schudde, de bazuinen schetterden en schalden als brekend kristal, en helder trippelde daartusschen de frischheid der fluiten, gedempter ’t geblaas der kinkhorens, en zachter het gegons van de zinderende rieten.
En als de krijgers in de dalen gekomen waren daagden nog steeds nieuwe scharen achter den heuvelkam op.
De ploegen stonden verlaten en de schapenkudden aan de schepershonden overgelaten; langs alle wegen en dwars over het veld liep het volk van Bethlehem en der andere gemeenten de naderende volkerenstoet tegemoet.
Het nakende leger ontploeide zich uiteen, daar de wegen te smal waren en kwam in massaaldikke drommen in de richting van het stalleken afgezakt.
Paarden en voetvolk, ruige kemels, en olifanten met opgestoken trompen, gele, bruine en grijze gezichten, naakte moorenlijven, die glommen als mahoniehout, prachtig-uitgedoschte ruiters en met ijzer bekleede krijgers, ’t mengelde zich allemaal kleurig en glanzend ondereen. ’t Was één over en weer gedans van de teederste, felste en bontste tonen en verwen, één opschitteren en weerflitsen van metalen, zijden en juweelen en boven het drukke gewemel ontploeide de zoete oosterwind de doorzichtbare regenboogige drakenvanen en de wisselkleurige wimpels.
En ginder diep in ’t midden, waar alle muziek zich bijeenschaarde, waar het roerde en gonsde, trilde en schalde, boven een bosch van koperbenagelde speren, schitterden op hoogen olifantenrug de torentjes van een gouden pagoden-kapelleken, waarin appelrood een bleeke koning zat, en daarachter, elk op een kemel in een halve maan van oostersche tapijten zaten de twee anderen.
De kardinaalroode zon die de immer toeloopende menschen der streek hun gelaat met haar warm rood bestreelde, jubelde als dronken haar avondgoud in de koperen harnassen en pieken, de bronzen bazuinen, in zilveren schilden en helmen en ’t blinkend getuig van de paarden.
Traag en afgemeten met een Oostersche luiheid, als op pas der olifantspooten, bonkte en bomde de donder der honderden pauken, en gerokken en sleepend schalde ’t geschetter der schelle bazuinen, terwijl zoetzagerig, herhalend de rieten en schelpen zich mengden onder ’t gedrup der heldere fluiten.
Zoo naderden al dichter en dichter onder ’t dreunen der aarde de kleurige scharen als een grootsch, log-langzaam maar onontwendbaar geweld.
Maria werd angstig om die nakende grootschheid van dit blinkende leger met donkere gezichten. Haar hart klopte rap en zij hijgde als na een verre reis.
Zij kon niets denken of willen, maar bleef lam op haar stoelken met het frazelende kind op haar schoot. Jozef liep in en uit, knoopte zijn zijden foulard met gele bloemen rond zijn hals, en kuischte het druipende zweet van zijn voorhoofd. Doch op een teeken van haastige ruiters bleef op een honderd meters afstand plots de stoet van ruiters en voetvolk pal, en verstomden de pauken en daalden de bazuinen.
Er waarde nu een vreemde stilte waarin rauwe bevelende stemmen over en ’t weer riepen, waarin bangelijk ’t geklank van de wapentuigen hel in den komenden avond roerde, en ’t brieschen der paarden van ongeduldigheid getuigde.
Op een gegeven teeken van een kemel bereden hoofdman maakten de voorste rijen den weg open, om Kruisduit te laten passeeren, gevolgd van de machtige vorsten.
Kruisduit riep wat naar den koning die op den hoogen olifant zat en wees met zijn stok naar het stalleken.
„Ginder is ’t!” hoorde Maria hem roepen. Met een zaligen lach van fierheid op zijn tandeloozen mond stapte hij vooruit, en knikte van ver naar de bleeke Maria en den ontroerden Jozef.
Op een halven boogscheut van het hutteken, hielden de dieren stil en knielden om de koningen neer te laten.
Maria stond recht, verlei de plooien van haar kleed en wachtte. Jozef kwam nevens haar staan. En daar waren ze! Kruisduit voorop, dan de koningen, eveneens omhuld van zware balsemgeuren.
De eerste in ’t rood, de tweede in ’t goud en de andere, de zwarte, in maneschijnengroen.
„Zie,” zei Kruisduit zijn hoofd ontblootend als ze bij Maria gekomen waren. „Edele Heeren, daar is dit kindeken waarnaar gij mij gevraagd hebt, en dat zijn zijne ouders.” Daarmee zette hij zich op zij, zag eens fier rond, en luisterde en zag dan met vooruitgestoken kop naar de koningen. De roode koning maakte een trage, diepe, stramme buiging en kwam vooruit.
Hij droeg om de smalle schouders een appelroode fluweelen mantel, met goud doorstikt en afgeboord met hermelijnenpels: op zijn vaal, glad geschoren vogelenhoofd met grooten zakneus, en korentenoogskens stond een tafelgroote roode hoed waarboven schitterenden de tanden van een zware, gouden kroon. In zijn witte-gehandschoende handen, waarop eigroote, citroengele steenen fonkelden, hield hij een zilveren kistje, zoo gevuld met gouden sieraden dat het scheel er van openstond.
En hij sprak met ontroerde vrouwestem in gebroken Vlaamsch: „Laat ons toe U te groeten! Het kind dat gij in uwe armen draagt, aanbiddelijke moeder, is de nieuwe koning wiens ster wij verwachtten, en die wij in het Oosten op onze reize naar hier, dan Goddank ook ontdekt hebben.
Uw kind is de koning van Hemel en aarde en van alle komende geslachten, en alhoewel hij op uw armen zit in den vorm van een lief kindeken, vervult hij met zijn geest alle dingen die wij zien en niet zien; hij is de schedel van den Hemel en de torscher der werelden, hij is God!
Als nederige dienaars die zich slechts kunnen verheugen door hun Heer te dienen, en voor hun Heer te lijden, is het hoogste geluk onzes levens hier mogen neer te knielen voor zijne goddelijke voetjes, en Hem in den vorm onzer onvermogende woorden, en in ’t aanbieden van deze geringe gaven, te mogen huldigen, vereeren en aanbidden. Aanvaard, o begenadigde moeder van dit kind, deze onbeduidende geschenken, die slechts als symbolen hoeven aanzien te worden, want alle onze landen, onze wijsheid en onze tresoren bereiken nog de weerden niet van een haarken van uw goddelijk kind.
Daarom gelieve aan te nemen deze luttele beteekenissen uit onze knechtenhanden …. Mijn naam is Balthazaar, en ik mag de gunst genieten te regeeren over de landen waar de specerijen groeien. Ik heb een boek geschreven over de komste van uw kind. De sterren hebben mij het geheim geopenbaard.”
Hij gaf het kistje aan Jozef. Alsdan ontblootte hij zijn witharig hoofd, nam de zware kroon van den hoed en hield ze over het onschuldig hoofdje van het kind, hij deed een wijle de oogen toe, prevelde iets binnensmonds, en met een lach als van iemand die alle geluk bereikt heeft, plaatste hij de kroon weerom op den hoed. Jozef beet op de lippen om de tranen tegen te houden, en zag swenst met denkende verbazing de schoone doening aan. Maria kon geen woorden uiten van ontroering. Zij stond daar als een wassen beeld, zoo stil en zoo wit; die vereering der machtigste koningen der wereld met hunne heirscharen, hier als knechten knielend in het gers, voor haar eigen vleesch en bloed, het overstelpte en overweldigde haar, en snoerde haar de dankende woorden af.
Toen naderde de koning met gouden mantel om. „Dit is Caspar,” lei koning Balthazaar uit. „Hij heerscht daar waar de Euphraat het land dooradert, en waar het aardsch paradijs eens zijne weelde van geuren en geluk openspreidde. Men noemt hem de volkeren-smelter, omdat hij honderd en zes oorlogen heeft gemaakt, en twaalfhonderd stammen onder zijn edelen scepter gelukkig laat leven. Honderdduizend muilezelen kunnen al het goud niet dragen dat in zijn twintig roze-marmeren paleizen met hangende tuinen berust. Hij kan maar een weinig Vlaamsch.”
De krachtige, witgebaarde koning, klein onder de reuzige, purperen juweelenbebloemde tiara, sloeg zijn brokaat-gouden mantel open van binnen gevoederd met zalmroze zijde, een rok van ragfijne kanten raakte tot aan zijn purperen schoenen. Hij knipte eens even met den wijsvinger over den duim en een zwartgrijs moorken met roze handpalmen, een ring in de neus, en zijn haar verduldig in honderd keperkens geknoopt, bood hem een gulden wierookvat. De Koning knikte ernstig-vroom tot Maria en Jozef, knielde en liet met korte zwaaikens de blauwe wierook zoetjes voor het kind opwolken.
Tegelijkertijd kwam de koning der Mooren, omhuld van krakende goud-groene zijde, waardoorheen het hemelsblauw van zijn kleederen glom.
Een breede ketting van vingerdik goud en zwaar van robijnen-glanzen liet op zijne borst een zon van waterhelle diamanten stralen.
De gekrolde tippen zijner schoenen waren van gebrand zilver, en op zijn hagelwitte tulband waaide een bos van radijsroze pluimen.
Hij rook naar munt en kostelijke olie, en Balthazaar wist van hem te zeggen dat hij Melchior heette en heerschende was over de woudrijke landen der olifanten en tijgers, dat hij vooral bekend stond als dichter en handig de harp bespeelde. Zijn land was zoo groot dat, als het op ’t eene eind avond was, op ’t andere de middagzon kookte.
Melchior lachte zijn tanden bloot in zijn van olie blinkend, bruin gezicht. Het was als een gebarsten kastanje. Hij zei iets in zijne vreemde taal, en bood een kunstig gesneden ivooren kelk waarin de amberkleurige korrelen myrrhe blonken. Hij kuste met zijne witte tanden het rozig voetje van het kind en knielde toen. Ook Balthazaar zette zich in biddende houding nevens Caspar, en Kruisduit boog een knie in het gers en vouwde zijne vuile handen.
Nu hong er eene stilte tot ver in de rangen der menschen en krijgers.
De loop van het waterken was hoorbaar in ’t riet, en ievers in een boomgaard probeerde een merel een lied te fluiten.
Het windeken beroerde de vlaggen.
Met het verschuiven van de zon verkleurde de hemelrondte tot staalblauw en in het Oosten, in purperen luchtdamp sprong een bleeke ster te voorschijn.
Maria zat daar met de oogen toe, terwijl het kind aan een knopken van haar boezelaar speelde. Jozef met de schatten der koningen in zijn armen, bleef rood van geluk het heerlijke uitzicht der legers en koningen bewonderen, al biddend.
Ineens verscheen de staartster melkbleek in het fluweelen blauw van den wassenden avond. Duizend handen wezen naar het hoogste van de lucht.
Er kwam meteen beweging onder het soldatenvolk, en onder de menschen van de streek. De soldaten die nu al zoo lang dag en nacht, door koude en wind en sneeuw waren gemarcheerd, en hunne heerlijke landen van zon en sappig fruit en schoone vrouwen hadden verlaten, om hun vorsten naar den nieuwgeboren koning te leiden, brandden van begeerte om ook dit wezen te mogen zien, waarvan zij wonderen hadden verteld onder het lange gaan en bij den rooden schijn der waakvuren.
Hunne klimmende nieuwsgierigheid woelde onrustig in hun lijf; en de nek moe van over de koppen te willen zien, hunne voeten stram van op de teenen of in de stijgbeugels te staan, ’t maakte hen zoo ongeduldig dat zij den tucht hunner oversten vergaten. De een wrong wat vooruit, een anderen wist zich eenige meters verder te schuiven, er kwam gedrang, gestoot, luid spreken dat tot geschreeuw groeide en groot tumult van bewapende menschen, en ineens ten einde ongeduld, schoot het allemaal haastig naar voren en seffens was het stalleken van heel dichtbij met wringende mannen omringd. Er hongen er in de boomen, zij klommen op het doorzakkende dak, en stonden op malkanders schouders, en klauterden op olifant en kemelenrug.
Nu de soldaten zelve de orde braken, profiteerden de dorpelingen er van om ook van dichtbij de koningen en het kind te zien, en nevens een zwarte hoofdman bevond zich een blozende boerin, of jonge meiden hielden zich aan de schouders van die wilde mannen vast om beter op hun teenen te kunnen staan.
De koningen, gestoord in hun stille, heilige aanbidding zagen verbolgen op. Balthazaar stond recht en begon kwade woorden tot een wanhopigen overste te schreeuwen, maar de woorden stokten hem in de keel. Hij begreep hun aller wensch. Hij streelde aan zijn kin en dacht er wenkbrauwen fronzend over na hoe die duizend menschen gauw te voldoen. Een flink gedacht wipte in hem op. Hij deed met zijn hand van rustig te zijn, hij wendde zich tot Maria. Deze was recht gestaan, verschrikt om dien plotselingen toeloop, en had het kind vast in hare armen genomen om het desnoods tegen alle geweld te beschermen. Ook Jozef stond zwaar-ernstig die dringende drommen krijgers te bezien.
„Vrees niet,” zei Balthazaar, glimlachend om hun ijdelen angst. „Maar ge ziet hoe deze brave lieden hunkeren om uw kind, ons aller Koning, te zien; mag ik zoo vrij zijn u te vragen of ik het hun mag toonen?” Maria verstond hem niet goed, maar daar hij zijne armen uitstak gaf ze hem het kind.
Hij ging toen op een omgevelden olm staan en hief het wicht zoo hoog hij kon boven zijn hoofd naar het volk gericht.
Een rilling liep door die duizenden menschen, als zij in de witte koningshanden een spartelend, rozig kindje met bloote voetjes en hangende windellappen zagen.
In een enorme stilte van verwondering, verbazing en vereering stak er een krijger zijn bazuin omhoog en blies; en als in afspraak schetterden nu ineens alle bazuinen los, daverden de donderende pauken en ronkten als miljoenen bijen de schelpen, de gongen en de rieten.
Er was gejoel en vlaggengezwaai, en de spontane hulde voor den nieuwgeboren Koning der wereld jubelde heerlijk, zwellend-zingend, machtig stijgend, geestdriftig als een orkaan van vreugde over het schoone land van Vlaanderen.
Terwijl de krijgers nu verspreid liepen, de eenen in Bethlehem waar ze geen bier genoeg vonden, de anderen op de hoeven waar ze zich hesp met eieren en melk lieten voorbrengen, anderen bij de honderd met ossen bespannen wagens waar ze hun paard en rijdieren voedsel konden geven, zaten de drie koningen nevenseen op den neergevelden boom, met Maria, Jozef en Kruisduit vertrouwelijk te praten als goede en oude kameraden. De halve maan die heel den dag de zon had gevolgd, kreeg in de donkerende lucht een gele goudvisschenschijn, en gaf een zachte schaduw aan de dingen.
De verten verpurperden en sterren ontloken. De avond kwam vol goedheid. Donker en reuzig zag Maria de gestalten der drie koningen tegen den lichten avondhemel geteekend. Zij zag hoe taande de glans en de kleur hunner sieraden en kleeren, maar op het kletshoofd van Caspar, wiens tiara aan zijn voeten stond, lei de maan een zachte glimming. De zoete balsems stegen weelderig uit hunne kleederen. Nevens haar stond Jozef met de handen gevouwen, en Kruisduit leunde, profijtelijk rookende tegen den deurstijl aan, terwijl Maria donkerblauw vóór het witgekalkte gevelken rustte. Het kind lag, gewikkeld in den Schotschen sjaal, slapend in haar schoot, en bleek waren hare lange handen en haar eenvoudig gelaat, waarin de olijfgroene oogen donker droomden.
En in de avondlijke stilte die om alle dingen waarde, luisterden ze devotielijk naar Balthazaar die zoetjes zijne reize verhaalde, onderbroken door naieve vragen van Kruisduit, en verwonderd, zacht roepen van Jozef.
En zoo kwam het dat ook Maria, door vragen gepraamd, het wonder der boodschap en der geboorte vertelde. Groot wierden de oogen der machtige vorsten en met opene monden aanhoorden zij de schoone, bovennatuurlijke gebeurtenissen.
Toen zij zweeg en de vrede der velden hunne harten deed spreken, knielden de wijzen uit het Oosten voor haar voeten neer en zoenden in hooge adoratie den zoom van haar kleed.
Als zij heengingen naar hunne Morgenlanden, in maneschijn en fakkellicht, en elke koning een stukje windellap van ’t kind als een heilige relekwie zorgvuldig bij zich droeg, stampten zij zonder het te willen alle hooge, geestelijke vreugde van Maria stuk, staken haar een priem in ’t hart, met te zeggen: „Nu zullen wij ook naar Herodes gaan en hem melden waar zich uw kind bevindt, opdat hij volgens zijne belofte een dezer dagen ook het kind kome bezoeken en aanbidden.”
Maria had niets durven zeggen, en nu zat zij daar met een benepen hart van schrik.
„Och Jozef,” zuchtte ze, „waren wij nu maar ver, ver weg.”
Kruisduit schudde zijn kop en zei onheilspellend: „Herodes is tot alles in staat!”
Jozef wilde zalvend optreden, maar de angst deed zijn woorden beven.
Er woog een benauwende geruchteloosheid.
In de huizekens wierden allengerhand de lichtjes uitgedoofd, de sterren ijverden klaarder en eenzamer in den nacht; en als iets dat verkwijnt en henen gaat stak de nevelpluim der staartster haar bleekheid in de lucht.
Nu en dan bij een huiverend windeken waaide er nog wat vaag bazuingeschal tot hen.
„Ik ga slapen,” zei Kruisduit met moeite. „Tot morgen.”
„Als ’t God belieft,” zeiden ze met tweeën in een zucht.
En nog den eigensten nacht, nadat Jozef in zijn droom een groote engel had gezien die wanhopig, gebiedend zei: „Vlucht, want Herodes gaat het kind zoeken om het te dooden!” als de maan rood gebrand op de slapende heuvelen ging liggen, trokken zij weg met het noodige gerief.
Maria en het kind op het goedaardige ezeltje, en Jozef trekkend vooraan, almaardoor biddend, in de richting van de noordster.