Wat al gedachten roept het op, zooals het daar door zonlicht en schaduw aan de lange, neerhangende toppen van de oude iepetakken wiegelt. En wat een verrukkelijke wieg voor de jonge orioles: den lieven, langen dag heen en weer geschommeld op elk zuchtje van de zomerkoelte door de reetjes te kijken als de wereld voorbijzwaait, of met heldere oogjes naar den jongen beneden te gluren die tevergeefs naar boven loert, of naar de hooiberg, die in ’t voorbijgaan langs ze strijkt, en vroolijk te fluiten al waait het hard of zacht, en nooit eenigen angst voor vallen te hebben. De moeder moet er als ze op de vlindervangst uittrekt wel heel gerust op zijn, want geen vogelvijand kan de kleintjes wat doen als zij uit is. De zwarte slang, die schrik van alle laagnestelende vogels, zal nooit zoo hoog klimmen. De roode eekhoorn—kleine schavuit die hij is, om jonge vogeltjes te eten als hij nog een schepel koren of noten in zijn ouden muur heeft—kan geen houvast voor zijn pootjes op die ranke takjes krijgen. En de kraai kan net zoo min een steunplaats vinden om van daaruit de jongen te stelen: en de pooten van den havik zijn niet lang genoeg om naar beneden te reiken en ze te grijpen, wanneer hij zich toevallig eens in de buurt van het huis zou gewaagd hebben en een oogenblik boven het nest zweefde.
Daarenboven is de oriole een gezellig klein ding en dat helpt hem. Ofschoon de jongen voor alle gevaar behoed worden door het listige instinct dat een hangend nest maakt, bouwt het wijfje toch liever in de buurt van het huis waar haviken en kraaien en uilen zelden komen. Zij kent haar vrienden en trekt voordeel uit hun bescherming door jaar in, jaar uit naar denzelfden ouden iep terug te keeren en als een zuinig huismoedertje zorgvuldig de goede draden van haar door stormen vergane oude huisje op te sporen en uit te zoeken om gebruikt te worden bij het bouwen van het nieuwe.
In de laatste jaren scheen het me soms dat die aardige nesten aan afgelegen straten van steden in Nieuw-Engeland zeldzamer worden. De orioles zijn vogels die van den vrede houden en ze hebben een hekel aan ’t gezelschap van die luidruchtige, vechtlustige kleine rakkers, de musschen, die in den laatsten tijd bezit hebben genomen van onze straten. Dikwijls vind ik nu de nesten ver verwijderd van eenig huis, aan eenzame wegen waar ze een paar jaar geleden nog zelden werden waargenomen. Soms ook heeft een eenzame boerderij, te ver van stad om veel door musschen te worden bezocht, twee of drie nesten in de oude iepen om zich heen wiegelen, waar er vroeger maar één was.
Het is een merkwaardig bewijs voor ’t schrander instinct van den vogel, dat waar de nesten aan stille wegen en ver van de huizen gebouwd worden, ze aanmerkelijk dieper zijn en zoodoende beter tegen vijanden beschermd. Hetzelfde is soms opgemerkt bij nesten in eschdoorns of appelboomen gebouwd, die de bescherming van afhangende twijgen waar de roofvogels geen houvast op kunnen vinden missen. Enkele wijze vogels verschaffen zich dezelfde bescherming door eenvoudig den hals van het nest nauwer te maken in plaats van een diep te bouwen. Het is alsof jonge vogels die voor ’t eerst nestelen bang zijn op de stevigheid van hun eigen weefsel te vertrouwen. Hun nesten zijn nooit anders dan ondiep en hebben dus het meest van roofvogels te lijden.
In de keuze van het bouwmateriaal zijn de vogels heel zorgvuldig. Ze weten best dat geen tak het nest van onderen schraagt, dat de veiligheid van de jonge orioles afhangt van deugdelijk, sterk materiaal dat goed samengeweven is. Door het een of andere wijze overleg schijnen ze met één blik te weten of een draad stevig genoeg is om betrouwbaar te zijn; maar ook wel gaan ze niet op het uiterlijk af, als ze de eerste draden uitzoeken die ’t volle gewicht van het nest moeten dragen. Dan kun je een paar vogels aan ’t touwtrekken zien: de pootjes schrap, als een paar terriërs aan den draad rukkend en trekkend tot ze goed op de proef is gesteld.
Bij ’t verzamelen en beproeven van de bouwstoffen voor een nest toonen de orioles niet weinig vindingrijkheid. Een jaar of wat geleden lag ik eens onder wat struiken naar een paar van die vogels te kijken die dicht bij het huis aan ’t bouwen waren. Het was echt een dag om te nestelen; terwijl de zon haar heldere stralen door teergroene bladeren en een heerlijkheid van witten appelbloesem liet stroomen, de lucht vervuld was van warmte en geur, vogels en bijen overal in de weer waren. Het is of orioles altijd gelukkig zijn, maar dien dag vloeiden ze bijna over te midden van alle vroolijkheid, ofschoon ’t materiaal schaarsch was en ze heel ijverig moesten zijn.
Het wijfje was druk in de weer, keerde nooit naar het nest terug zonder dat ze wat aanbracht, terwijl het mannetje in de boomen ronddartelde in zijn schitterend oranje en zwart, zijn warme, rijke tonen floot en wel een schicht van de Zuiderzon leek te midden van de bloesems. Soms staakte hij zijn pret om een eindje touw op te pikken, waar hij een geïmproviseerd „jubilate” over aanhief, of om elken keer, dat zijn wijfje iets bijzonder uitgezochts had gevonden, met haar naar het nest te vliegen, terwijl hij dat zachte, volle gekwetter van hem uitte in een mengeling van vleien en gelukwenschen. Maar zijn voornaamste aandeel scheen er in te bestaan voor de feestelijkheid te zorgen, terwijl zij het maken van het nest voor haar rekening nam.
Vlak voor me, in de luwte van een ouden muur, lag een lapje waar overal de losse draden uitstaken, van een stuk waschgoed door een windvlaag van de lijn gerukt. Ik vroeg me af waarom de vogels dat niet gebruikten, toen het mannetje het bij zijn levendig heen-en-weer-gevlieg ontdekte en naar beneden vloog. Eerst hipte hij er rond omheen, daarna probeerde hij eens een paar draden, maar doordat het lapje los op het gras lag, kwam ’t heele stuk mee als hij trok. Een poosje werkte hij ijverig, door achtereenvolgens aan alle kanten een ruk te probeeren. Eén keer tuimelde hij ondersteboven en maakte een malle buiteling, want het stukje bleef achter een stobbetje haken, maar liet los toen hij zich schrap had gezet en zoo hard als hij kon trok. Eensklaps vloog hij weg en ik meende dat hij de poging opgegeven had.
Even later was hij er weer met zijn wijfje, stellig in de meening dat zij als een handig huishoudstertje alles wel van zulke zaken zou afweten. Als vogels niet praten, dan hebben ze toch een heel vernuftige manier om elkaar aan het verstand te brengen wat ze denken, wat op hetzelfde neerkomt.
De twee werkten een minuut of wat samen, kregen af en toe een draad te pakken, maar niet genoeg om de moeite te loonen. De moeilijkheid zat ’em daarin, dat ze samen aan denzelfden kant trokken en dus niets deden dan het lapje het heele grasveld rondsleepen, in plaats van er de draden uit te rukken die ze noodig hadden. Een keer ontrafelden ze een langen draad door er onder een rechten hoek aan te trekken, maar het volgende oogenblik waren ze weer gezamenlijk aan denzelfden kant. Het mannetje scheen te doen, niet zooals hem gezegd werd, maar precies zooals hij zijn wijfje zag doen. Zoodra ze aan een draad trok, hipte hij er heen, zoo dicht als hij maar bij haar kon komen, en rukte ook.
Tweemaal hadden ze de poging opgegeven, maar ze kwamen terug, nadat ze naarstig ergens anders gezocht hadden. Goede bouwstof was schaarsch dat jaar. Ik vroeg me af hoe lang hun geduld zou duren, toen het wijfje plotseling het lapje bij een tip greep, laag over den grond wegvloog, terwijl zij ’t achter zich aan sleepte en ondertusschen hard sjilpte. Ze verdween in een meidoorn in een hoek van den tuin, waarheen het mannetje haar een oogenblik later volgde.
Nieuwsgierig naar wat ze uitvoerden en toch bang dat ’k ze zou storen, bleef ik wachten waar ik was, tot ik beide vogels naar het nest zag vliegen, elk met een paar lange draden. Dit gebeurde nog eens en toen kreeg mijn nieuwsgierigheid de overhand. Terwijl de orioles die laatste draden in hun nest vlochten, draafde ik het huis om, kroop een heel eind achter den ouden muur langs en zoo naar een veilige schuilplaats bij den meidoorn.
De orioles hadden hun vraagstuk opgelost: het lapje was daar stevig tusschen de doornen vastgemaakt. Weldra kwamen de vogels terug, en door een paar draden aan het eind beet te pakken rafelden zij ze zonder moeite uit. Het was maar ’t werk van een oogenblik zooveel materiaal te verzamelen als ze voor een weefsel gebruiken konden. Langer dan een uur keek ik toe hoe ze naarstig bezig waren tusschen den meidoorn en den ouden iep, waar het nest spoedig prachtig diep werd. Verscheiden keer viel ’t lapje van de dorens doordat de vogels er aan trokken, maar elken keer dat dit gebeurde droegen ze het terug en maakten ze het zorgvuldiger vast, tot het ten leste zoo gehavend was dat ze er geen lange draden meer uit konden trekken, en toen lieten ze het voorgoed in den steek.
Dienzelfden dag bracht ik veelkleurige stukjes sajet en lint buiten en strooide ze over het gras. De vogels vonden ze al gauw en gebruikten ze bij ’t voltooien van hun nest. Een poos lang was er nog nooit zoo’n vroolijk huisje in een boom gezien. De levendige, kleurige plekjes in het zachte grijs van de wanden gaven het nest steeds een Zondagsch aanzien, dat net paste bij het goede humeur van de orioles. Maar tegen den tijd dat de jongen uit den dop gekropen waren en ’t plezier van nestjesbouwen plaats gemaakt had voor de onophoudelijke zorg van hongerige bekjes te vullen, hadden regens en zomerzon de heldere kleuren tot een eentonig, sober grijs verbleekt.
Dat was een gelukkig gezin van ’t begin tot het einde. Er gebeurde nooit iets mee; geen vijand verstoorde er den vrede. En toen de jonge vogels naar het Zuiden waren getrokken, haalde ik het nest naar beneden dat ik had helpen bouwen en hing het in mijn studeerkamer als een herinnering aan mijn vroolijke buurtjes.