CH’ GEEGEE-LOKH-SIS.

Dat is de naam dien de Noordelijke Indianen aan het zwartkopmeesje geven. Het beteekent „kleine vriend Ch’ geegee”; want de Indianen, juist als ieder ander die het meesje kent, houden van dat blijde, kleine ding, dat de bosschen in ’t Noorden opvroolijkt. Den eersten keer, dat ik Simmo vroeg hoe ze bij hem den vogel noemden, antwoordde hij met een glimlach. Sinds dien tijd heb ik het andere Indianen gevraagd en altijd verhelderde een glimlach, een prettige blik de donkere, norsche gezichten als ze ’t me vertelden. Weer een cijns aan den invloed van het vroolijke vogeltje.

Een mees is steeds welgemutst. Zij is in geen enkel opzicht aan luimen onderhevig. Op een mooien morgen stap je de deur uit, en daar in de struiken glipt ze van twijg naar twijg; nu eens hangt ze aan het uiterste tipje met haar kopje naar beneden om in een knop aan het einde te kijken, dan weer gaat ze spiraalsgewijze om een tak naar boven, terwijl zij naarstig in elken knop en spleet gluurt. Een insect moet zich goed verstoppen om aan die wakkere oogjes te ontkomen. Ze helpt je bij ’t kweeken van je planten. Ze kijkt vroolijk op als je aankomt, hipt onbevreesd naar beneden en kijkt met eerlijke, onschuldige oogen naar je. Tsjikke-die-die-die-die! Tsjikke-die-ie-ie?—dit laatste met een stijgend haaltje, alsof zij vroeg hoe je ’t maakte, nadat zij goedenmorgen gezegd had. Dan gaat ze weer op jacht naar insecten; want ze verspilt nooit meer dan een oogenblikje om te praten. Maar ze twettert gezellig onder ’t werk.

In de diepste wildernis tref je haar weer aan. Nauwelijks is de rook van je kampvuur boven de sparretoppen gerezen, of dicht naast je klinkt dezelfde opgewekte begroeting en vraagt naar je gezondheid. Daar zit ze op de berketwijg, vroolijk en gelukkig en onbevreesd! Ze komt beneden bij het vuur, om te zien of er ook iets overgekookt is waar ze zich van meester mag maken. Ze pikt dankbaar de kruimeltjes op die je aan je voeten strooit. Ze vertrouwt je.—Kijk, ze blijft even op den vinger zitten dien je uitsteekt, kijkt nieuwsgierig naar den nagel en onderzoekt hem met haar snavel, om te zien of hij ook een schadelijk insect verbergt. Dan keert ze naar haar berketakjes terug.

Op zomerdagen vloeit ze nooit over van uitbundige pret als het rijstvogeltje en de oriole, maar aanvaardt zij haar overvloed in kalme tevredenheid. Ik vermoed dat het komt, doordat ze ’s winters harder werkt en haar vreugde dieper is dan de hunne. ’s Winters, als er een dik pak sneeuw ligt, is ze het leven van het bosch. Ze roept je aan van de zoomen der troostelooze vlakten waar de rendieren wonen, en haar begroeting doet op de een of andere manier aan de Meimaand denken. Zij komt in je kampplaats van ruwen bast en eet je sobere spijs en laat een beetje zonneschijn achter. Ze gaat met je mee, als je je moeilijk op sneeuwschoenen een weg baant door de dichtopeengepakte sparren. Ze heeft misschien evenveel honger als jij, maar haar deuntje is er niet minder opgewekt en hoopvol om.

Als de zon heet brandt, in Augustus, vindt ze je onder de elzen liggen met de bries van het meer in je gezicht, en zij spert haar oogen heel ver open en zegt: „Tsikkedie-ie-ie? Ik heb je den vorigen winter gezien. Toen was ’t een moeilijke tijd. Maar ’t is fijn om nu hier te wezen.” En als de regen neerstroomt en de bosschen doorweekt zijn en ’t kampleven gewoonweg verschrikkelijk lijkt, verschijnt ze plotseling met een begroeting zoo opwekkend als de zonneschijn: „Tsikkedie-ie-ie-ie? Herinner je je gisteren niet meer? Het regent nu wel, maar er zijn een massa insecten en morgen zal de zon schijnen.” Haar opgewektheid is aanstekelijk. Je hebt betere gedachten dan voordat zij kwam.

Ze is werkelijk een bovenste-beste: er komt geen eind aan het goed dat zij uitwerkt. Telkens weer heb ik iemand beter gehumeurd zien worden of opgewekter, zonder dat hij wist waarom, alleen doordat een meesje eventjes poosde om vroolijk en gezellig te zijn. Ik herinner me een keer dat een troepje van vier na een hevigen stortregen ging kampeeren. De luilak had een kano laten kantelen en alle droge kleeren en dekens hadden we juist uit de rivier gevischt. Nu stond de luilak bij ’t vuur voor zijn eigen gemak te zorgen. De andere drie werkten als mieren, om ’t kamp klaar te krijgen. Ze waren in een slecht humeur, koud, nat, hongerig, prikkelbaar. Ze zeiden niets.

Een vlucht meesjes streek neer met zonnige begroetingen, onbevreesd, vol vertrouwen, maar indringerig. Ze keken onschuldig in de menschengezichten en deden net of ze de prikkelbaarheid daar niet zagen. „Tsikke-die. Ik wou dat ik helpen kon. Misschien kan ik het. Tikke-die-ie-ie?—Met dat zachte, lieflijke, vleiende haaltje naar boven aan het eind.

Er sprak iemand, voor het eerst in een half uur, en het was geen gemopper. Al gauw floot er iemand—een zwak, klein gefluit, maar ’t getij was om. Toen lachte er iemand. „Werkelijk,” zei hij, terwijl hij zijn natte kleeren ophing, „ik geloof dat die meesjes goed op mijn humeur werken. Ze schijnen wel aardig opgewekt, zie je, en het gezelschap had het noodig.”

En terwijl het meesje zijn beschuitkruimels oppikte, deed het heelemaal niet, alsof het er ’t meest toe bijgedragen had om ’t kamp behaaglijk te maken.

Er is nog een manier waarop het helpt, een meer materieele manier. Millioenen schadelijke insecten leven en vermenigvuldigen zich in de knoppen en den zachten bast van boomen. Andere vogels zien ze nooit, maar het meesje en zijn familie laten geen twijgje onbekeken. De heldere oogjes ontdekken de eitjes onder de knoppen verscholen, de scherpe ooren hooren de larven eten onder den bast en een klop met het nebje ontdekt ze in hun boos bedrijf. Zijn diensten van deze soort zijn reusachtig, ofschoon zelden erkend.

Een meezennest is altijd netjes en behaaglijk en merkwaardig, evenals de mees zelf. Het is een buitenkansje (dat je maar zelden ten deel valt) het te vinden. Zij zoekt een oud gat waar vroeger een knoest in ’t hout zat, gewoonlijk aan den beschutten kant van een drogen tak, en graaft er het vermolmde hout uit, zoodat ze een diepen en soms draaienden tunnel naar beneden maakt. In het droge hout op den bodem maakt ze een rond zakje en voert het met het zachtste wat er is. Als je zoo’n nest ontdekt met vijf of zes witte eitjes, die daar teer met rose gespikkeld op den bodem liggen, en een paar meesjes die daar rondglippen, half angstig, half vertrouwend, is het bij elkaar zoo’n mooi plekje, dat ik me moeilijk een jongen kan denken die laaghartig genoeg zou zijn om het te verstoren.

Eén ding is me bij die nestjes altijd een raadsel geweest. In de zachte voering zit meestal meer of minder konijnenhaar. Soms is er zelfs niets anders, en een zachter nest zou je niet kunnen verlangen. Maar waar haalt ze het vandaan? Ik ben er van overtuigd dat ze het niet uit het konijntje zal plukken, zooals de kraai soms wol uit de schaperuggen trekt. Zijn haar oogjes helder genoeg om het haar voor haar te vinden, waar de wind het neergeblazen heeft tusschen de blaren? Als dat zoo is, moet ’t een langdurig werkje zijn; maar een mees is heel geduldig. In ’t voorjaar kun je haar wel eens op den grond verrassen, waar ze nooit om voedsel gaat; maar bij zoo’n gelegenheid is ze altijd schuw en fladdert zij omhoog tusschen de berketakken, en twettert en geeft een verbazingwekkende gymnastische vertooning, alsof zij je aandacht van haar vorige ongewone doen wou afleiden. Dat is alleen maar, omdat je in de buurt van haar nest bent. Als zij ondertusschen een plukje konijnenhaar in haar snavel heeft, zijn je oogen niet scherp genoeg om het te onderscheiden.

Eens na zoo’n vertooning deed ik net of ik wegging, maar ik verschool me slechts in een dennenboschje. De mees luisterde een poosje, hipte toen naar beneden op den grond, pikte iets op dat ik niet kon zien en vloog weg. Ik twijfel er niet aan of het was de voering voor haar nest in de buurt. Zij had het laten vallen toen ik haar verraste, opdat ik haar niet van nestelen zou verdenken.

Zoo’n vroolijk, behulpzaam diertje moest geen vijand ter wereld hebben, en ik geloof dat het er minder te weerstaan heeft dan de meeste vogels. De klauwier1 is zijn ergste vijand; het neersuizen van zijn wreeden bek is altijd noodlottig in een meezenvlucht. Gelukkig komt de klauwier weinig bij ons voor; je vindt zijn nest maar zelden, met het arme meesje op een scherpen doorn er vlak bij gespietst, omringd door allerlei leelijke torren. Ik verdenk er de uilen soms van dat ze ’s nachts op hem jagen, maar het slaapt in het lage, dichte dennenhout, stijf tegen een tak gedrukt, met de dennenaalden aan alle kanten om zich heen, die het heel donker maken; en met die duisternis, en de naalden die hem in de oogen kunnen prikken, geeft de uil zijn zoeken gewoonlijk op en hij gaat in minder dichte bosschen jagen.

Soms trachten de haviken hem te snappen, maar er is een paar heel snelle en heel kleine wieken noodig om een meesje te vangen. Eens keek ik naar hem, terwijl hij met zijn kopje naar beneden aan een eiketwijg hing waar de dorre bladen nog aanzaten, want het was winter. Plotseling was er een tocht, een flits van gespikkelde vleugels en felle, gele oogen en wreede klauwen. Het meesje schoot onzichtbaar weg onder een blad. De havik vloog verder met ruischende slagpennen. Een bruine veer zeeg neer tusschen de eikebladen. Toen hing het meesje met ’t kopje naar beneden, juist waar het eerst was. „Tsikke-die? Heb ik hem niet mooi beetgehad!” scheen het te zeggen. Het was eenvoudig om zijn twijg heen onder een blad geglipt en weer terug, en ’t gevaar was voorbij. Als een havik op zoo’n manier mist, stoot hij nooit weer. Jongens hebben gewoonlijk een eigenaardige vriendschap voor de meezen. Ze mogen wreed of gedachteloos tegenover andere vogels zijn, maar zelden zijn ze ’t voor haar. Ze lijkt wel wat op hen.

Twee jongens op bloote voeten, met pijlen en bogen, waren op een Septemberdag aan het jagen tusschen de halfvolgroeide boschjes op een oud weiland. De oudere leerde den jongeren schieten. Een roodborst, een chipmunk2 en twee of drie musschen waren al in hun jaszakken weggestopt, een bruin konijn hing den oudsten jongen over den schouder. Plotseling hief de jongste zijn boog op en trok den pijl tot aan den top terug. Vlak voor hem hing een meesje tusschen de berketakjes te twetteren. Maar de oudere jongen greep zijn arm beet.

„Niet schieten—schiet hem niet!” zei hij.

„Maar waarom niet?”

„Omdat je ’t niet doen moet—je moet nooit een mees schieten.”

En de jongere, door een zeker geheimzinnig hoofdschudden meer dan door de woorden genoopt, ontspande vroolijk zijn boog; en met een laatsten blik uit groote oogen naar het grijze vogeltje, dat daar zoo zonder vrees twetterde en wiegelde vlak bij hem, gingen de jongens verder jagen.

Niemand had den oudsten jongen ooit geleerd onderscheid te maken tusschen een mees en andere vogels, niemand anders heeft het ooit aan den jongeren geleerd, en toch voelden ze beiden op de een of andere manier, en voelen het nog na vele jaren, dat er een onderscheid is. Zoo gaat het altijd met jongens. Ze zijn vrienden van alles wat hen vertrouwt en geen vrees kent. Gee—gee’s eigen persoontje, haar opgewekte manieren en vertrouwelijke natuur hadden het hun geleerd, ofschoon ze het niet beseften. En onder alle jongens uit die buurt bestaat er nog een wet die geen mensch ooit gegeven heeft, waar geen mensch den oorsprong van kent, een wet even onveranderlijk als die van de Meden en Perzen: Dood nooit een meesje.

Als je gindschen jongen die je van de wet vertelt vraagt: „Waarom een meesje niet evengoed als een musch?” schudt hij zijn hoofd net als eertijds en antwoordt dogmatisch: „Omdat je dat niet doen moet.”

HET GEHEIM VAN HET MEESJE.

Wanneer je in Mei een meesje aantreft met een plukje konijnenhaar in zijn bek, of als het aandachtig ergens mee bezig, geheel van iets vervuld lijkt, kun je er zeker van zijn, dat het bezig is een nest te bouwen, of vrouw en kinderen in de buurt heeft om voor te zorgen. Als je het goed kent, gebeurt het misschien wel dat je je gegriefd voelt, omdat het vriendje, dat je kamp met je deelde en den vorigen winter aan je tafel kwam eten, dit voorjaar even vrijpostig scheen en je toch nooit naar zijn kampplaats uitnoodigde, je er soms zelfs van wegleidde. Maar het zachte nestje in het oude boomgat is het eenige geheim in een meezenleven; en de bedriegerijtjes waarmee hij het tracht te bewaren zijn soms zoo kinderlijk, zoo doorzichtig, dat ze zelfs nog meer belangstelling wekken dan zijn vertrouwlijkheid.

Op een middag in Mei liep ik eens zonder geweer te jagen bij een oude, verlaten hoeve tusschen de heuvels—een van die zonnige plaatsen waar de vogels van houden, omdat er iets van de menschelijke wezens die er eens woonden nog over de halfverwilderde landen waart en er iets beschermends aan geeft. De dag was warm en zonnig. De vogels waren overal en schoten van de dennenboschjes naar de berken, in de volle vreugde van het nestelen, en vervulden de lucht van leven en melodie. Het jagen geeft niet veel als je op zoo’n tijd rondgaat. Of de jager, òf zijn wild moet rustig zijn. Hier repten de vogels zich onophoudelijk; ik kon meer van hen en hun gewoonten zien door me eenvoudig stil en onzichtbaar te houden.

Ik ging aan den zoom van een dennenboschje zitten en werd zooveel mogelijk een deel van de oude stomp die me tot zitplaats diende. Vlak voor me slingerde zich een oud hek, vier balken hoog, over de verlaten wei, worstelend tegen de braamranken die in overvloed er omheen groeiden, en ’t leek wel of ze aan den ondersten balk rukten om de oude omheining naar beneden te trekken, tot ze ’t ondersteboven lag. Aan weerskanten verdween ze in boschjes van berken en eiken en sparren, evenals de rankende bramen door vogels daar gezaaid, die een poosje op het oude hek waren blijven zitten om uit te rusten, of om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Forsche, jonge boomen hadden het op zij gedrongen en gebroken. Hier en daar was een scheeve post met kamperfoelie geheel begroeid. De balken waren grijs en met mos bedekt. De natuur deed al haar best om er een onderdeel van het landschap van te maken; het zou niet heel lang zijn eigen karakter meer kunnen bewaren. ’t Wilde boschvolkje had het al lang in bezit genomen, ofschoon nog niet zoo geheel als ze het de ranken en boomen deden.

Terwijl ik daar zat liet er zich een roodborst uit den top van een jongen ceder, waar hij een oogenblik te voren zijn bruidsliedje nog zat te oefenen, op neervallen. Hij was niet van zins er te gaan zitten, maar nieuwsgierigheid, even doelloos als de mijne, deed hem even op den ouden grijzen balk poozen. Toen liet een specht zich tegen den kant van een post neer en onderzocht dien zachtjes. Maar hij was te kort bij den grond, te dicht bij zijn vijanden om leven te maken—vloog dus naar een hooger tak, en sloeg een roffel dat de bosschen er van weerschalden. Daar zat hij veilig en kon net zooveel leven maken als hem behaagde. Een boschmuis bewoog de ranken en verscheen even op den ondersten balk; toen verdween ze, alsof ze hevig geschrokken was dat ze zich zoo maar in den zonneschijn vertoond had. Zoo doet zij altijd bij haar eerste verschijning.

’t Duurt niet lang of een roode eekhoorn schiet uit het boschje aan den linkerkant, rept zich langs de balken en de posten op en neer. Hij gaat als een kleine, roode wervelwind, ofschoon hij niets ter wereld heeft om zoo’n haast voor te hebben. Juist tegenover mijn stomp staakt hij zijn jacht merkwaardig plotseling, snatert, klakt, scheldt, probeert of ik me ook beweeg, dan gaat hij verder en verdwijnt met dezelfde halsbrekende vaart uit ’t oog. Een gaai blijft even stilzitten in een jongen noteboom boven het hek om ’t uit te fluiten van nieuwsgierigheid, alsof ze het al niet vijftig keer eerder gezien had. Iets wat haar nieuwsgierigheid opwekt blijft altijd nieuw voor haar. Ze krijscht nu niet; ’t is haar nesteltijd.—En zoo den heelen middag door. Het oude hek wordt een stukje van de bosschen, en elk dier dat voorbij komt houdt stil om er kennis mee te maken.

Ik droomde me een geschiedenis van de oude heining, toen een meesje in den den achter me twetterde. Toen ik me omkeerde vloog het over me heen en ging voor me op het hek zitten. Het had iets in zijn bek; ik keek dus goed toe om zijn nest te ontdekken, want ik zou het heel graag eens aan ’t werk zien.

’t Meesje had nooit blijk gegeven dat het bang voor me was, en ik meende dat het me nu vertrouwen zou. Maar dat deed het niet. Het wou niet naar zijn nest toegaan. In plaats daarvan begon het op den ouden balk heen en weer te hippen en net te doen of het heel naarstig op de insectenjacht was.

Even later verscheen zijn wijfje en met een scherp geluid riep het haar naast zich. Toen hipten en twetterden beide vogels op den balk heen en weer, en er was blijkbaar niets ter wereld dat hun zorg gaf. Vooral het mannetje leek net in een stemming om pret te maken. Het dribbelde den mossigen balk op en neer, het draaide er omheen, tot het veel had van een klein, grijs vuurraadje; het hing met ’t kopje naar beneden aan zijn teenen, liet zich vallen en draaide zich als een kat om, zoodat het op zijn pootjes op den balk er onder neerkwam. Terwijl ik op deze vertooning lette, had ik nauwelijks gemerkt dat zijn wijfje verdwenen was, tot ze plotseling naast hem op den balk weer voor den dag kwam. Toen verdween hij, terwijl zij de vertooning op den balk gaande hield, misschien met drukker getwetter en wat minder kunsten. Na een poosje waren de beide vogels weer bij elkaar en vlogen de dennen in, waar ze uit het oog verdwenen.

Ik had ze bijna vergeten onder ’t gadeslaan van andere vogels, toen ze weer op den balk verschenen, tien minuten of een kwartiertje later, en een voorstelling ten beste gaven die weer heel veel van de vorige had. Dat was bepaald ongewoon, en ik bleef zitten, heel rustig, vol belangstelling, ofschoon eenigszins in de war gebracht, en een beetje teleurgesteld dat ze niet naar hun nest waren gegaan. Ze hadden beide keeren dat ze op den balk verschenen ’t een of ander in den bek en waren nu waarschijnlijk bezig nog wat te zoeken—misschien wel konijnenhaar in den ouden boomgaard. Maar wat hadden ze er mee uitgevoerd? „Misschien,” dacht ik, „hebben ze ’t laten vallen om me beet te nemen.” Dat doet het meesje soms. „Maar waarom bleef de eene vogel dan op den balk? Misschien …” Nu, ik zou eens goed uitkijken.

Toen me die gedachte inviel, verliet ik mijn stomp en begon heel zorgvuldig de posten van het oude hek te onderzoeken. Het meezennest zat daar ergens. In den tweeden post aan den linkerkant ontdekte ik het, een klein gat, waar een knoest was geweest, dat het meesje diep uitgehold had en met konijnenhaar gevoerd. Het zat mooi verborgen door de ranken die den ouden post bijna geheel bedekten, en grijs mos groeide overal om den ingang. Nog nooit had ik zoo’n snoezig nestje gevonden.

Ik keerde naar mijn stomp terug en ging zoo zitten, dat ik net het donkere holletje kon zien dat naar het nest leidde. Nu konden geen andere vogels me boeien, tot de meesjes terugkwamen. Ze waren er gauw en hipten net als eerst op den balk heen en weer, met een heel fijnen klank van verbazing even in hun zachte getwetter, dat ik van houding veranderd was. Dezen keer zou ik me niet beet laten nemen door gymnastische kunsten, hoe merkwaardig ook. Ik hield mijn oogen op het nest gericht. Het mannetje ging zeker door met zijn moeilijkste kunststukken en deed zijn best om mijn aandacht te boeien, toen ik plotseling zijn wijfje achter den post om zag glippen en in haar deurtje verdwijnen. Ik kon nauwelijks zeggen of ’t een vogel was of niet. Het leek veeleer alsof de wind een plukje grijs mos bewogen had. Had ze ’t langzaam gedaan, dan zou ’k haar best niet gezien kunnen hebben, zoo weinig was haar zachte grijze jasje te onderscheiden van het verweerde hout en het mos.

Even later kwam ze weer te voorschijn, wachtte een oogenblik, terwijl haar kleine kopje uit het gat keek, glipte om den post zoodat ’k haar niet meer zien kon, en ik kreeg haar weer in ’t oog toen ze plotseling naast het mannetje verscheen.

Toen lette ik op hem. Terwijl zijn wijfje rondsnorde op den bovensten balk, liet hij zich op den middelsten vallen, hipte langzamerhand naar één kant, liet zich toen plotseling op den ondersten neertuimelen, die half om den wingerd verscholen was, en verdween. Ik wendde mijn oogen naar het nest. Een oogenblik, en daar had je hem—niets dan een grijs glimpje dat even van achter den post te voorschijn kwam, alleen om in den donkeren ingang te verdwijnen. Toen hij weer naar buiten kwam, kon ik maar een flits van hem opvangen, tot hij op den balk bij me, naast zijn wijfje verscheen.

Nu was hun kleine krijgslist duidelijk. Ze waren teruggekomen van ’t verzamelen van konijnenhaar en hadden me onverwachts bij hun nest aangetroffen. In plaats van drukte te maken en het te verraden, zooals andere vogels misschien gedaan zouden hebben, streken ze op den balk vóór me neer en waren zoo gezellig als alleen meesjes dat kunnen zijn. Terwijl het eene mij bezighield en mijn aandacht in beslag nam, liet het andere zich naar den ondersten balk tuimelen en gleed er achter langs voort, dan langs den post naar boven, waar hun nest was, en langs denzelfden weg terug, met achterlating van zijn bouwstof. Dan hield het me bezig terwijl het wijfje net zoo deed, en omgekeerd.

Hoe simpel hun toeleg ook was, ik was er in ’t eerst door bedrogen en ’k zou me steeds hebben laten beetnemen, als ik niet wat van meezengewoonten had afgeweten en ’t nest had gevonden toen zij weg waren. Vogels die gejaagd worden gebruiken de list om iemand van hun nest weg te lokken. Ik weet het niet, maar me dunkt dat alle vogels min of meer datzelfde instinct hebben, maar niet één had haar ooit met zooveel succes op me toegepast als Ch’gee-gee. Wel langer dan twee uur zat ik daar naast het dennenboschje, terwijl de meesjes af- en aanvlogen. Soms naderden ze het nest van den anderen kant, en ik zag ze niet of ving slechts een glimp van hen op misschien, als ze hun deurtje binnenglipten. Altijd wanneer ze er van mijn kant heengingen, bleven ze op den balk voor me zitten en voerden hun vertooninkje op. Langzamerhand werden ze vertrouwlijker en gaven zich minder moeite om hun bewegingen te verbergen dan eerst. Soms kwam er maar één en verdween na een kleine voorstelling. Misschien meenden ze wel dat ’k niet veel kwaad kon, of dat ze me den eersten keer zoo mooi beet gehad hadden, dat ik niet eens vermoedde hoe ze aan ’t nestelen waren. In elk geval, ik deed nooit alsof ik het wist.

Toen de middag kortte en de zon in de dennetoppen gleed, werden de meesjes hongerig en staakten hun werk tot den volgenden morgen. Ze pikten tusschen de jonge berkeknoppen toen ik ze verliet, samen druk en gezellig in de weer om hun avondmaal te zoeken.


1 De Amerikaansche Lanius Borealis. 

2 Soort eekhoorn: Tamias Stryatus.